Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.



René Duyck
rustend vakleraar
°Izegem,16 mei 1912
Pastorieweg 3
St-Kruis-Brugge

"Als een landjuweel vertoont zich de huidige Brugse deelgemeente Sint-Kruis.
Deze mooie gemeente heeft aan de noordkant de prachtige Damse vaart. Daarin liggen de witte waterleliën met hun gouden hart te dromen en weerspiegelen de zwaargeladen wolken zich in dit donkergroene kilometer lange watervlak.
De hoge kruinenperspektieven van de duizende ruisende Canadese waaibomen verliezen zich in de eindeloze horizonten van de wijdse Vlaamse poldervlakte" zo zal het boek "Sint-Kruis-portret van een dorp" van de hand van René Duyck beginnen. Vóór mij zit een stille rustige man. Met zachte stem en ogen die vanachter een zilveren bril tintelen van kennis en levenslust, vertelt hij over St-Kruis en de boeiende resultaten van zijn speurwerk als heemkundige en volkskundige, als boetseerder, bloemenkunstenaar, voordrachtgever en nog vele andere zaken die wijzen op een grote aktiviteit.
René Duyck die voor ieder echte St-Kruisenaar een bekende verschijning is werd geboren op 16 mei 1912 te Izegem, de schoenenstad, als jongste van zes kinderen in een arbeidersgezin.
Eerst volgde hij in zijn geboortestad de Vrije Vakschool voor schoenmakers van 1926 tot 1929 en was daarna tewerkgesteld in de firma "Epéron d'or" die leverancier was bij het koninklijk hof.
Omdat zijn omgeving evenwel inzag dat hij voor een hogere taak was.geschikt stuurde men hem naar het college waar hij zijn Latijns-Griekse Humaniora uitdeed.
Wegens het overlijden van zijn vader en het uitbreken van de oorlog moest hij helaas verzaken aan hogere studies en werd hij leraar schoenmaken aan het Instituut voor gebrekkigen te St-Kruis van 1940 tot 1946.
Nadien werd hij leraar in dezelfde funktie aan het Koninklijk Instituut voor doven Spermalie te Brugge en lesgever in de speciale D cursus aan de Vrije Beroepsschool te Brugge.
In 1942 huwde hij met Esther Neyrinck, dochter van Cyriel Neyrinck, eerste hoofdonderwijzer te St-Walburga.
Aanvankelijk woonde het jonge paar in bij moeder Margariet Snauwaert, winkelierster die in 1928 in St-Kruis de eerste glas- en gleierswinkel stichtte. Tijdens de oorlog moesten harde noten gekraakt worden.


Er was voedseltekort en het brood was van slechte kwaliteit.Boter en smout waren echte luxe, goede kleerstof was zeldzaam en onbetaalbaar duur. Het was de tijd dat men ook tekort had aan fietsbanden waardoor men verplicht was de oude buitenbanden te herstellen met oude stukken van versleten banden.Ook de schoenen werden hersteld met stukken buitenband en het dragen van accordeonzolen in hout, een Izegemse uitvinding, werd toegepast en was mode! René Duyck verdiende toen 750 Fr per maand, maar de boter kostte 300 Fr per kgr. en één kilogram ongemalen graan betaalde men 49,50 Fr!
Na de oorlog was René Duyck medestichter van het Davidsfonds te St-Kruis.
Na een start onder Alfons Botte werd Staf Weyts voorzitter en Victor Teerlynck werd sekretaris terwijl René Duyck schatbewaarder was.
Het was het begin van de herleving van het culturele leven in St-Kruis en de voordrachten en de gezellige samenzijns waren toen een belevenis. Intussen had hij ook het Mannenverbond te St-Kruis opgericht in opdracht van kan. Karel Dubois, die ook de stichter van de K.S.A. was geweest. Dit Mannenverbond werd later vervangen door Strada en René werd er hoofdverantwoordelijke van.
​Ook de Bond van de Kroostrijke Gezinnen werd heropgericht na de oorlog met Gaston Hemschoote als voorzitter en René Duyck als sekretaris


Na de tweede wereldoorlog kwam er ook verandering in de leertijd en nieuwe vakken en technieken kwamen aan bod. Vooral voor de doven en blinden werd dit toegepast.René Duyck die zich steeds had beziggehouden met plastische kunsten kon zo onmiddellijk met de nieuwe richting aansluiten en de dove en blinde kinderen in deze richting begeleiden."Het zijn de schoonste jaren uit mijn leven geweest" zegt René Duyck."Men moet les gegeven hebben aan niet-horende en aan niet-zienden om te weten en te beseffen wat het betekent te kunnen horen en te kunnen zien!"In 1975 kwam het pensioen. Maar-na een vol leven van aktiviteit was het natuurlijk niet mogelijk voor René om zijn dagen in ledigheid door te brengen!In samenwerking met het Ministerie van Cultuur en de Raad der Derde Leeftijd gaf hij een honderdtal voordrachten over "Zinnige Vrijetijdsbeleving" .Hij bracht zo het gepensioneerde Vlaanderen een stuk kreativiteit bij.In 1976 lukt het hem om, na ruggespraak met burgemeester Daniël Coens, het museum van Tijl Uilenspeigel over te brengen van Rupelmonde naar Damme. Dit museum werd in 1978 te Damme officieel heropend en evolueerde tot een volwaardig museum.Veel genoegen beleefde hij ook bij de uitbouw van de Guido Gezelletentoonstellingen te Brugge en Kortrijk in 1980. Dit was ook het geval voor de tentoonstelling van St-Franciscus in het kasteel van Cortewalle te Beveren-Waas.Vanaf 1976 was hij betrokken met het Reinaert-museum te Rupelmonde en werd hij betrokken met de voorbereiding van de schilderachtige folkloristische gebeurtenissen van Witte-Donderdag aldaar. René beleefde er mooie uren langs de Scheldeboorden op het stille schiereiland van Mercator.
In 1982 verzocht Willy De Zutter, conservator van het museum voor-volkskunde te Brugge René Duyck om een afdeling van het schoenmakersvak in te richten in de Schoenmakersrente. Na veel opzoekingswerk kon zo een schoenmakersmuseum geopend worden waardoor een stuk ambachtelijke geschiedenis voor het nageslacht kon worden gered.



Sinds zijn pensionering kon René Duyck eindelijk voldoende tijd vinden om te schrijven.
Geschiedenis had hem steeds geboeid en een klein toeval zou ook dit facet van zijn persoonlijkheid doen openbloeien.
In 1978 vond hij toevallig het graf van Mary Moore te St-Kruis.
Op haar grafsteen was ook de naam van Thomas Moore vermeld waarvan zij een; rechtstreekse afstammelinge was.
Als lid van de Commissie voor grafmonumenten liet hij een eerste bijdrage verschijnen waarin gans het bewonderenswaardige leven van Mary Moore werd belicht en zo kwam ook het kerkhof geschiedkundig in de belangstelling.
Verder volgden: De grafsteen van Mary Moore, De kerken van St-Kruis, Baron John Sutton, Mariakapel hersteld te St-Kruis, De schoenmakerij in het museum voor volkskunde, Kiedrich het gotische dorp van de Rijn,
De vergeten Filip van Utenbroek van St-Kruis, De uitwijking te St-Kruis van Mgr. Brénart, Caerte figurative van het Casteel Rooigem te St-Kruis, Het Laurocorinthus in St-Kruis, Het valse pelderijn te Male, Brugge in Dante's Comédia, De nalatenschap van de Brugse Cordewaniers, Brugse vondelingen in het park van Gruuthuse, Judith van Vlaanderen en de eerste H. Bloedreliek in Vlaanderen, Schoenmakersspreuken en gezegden, Herinnering aan Guido Gezelle, De neus van de Brugse huidevetter, De bibliotheek van Waldsassen, Thomas Moore in ere te Brugge, Het paard en de kerk te Vivenkapelle, Van Maerlant en Uilenspiegel te Damme etc.
Nu is de geschiedenis van St-Kruis klaargekomen.
Ik hoop dat wij in ons volgend nummer hiervan een stuk zullen mogen brengen. "Magda Cafmeyer had de geschiedenis van St-Kruis moeten schrijven" zegt René. "Nu zij het niet heeft gedaan aanzie ik het als mijn plicht dit te doen" Ook op het gebied van opgravingen heeft René Duyck ervaringen gehad. In 1957 ontdekte hij in zijn tuin langs de Pastorieweg twee kogelpotten van rond 1200 in zwarte potaarde.
In 1976 haalde hij uit de grond van het kasteel Rooigem twee likeurflessen boven met het zegel van Mgr. Van Susteren gewezen bisschop van Brugge.
Tijdens de slopingswerken van het oude Gildenhuis vond hij een gebroken mortier en vele zwarte scherven van kommen en potten. Fossiele schelpen raapt hij op uit de 8,50 meter diepe putten bij het aanleggen van het zuiveringsstation langs het Zuidervaartje.
Sint-Kruis is een oude gemeente en René Duyck vind dan ook; dat er dringend iets moet gedaan worden:
"Er is al zoveel verloren gegaan.
Het is ook zo vergaan met de verjaring van ons dorp.
Ik had vroeger al verwittigd dat men het duizendjarig bestaan van ons dorp moest vieren in 1961 maar men geloofde mij niet en hield de stichtingsdatum op 1078.
Dit was echter verkeerd want St-Kruis of Gera bestond al in 961.
Maar het kan nog en beter laat dan nooit.
Daarom trek ik hier aan de noodbel!" Misschien kan het feestkomitee van St-Kruis dit eens nader onderzoeken en voorbereiden?
"Een ding ligt mij zwaar op de maag" zegt René Duyck verder "Het kasteel Rooigem dreigt voor ons nageslacht te vergaan of te verdwijnen.    .
Het is met het kasteel van Male ons mooiste bezit.
De prachtige paviljoentjes storten in elkaar en het kasteel kan nog moeilijk privé onderhouden worden.Ik hoop dat dit alles met de beelden van pater Verbiest en Samson met de leeuw kan gered worden."
Ik deel hier volkomen de mening van René Duyck.
Trouwens enkele jaren geleden heb ik de Brugse gemeenteraad gevraagd om het kasteel Rooigem en het bos er rond aan te kopen.
Dit ging bestudeerd worden maar tot op vandaag is er niets positiefs beslist. Tot afscheid drukt René Duyck mij op het hart: "Ik hoop dat ik het volk van Sint-Kruis wakker heb gemaakt en dat iedereen, spijts de fusie met Brugge, meer zou gaan beseffen dat "ons dorp" moet behouden blijven.
Ons mooi dorp waar wij meer samenwerking en eensgezindheid zouden moeten tot stand brengen."
Wij danken René Duyck voor alles wat hij ten bate van de gemeenschap van St-Kruis heeft tot stand gebracht en hopen dat wij eerlang zijn geschiedenis van St-Kruis zullen mogen lezen.
Misschien kan het de inwoners worden aangeboden naar aanleiding van de viering van het duizendjarig bestaan van St-Kruis 

Johan Weyts 1 mei 1986

René Duyck overleed op 13.11.2002