Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Moeie Lycke

Bij oude moeie Lycke
Biekorf 1969/1-2
Cafmeyer M.

Ze wordt honderd jaar nu in 't einde van mei, Marie Provoost, en wordt er gevierd door de gebuurs van de Schaakstraat in St.-Kruis. Rond 1926 is ze daar bij haar getrouwde dochter Godelieve komen wonen. « Moeder zeiden Godelieve en Cyriel, en hun kleinen maakten daarvan moeie. Nu ze groot geworden zijn, zeggen ze moetje, maar bij de gebuurs ben ik moeie, oude moeie gebleven, en ik versta het alle twee... »
En zo is Oude Moeie aan 't vertellen:
«Lijk of je weet, we dienden wij, ik en Kamiel mijn vint, op d'hofstee van Dedewallens. 't Is korts achter den oorlog van veertiene dat we onze spaarcentjes hebben besteed aan dat huis hier, juist van passe gelegen bij de kerke en uit de kant, met grote keuken en achterkeuken, beste kamer en hoogkamer en nog in 't zuiden dat schoon ovekotje hier, met een lochting. ja, hoe gaat dat al met de jaren, stilletjes aan 't een achter 't andere, weeuwe komen... oud worden... doof zijn... en de een en de andere op bezoek komen en ik maar half verstaan. Op een einde kost ik het niet meer herden, en 'k zeg alzo op 'n keer: « jongens, 'k ga er korte metten mee maken, 'k ga in 't ovekotje huizenieren op mijn eentje, 't steekt daar niet nauwe ». En lijk of je ziet woon ik hier goed en wel, en dat is nu al meer dan zes jaar geleen, 'k ontvang hier de bezoekers overdag maar 'k blijve slapen in 't huus ». En moeie zit daar inderdaad goed verzorgd, 's zomers met open deur voor 't venster, en 's winters nevens een gloeiend stovetje, de kokende moor en de koffiekan bij d'hand. Daar heb ik haar een paar keers bezocht. Moetje is goed bewaard mager en taai! - goed te bene en welbespraakt.
« Lijk of je ziet heb ik hier al wat ik nodig heb, tafel en stoelen en een zetel, een kom en als de koffie te zwart is djak ik een kokende slok uit de moor. Op 't boord een krusefiks tussen een Onzevrouwe en een Sint-Josep, en daar in 't kasje mijn lezinge: gazetten en boeken, geen dibbeboeken wee'je, 'k leze geern liefderomans maar geen slechte boeken, we zijn alzo niet opgebracht. Mijn dochter Godelieve verzorgt mij lijk een kiekstje op een barretje, waar kan ik nog beter zijn, zeg 'n keer? Maar God zij gedankt, ik kan me nog goed verhelpen.
En wat moet je nu nog weten? Van Loppem ? van mijn geboortestreke? Wel mens toch, moet ik al die oude koeien uit de gracht halen... dat gaat maar moeilijk gaan voor een mens van negenennegentig. Hurkt 'n keer hier, 'k ga zeggen wat mij te binnen valt, want 'k zeg het rechtuit, 'k en zijn niet gediend met al dat vragen...
Nu schrijf maar op... Mijn ouders Lewietje Provoost en Wantje Ketels woonden “te bussche” op den Eenink niet verre van Tillegem en alzo een groot kwartier van Loppemplaatse. Ze hadden een klein boerderijtje, molken een koetje of twee en beboerden in al acht gemeten mager land, 't brandde dood als de zon uitkwam. 't Doeningstje was aan Crombrugge en we pachtten 't land aan Coppieters. Ze kochten nu en dan een kuipe beer aan de beerboer Fonteijne van aan de WatermeuIen die dat te Brugge haalde. Zeg dat ze mochten wroeten op dat mager land, ze hadden het zo gemakkelijk niet of de jonge trouwers de dag van vandage.
Moeder heeft ons dikwijls verteld van haar trouwe en kindjes kopen. Kijk ze stond op trouwen en was al drie keers geroepen, en daar zie... heur lief sterft onverwachts. Waren dat geen eendelijke dingen? alles is geschikt en ge staat gij daar allene te blinken... Nu enigte tijd nadien kreeg ze de keure van Lewietje Provoost, maar ze moest met zijn ouders inwonen. 't Wijvetje is nog al gauw gestorven maar peetje is 98 jaar en zeven maanden oud geworden. Alle dagen kwam de onderpaster t'onzent gewandeld en bleef bij peet je voor 't open vier zitten kouteren en een kort berookt pijpje smoren.
't Was er alleszins niet fel van de kost lijk bij iedereen te dien tijde, de mensen vagen nu meer van hun mond of dat wij er instaken. Je kent die magere kost hé? roggen stuiten met smout gespreid, een schep eerpels met kaantjessaus overgoten, maar 'k ate nog liever stampers met zurkel of spruitjes met enigte reepjes scheutelvlees overgoten, en een telloor kerrepap om al de gaatjes te vullen.
Of moeder naar de markt ging? 0 ja z' alle zaterdag naar Brugge, te voete door de bossen met twee kilootjes boter en 26 eiers, en ze zou het voor niets gelaten hebben. Je kon peinzen: ze was aan 't sparen... en al verre gezet... en 't was voor alle dagen uit om te kopen. En zegt vader nog « maar moeder 'k zou toch vandage alzo moederziel alleen naar Brugge niet gaan». Maar vint toch, zei ze, wat peis je? 't geld van boter en eiers hebben wij nu broodnodig... En ze trok het op. Nu als het rond de noene draaide wierd vader ongerust. 't Wierd elfenhalf, twaalve, één... en nog geen moeder te zien. Vader was om zot te komen en hij stapenhalf haar tegengegaan. En daar zie niet verre van Tillegem zat de slore tegen een boom geleund, en ze kost noch voorder noch nader, t'endend alle straten. Vader om de kortewagen 't naastebij te Mispelaars en alzo voerde hij moeder naar huis.en liep zere om de vroedvrouwe.
Moeder was zodanig slecht dat ze moest berecht worden en ik, Marie, wierde gekocht als een echte « bosuil». Och 'k was zo een deerlijke krempe die lange moest gesteukeld worden, maar lijk of je ziet 'k ben er goed deuregeschaffeld.
Met hoeveel kinders dat we waren? Drie meisjes: Julie, ik en Liza, en we gingen naar schole bij de nunnetjes: maseur Zermana, Brozia, en Floranse. 's Noens bleven er letter of gene in schole eten maar we zetten het op een loopje en die gestraft geweest was durfde wel zingen: « Een nunne op een tunne met heur gat in de zunne ». 's Achternoens achter schole moest ik de koeien wachten achter de garskanten en 't was zingen om ter luidst naar andere koeiwachters :
Goria ! goria! giete 
de koeiwachter heeft de schijte 
de katte schijt zwart en blauw 
goria ! goria ! gauw!
Omdat we nu van zingen spreken; weet je dat we er ook gauwe bij waren om van 't een doeningstje naar 't andere te gaan met Sinte Maartensavond, je weet wel, de torre gaat mee naar Gent.. en :
Sinte Maarten komt alhier
hij zet hem in een hoekstje
hij warmt daar zijn broekstje
met zijn korren ten vestje
met zijn peperbollen kazakstje
ik heb gezongen en ben er zo hees
hebt ge geen appels geef een stuk vlees...
Wij vaarden overal wel en kwamen met een mand appels en wat kluttermunte naar huis.
Wat dat mij nog te binnen valt? 0 ja dat gebedje van die Brugse schooier, alle 14 dagen kwam hij een klutsje patatten rondschooien en vader zei: « hoor je hem, hij komt gunter weer aangetjaffeld !» 't zijn geen leugens, maar ge kost hem wel een halve prochie ver horen:
Maria was edel en goed
zij heeft gedregen dat heilig bloed
als Maria dat heilig bloed ontving
't was naar de tempel dat Maria ging 
naar de tempel is Maria gegaan
de engel Gods kwam voor haar staan.
Weet je dat er ook afferente rondleurders kwamen? Roeselaarnaars met kaders van Onzevrouwe, Sintjosep en ’t Heilig herte, kijk de mijne hangen daar nog zie. Andere sloegen een stuk ongebleekt laken en een pak handdoeken over de schouder met een ellemate onder den arm, en als ge niet kocht schoten ze in hunder dulle en durfden verdregen ook. Die leurders hadden slapinge bij de boeren in 't strooi.
Maar de berkeslijters waren gevaarlijke mannen. Moeder vertelde dat ze in heur jongen lijd een bosje kwamen snoeken om berkebezems te maken en ze sliepen bij heur vader in huis. En 't andere jaar als ze alles goed afgespeurd hadden verdreegden ze ineens « junder geld of we leggen junder aan 't vier!» Gelukkig was grootvader er op voorzien en 't was seffens geklonken met d'hulpe van de gebuurs.
De zondag uitgaan? Maar jong toch, vader ging letter of niet op staminee met dat moeder ziekelijk was, en wijnder moesten alle veertien dagen naar de kongregatie. 't Zou niet gepast hebben met tante Bellotje Ketels, moeders zuster, die bij haar broer nonkel Sissen woonde, dat was mijn pitje en hij hovenierde op 't kasteel van Gilliodts. Tante Bellotje was perfekte van de kongregatie, zo we kosten niet blauwen, ze zat op ons hielen.
Ha ja ik zou nog kunnen vertellen van 't slunsewijvetje, 'k zie het nog voor mijn ogen en 'k was dan twaalf jaar oud. 't Had een beetje gesneeuwd en vader was aan 't dersen en rustte een beetje uit over d'halve deure van de schuur en... dat slunsewijvetje kwam in zulk weer uit het sparrebos gesukkeld. Heel heur hoofd, arms en benen 't was al met slunsen bewonden en heur vuile zwartgroene mantel was overal gelapt en getapt. Vader roept zere: « Moeder waarachtig dat slunsewijvetje komt alhier gedreveld wit besneeuwd, laat ze binnen!» Moeder scharte de warme kooltjes vuur bijeen in den heerd, gaf haar een stoel en een warme komme koffie. En toen vader vroeg naar haar name kost ze met snikken maar zeggen: Melanie Landuyt. « Maar wijvetje toch, waarom in de sparren slapen? er zijn toch gestichten voor oude mensen? Kijk je mag daar in mijn « stekkekotje» - droge sparretakken - slapen, 't is wel maar een barrelen kotje maar je slaapt toch in 't droge... » - « Neen neen man, als ik in de sparren slaap kan ik nooit verdonderen, de donder valt niet op de sparren, te veel wierook is er daar ».
Zoudt ge kunnen geloven ieffrouw, dat ik nog op het tribunaal geweest ben? Dat was alzo. Wij kwamen de maandagnoene van school en moesten. voorbij een boeie, een zwingelkot dat we zeggen, en een van de zwingelaars nog halfdronke van de zondagavond stekte ineens Lewiezetje Kazeirele vast en smeet ze in de tingels. Wel here 't meistje was vrezelijk betingeld en vol blazen en wijnder ermee op een vlucht naar huis. Die zwingelaar deed dat uit wraak omdat Lewiezes zuster van hem niet meer wilde voor lief. Dat wierd overgedregen en we moesten met tweeën naar het tribunaal, we zaten daar met de herteklop naar die avokaten te kijken in hunder mantels met wittelappen, we meenden dat het paters waren. We kregen elk twee frank-en-half voor te knikken. Later van tijd zagen we de zwingelaar hangen op zijn knieën langs 't sparrewegeJtje. Ho mens, dat deed vreemde, we smeten een schruwel en wijnder op de vlucht naar huis.
Wanneer dat ik getrouwd ben? Alleszins niet vroeg, 'k heb twee keers, gevrijd, maar bij de eerste was het geen menens. De tweede, Kamiel Lijke, kwam altijd al schuifelen voorbij ons hekkentje en 'k liepe dan zere om een koutertje te slaan. Kamiel woonde wel op de Eenink maar hij was geboortig van Oostkamp en als we naar de paster gingen kreeg ik een schone kerkeboek met een rood leren spasie voor bruidstuk. Als we drie dagen getrouwd waren kwamen we naar Sint-Andries op een hofsteetje van 't goed Dedewalle om te kasteleinen. Maar 't was ik die moest kasteleinen op 't hof, de koeien melken. 's nachts bij de zeuge zitten die moest viggen, allee al 't boerewerk op 't hof viel op mij. Kamiel hielp wel maar was eerder toeziender van 't goed en kommandeerde 't volk links en rechts om alles goed te onderhouden en hij deed al een keer de ronde met 't geweer over zijn schouder. Als de « zandarms» op 't goed kwamen moest hij mee op toer, en hoe dat hij 'n keer aardig vaarde. Zij waren weer te zamen op ronde geweest en de zandarms trokken langs de herreweg naar Brugge en Kamiel kwam door den hof naar huis. Al met eens zag hij daar 'n twatse wit voor hem maar gebaarde van niets..., t'endend gekomen ziet hij het weer en er kwam een valduive nevens zitten. Zo bleek of een lijk steekt hij de deur open en ik « wat is er gebeurd dan? » - « 'k Weet niet wat het is, mens of beeste gelijk in een wit laken gedraaid». 'k Wist seffens waar het haperde: « Maar vint toch, g'hadt uw schapulier niet aan, dat komt daarbij, 't was toverij, 'k ben blij dat ge niet geschoten hebt ». Nu de onderpastoor kwam dat ook te wete en zegt hij alzo: «Miet, ge moogt dat niet meer zeggen, dat zijn fabels... » En mijn vint schoot uit: « Wat ik gezien heb, heb ik gezien en 'k ga het voor niemand afgaan ». In al die jaren dienst heeft hij nooit niets wreeds tegenkomen of gezien.
'k Sprake daar van een valduive he? Wel op 't goed van Dedewallens woonden er veel valduiven, of bosduiven lijk of ge verstaan wilt, en d'heren hielden daar veel van, goed, mals vlees. Nu en dan moest Kamiel er schieten bij valavond, en ik en Kamiel volgden en hielden ons koeste bachten een boom. Miel volgde ze in de lucht, poef en de koeiwachter liep er naar waar ze gevallen lag.
Als moetje van mijnhere Dedewalle begint, herleeft ze en heur hart gaat open. Dat ondervond ik het best bij mijn laatste bezoek einde maart, ze had een lichte verkoudheid gehad en wilde van geen nieuwsgierige bezoekers meer weten.
«Neen jong, 'k ga niet meer vertellen, 'k heb een halve koude g'had en ze is op mijn een ore gevallen, daarmee zijn ik vele verdoofd. En daarbij 't staat al in de gazetten en ze wees naar knipsels die daar lagen.
Maar weet ge wie dat er hier ook gekomen is? mijnhere Leon Dedewalle, de zeune van mijnhere Stanislas, ja hij, hier heeft hij wel een ure in mijn ovekotje gezeten om zekers te weten dat ik op 23 mei verjare, 'k ga dan te vullen honderd jaar oud zijn. En zeggen dat ik hem heb weten trouwen en zijn vader ook, mijnhere Stanislas op 't kasteel Tudor op SintAndries. Je kan peinzen, 'k heb zelfs de trouwfeeste van mijnheer Manuwel geweten, dat was de oudste zone van de drie knechtjongers van Mevrouwtje. 'k Moet het wel geloven dat ik oud ben, ze zijn allemaal dood en geoordeeld, waar gaat de tijd. En als de paters te Zevekerke gebouwd hadden kwam pèr'abbé nu en dan messe lezen in de kapel voor 't oud Mevrouwtje en heur volk, maar niemand anders was toegelaten.
Mijnheer André, de jongste zone, was onze baas en als hij trouwde kreeg het werkvolk elk een groot koekebrood en hij gaf een bollinge in de Watermeulen met prijzen, die herberg is nu afgesmeten. Dat was goe' volk de Dedewallen, 'k en zou er geen kwaad willen van horen, 'k peize nog dikwijls op al die mensen als ik hier op mijn eentje zitte te dromen.
Ze gaan me vieren, maar 'k zijn niet gediend met dwaze kompelmenten, 'k zijn nog goed bij de mijne, maar 'k krijge zeer in mijn hoofd als ik op dien zoveelsten mei peinze. En 'k moest overlaatst nog lachen, zegt er hier een alzo: « 'k zou ook willen honderd jaar worden ». 'k Bezie ze 'n keer goed en 'k zegge: «t' Is te late mens, daarvoor moest ge in uw leven vele gewerkt hebben en magere kost g'eten hebben...»

M. CAFMEYER