Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

ADOLF DECOCK, een onbekende Brugse schilder

Adolph-Leon-Joseph Decock werd in Brugge geboren op 8 december 1906. Over zijn familie hebben we maar weinig gegevens. In de archieven van de Brugse Academie voor Schone Kunsten hebben we zijn naam niet aangetroffen. Volledigheidshalve dient hier vermeld te worden dat voor de periode 1914-1920 geen uitslagenlijsten gedrukt werden.
De kunst van het schilderen leerde Adolf Decock spelenderwijze bij Rik Slabbinck (Brugge 1914-1991) en bij Luc Peire (Brugge 1916 - Parijs 1994). En hun namen vonden we wel terug op de Brugse Academie. Eerstgenoemde bij Floris Aerts (van 1932 tot 1933), laatstgenoemde eveneens bij Flori Aerts en bij Emile Rommelaere (1932-1935).
Aanvankelijk leidde Adolf Decock het leven van een moderne bohémien.
Maar vrij vlug zou hij vaarwel moeten zeggen aan de befaamd geworden woonwagen, die dienst deed als atelier en opgesteld stond waar de drie bondgenoten -hijzelf samen met Rik Slabbinck en Luc Peire- voor het landschap zaten te schilderen. Het bloeiende schildersbedrijf annex verfwinkel in de Carmersstraat te Brugge vroeg dringend zijn aanwezigheid. (Albert Van Hoogenbemt, 1963)
In 1929 trouwde hij met Usa Schoutteet bij wie hij twee zonen en een dochter kreeg. Grégoire Decock (°Brugge 1930) en vooral Fernand Decock (Brugge 1932-1965) zouden met een groot succes het pad van de kunst bewandelen. Grégoire woonde op het kasteel Nieuwenhove, Jezuitengoed te Sint-Kruis en Fernand langs de Aardenburgseweg te Sint-Kruis. Over de eerste lezen we:
'Na het plotse afsterven van zijn vader en zijn broer, maakte een drang naar de schilderkunst zich van hem meester. Twintig jaar heeft Grégoire Decock in alle stilte de schilderkunst beoefend zonder in het publiek op te treden. Hij schildert marines, strandgezichten en stadstaferelen. Hij is een heel boeiend schilder van de mens in het noorden van WestVlaanderen.
Over de tweede lezen we;
Fernand Decock, een talent dat al in 1958 de bijzondere aandacht van iedere kunstkenner op zich vestigde. In 1963 was iedereen het eens om zijn talent uitzonderlijk te heten. Bij een overzicht van de hedendaagse Vlaamse Schilderkunst kan men, wat de figuratieven betreft, spreken van bepaalde invloeden. Bij hem is dit niet het geval. Hij staat gans alleen. Hij gaat uit van een zeer individuele beschouwingswijze van de wereld. Daarvoor heeft hij geen cerebrale verklaringen nodig zoals de meeste van de abstracte schilders, maar alleen de sprekende taal van de kleur, de lijn en het ritme.
Het feit dat de jury van de prijs van Knokke voor Schilderkunst 1963 hem met eenparigheid van stemmen als laureaat heeft aangeduid, kan niet anders dan dat ze in hem een buitengewoon talent zien. "Laten wij hem niet uit het oog verliezen: op nationaal vlak is hij reeds van nu af aan een groot schilder. De tijd voert hem stellig ver over onze grenzen, en met glans." (Stef Weyts, 1963)
Ondanks het feit dat de zaken het grootste deel van zijn aandacht opeisten, bleef Adolf Decock toch als kunstschilder actief. In het Brugsch Handelsblad van 1943-1944 lazen we hierover de volgende, nooit volledig ondertekende beoordelingen.
'Alhoewel hij reeds vijftien jaar aan het schilderen is, is Adolf een onbekende. Hij heeft een goede techniek, wat hem toelaat zijn schilderijen kloek samen te steken. In "Avondstemming in het bos" gebruikt hij een dromerig groen waarin witte gewaden van paters een fel contrast vormen. Een dreef, een vijver hebben bij hem zeer luministische eigenschappen en vormen een zuiver impresionistische kunst.'
Wij zagen van Adolf Decock, en konden dus ook beoordelen:
"De Meebrug te Brugge", in de kleuren bruin, geel en groen, en met een heel goede lichtpartij op een Brugs huis aan het water.
Op een veiling bij Bonte & Sioen te Brugge in 1992, "De Jeruzalemkerk" , donkerbruin glanzend en goed van structuur, een degelijk werk.
We kunnen ons tenslotte aansluiten bij de volgende bedenkingen over twee generaties kunstenaars:
'De bekendheid en de faam die de kunstenaarsfamilie Decock te Brugge geniet, bleken duidelijk uit de massale belangstelling op de opening van de tentoonstelling, in het Concertgebouw te Brugge, van schilderwerken van wijlen vader Adolf en zoon Fernand, en van de nog levende aannemer-schilder Grégoire. Een merkwaardig geheel van kunstwerken die elk een eigen persoonlijkheid weergeven van drie mensen die het schilderen in het bloed hadden en hebben. Louis-Paul Boon sprak de aanwezigen toe op zijn eigen wijze, kort en ongedwongen. Daarna gaf professor Frans Vyncke een meer uitgesponnen uiteenzetting over betekenis en waarde van de plastische uitingen van de gevierden.
'Vader Adolf Decock was nog gebonden aan de eigentijdse opvattingen maar met een persoonlijke inzet en een niet te versmaden inzicht in de door hem geschilderde natuurgezichten uit Brugge en omgeving. Hij werd opgevolgd door de helaas te vroeg gestorven Fernand Decock, die met en zeer originele en technisch hoogstaande kunst vele prijzen veroverde, en een belofte betekende die niet kon worden ingelost. Grégoire Decock brengt de verrassing, met werken die weliswaar niet  een zelfde hoogte bereiken, op wat voor hem zijn eerste tentoonstelling is. We zijn ervan overtuigd, dat met de tijd ook hij als een van onze buitenbeentjes, dan in de gunstige zin van het woord, verder zal evolueren.'  

R. Delaere, 1997