Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Interview met Magda Cafmeyer (Brugs Handelsblad dd 23.03.1979)
 

Magda Cafmeyer, bijna tachtig, één van de twaalf kinderen uit een oud kostersgeslacht van Sint-Kruis, onderwijzeres en gerenommeerd folkloriste, zal wel altijd over een radde tong beschikt hebben.
'Er zijn mensen, bij wie men het vuur danig moet aan blazen om ze tot spreken te krijgen; bij Magda Cafmeyer is dat geenszins het geval: "Ik zeg meestal veel te veel; je moet zelf maar schrappen", zo merkte ze op.
Het "groenbrugs", het echte, het autentieke, is welhaast verdwenen. Daarmee is een stok spontaneïteit verdampt, samen met vele volkse gewoonten en gebruiken, en overgegaan tot het nevelige rijk der folklore. Gelukkig zijn er folkloristen die één en ander pogen te bewaren voor het nageslacht.

Magda Cafmeyer zegt het zoals het is, en vervalt graag en bewust in een vloed van details als ze zich in een onderwerp vastbijt.
En bijten doet ze nog, kan dan plots hartelijk lachen en begint dan weer te galopperen over de wijde akkers van 't oud Sint-Kruis of de hobbelkasseien van Sint-Auna.

Dit interview beoogt de folklore van Magda Cafmeyer, of misschien Magda Cafmeyer als folkloristisch monument, uit de doeken te doen, met flarden herinneringen, eigen ervaringen die al uit een totaal andere tijd stammen.

Hoe komt een onderwijzeres tot folklore?
't Allereerste begin... we kregen een opdracht van Kan. Decoene in het kader van de Eucharistische Kruistocht;-ik moest spreken over «het gebed» bij de kinders waar ik toen les gaf, nl. bij de Papnonnetjes in de Langestraat. Ik dacht bij mezelf: «Bidden, Hier, in de Langestraat, ik.ga schrijven lijk of dat het is !. «”Doe. het “, zeiden kollega's, “ we zijn er ook nog om te zeggen dat het waar is “.    .
En ik schreef dat veel van die kinderen thuis nooit baden, maar dat hun moeder ieder jaar voor ’t hoofd naar Mauritius trok te Varsenare, of naar Sint-Antonius, met de «saraban » of met de “voteure”. Ik had dat allemaal neergeschreven en moest mijn voordracht je houden.
Toen ik klaar was, zag ik enkele zusters met het hoofd schudden, maar mijn kollega, Maria Van Roose, stond recht en zei : «Mijnheer Decoene, ik beaam dat. Het. is zo », Kan. Decoene snakte de vier blaadjes uit mijn handen, én zei : «Dat is zeer goed. Zij heeft de werkelijkheid beschreven “.

Archivaris J. De Smet leerde ik dan kennen in het kader van de Gidsenbond ; hij kwam wel eens aan huis en zei: « Je moet de spreuken op schrijven van je tante Hélène”. Hij had mij het archief van Male getoond en de wijze waarop ik het moest raadplegen, en veel van haar spreuken vonden hun oorsprong te Male. Bijvoorheeld: “Dat is lijk ene van avejong “, voor iemand die slordig gekleed en in slunsen rondliep::
“Avejong is een verbastering van «Avignon”, het toenmalig armenhuis waarvan nu nog de hoeve in de Malehoek te vinden is.
Rond 1938 leerde. ik het tijdschrift « Biekorf » en zijn hoofdopsteller E.H.Viaene kennen. Hij moedigde mij aan om bij verwanten en vrienden allerlei volksgebruiken en zegswijzen op te tekenen ten oosten van Brugge, tot in het Nederlandse Eede toe.
Het tweede dat ik geschreven heb is “De Pelderijn van Male” je weet wel, waar de mensen vroeger langs de Malesteenweg met een halsband tentoongesteld werden als ze wat misdreven hadden.
Mijnheer De Smet zei dan: «En schrijf nu eens over je school ", en ik begon spelen, rondedansen en liedjes op te tekenen.

Wil je er eentje zingen?
Met plezier:

“Om pom, deriderom, ~
nostrum carillom
Un nous deux nous trois
Carilamima
lte tite correlite
qu'on se dit bonsoir
Bon, bon, la prison
Qu'est~e qu'on dit van Melanie
Don fon.

Jaren naeen werden allerlei dergelijke stukjes in Biekorf gepubliceerd. Ik schreef toen "Zegswijzen ", een «”Wandeling naar Avignon “, en over 't kapelletje aan het kasteel de Peelaert van 1680. Weet je dat dit het oudste kapelletje van de hele streek was, en dat het ook voor het verkeer heeft moeten sneuvelen ?

Was je toen al lid van een folkloristische vereniging?
Welnee, ik wist niet eens wat «folklore» eigenlijk beduidde. Gedurende de oorlog kwam ik in kontakt met prof. E. Strubbe, die gehoord had van de pakken dokumentatie, van Male alleen al, die ik liggen had. Hij nodigde mij uit op een vergadering van de Westvlaamse Folkloristen in “De Gouden Hoorn “. En daar werd ik tot lid verkozen. Hervé Stalpaert is ook lid geworden. Mij werd gevraagd al de moppen over de oorlog neer te pennen.
Ik schreef over Sint-Anna, ”t putje te Gistel”- “De levensloop”.. “Van Aswoensdag tot Lichtmis", “Van Doop tot Uitvaart”, over het dorp Zwevezele vóór 1914, en allerlei artikels.

KRAPULEUZE LIEDJES
Vader kende van alles. Hij was onderwijzer-koster, maar deed nog wel dertien andere stielen voor zijn groot gezin, zo regelde hij o.m. de begrafenissen. De beter begoeden wilden niet op 't Rapenstuk begraven worden en wilden ook een schone dienst.
Eerste-klasse stadsdienst was. met inhaling tot aan de Kruispoort, met de “Steedsche Bollen”. Dat waren de kinderen uit de Boomgaardschool gekleed met een capuchontje en een Schots mutsje, die met een kaars in de hand opstapten en zongen; dergelijke dienst heette “groot convooi”, en kwam slechts uitzonderlijk voor.
Daarnaast bestond derde-klasse stadsdienst - tweede-klasse bestond blijkbaar niet - ook nog voor de burgerij. Dan volgde eerste-klasse boeredienst, ook met inhaling en drie missen, één aan het hoogaltaar, één aan Sint-Jozef-altaar, en één voor de vrouwen aan O.L.V.-altaar. Er bestond dan nog tweede- en vierde-klasse-boeredienst.
Papa maakte daarnaast ook zelf muziek. Hij was eerste prijs fuga en kontrapunt en goed orgelist die vaak in de stad anderen moest vervangen.          I
Prosper was onderwijzer in de Venkelstraat en had het muzikale gehoor mee, maar zijn interesse ging ook naar het volkslied uit. Zo speelde en zong hij de liedjes die hij op de speelplaats hoorde en in de Peperstraat, zoals:
« Sara, mijn rok valt af,
moeder..,:!t Is mijn sleep;
geef haartocb een anderen,
ze draagt hem in de week».
Of ook:
« En hij peinst dat ik hem geren zie,
Mo jà, van achter aan zijn hielen
en had ie wel gedaan
'k had hem niet laten staan
en foert voor hem,
'k zin meer gewend,
of één van Jaeghers
die zijn stiel niet en kent ».

Mijn vader was razend: «Wat voor krapuleuze liedjes, heb je dat nog ooit gehoord voor een kosterszoon ?» Ik kreeg telkens een «cens» van mijn broer als ik op 't hoekje op de uitkijk stond en hem verwittigde: «Papa is daar! »Ik was zelf een wreed stoute, altijd geweest, ik kon het niet helpen...

MIETE SCHELLEBROOD
Je kunt je moeilijk de armoede van die tijd voorstellen, vóór de eerste oorlog. Sommige mensen wisten niet waarin of waaruit en kregen dan brood, want alle grote begrafenissen en jaardiensten werden gevolgd door brooduitdeling aan de armen. Dat schommelde tussen 70 en 90 broden, tarwebroden van 1 kg of in uiterst zeldzame gevallen, zoals voor mej. Clémence de Visart, wittebroden van een halve steen, d.i. 1 1/2 kg.
De dismeester deelde dat brood uit. Voordien was er offerande met redemptie, waarbij mijn vader halve franken aan de familie uitdeelde, die dan teruggegeven werden tijdens de offerande.
Soms gebeurde het dat er ook wat halver frankskes aan de armen werden gegeven
en ik herinner me Miete Schellebrood die zei: «M'en 't nog nooit zo goed g'had, een halve frank en nog een brood toe ! », want ze had haar geld gehouden.
Vader kende de nood van al de gezinnen en moest vaak.de dismeester vervangen
Hij deelde het brood uit volgens de nood en het aantal kinderen. Als de school gedaan was moesten wij naar de "schamele armen" gaan, mensen die niet meer konden toekomen en al rentenierden, en die hun armoede niet wilden tentoonstellen: Met het brood onder onze schort gingen we op stap, en kregen dan een spekke als beloning. Ik heb het nu over de jaren 1910-14

Er waren nog paalherbergen ?
Ja, die stamden nog uit de tijd dat de gemeenten niet bestonden en dat Sint-Kruis en Sint-Anna samengevoegd waren. Zij stonden op een paalsteen van het schependom van Brugge voor de stichting van de gemeenten; grote herbergen waarvan later natiehuizen werden gemaakt. Zo was er een rechtover de bakkerij op de hoek van Smulstraat en Moerkerke Steenweg, waarin vijf gezinnen woonden, tot zelfs een oud vrouwtje in 't ovekot. Daar woonde ook Mietje Cannier, die kwekelingen hield, verweesde kinderen of zo. Een andere paalherberg was Altena, met vier gezinnen. Voordien, toen het nog echt herbergen waren, kwam men daar drinken omdat het goedkoper was ; ze lagen buiten de stad. 

SCHOOL OP DEN BERG
In mijn tijd liepen we naar school op “den berg”, nu ook al een gesloopte school langs de Moerkerke Steenweg. Er waren twee bewaarklassen, drie leerklassen en twee spellewerkklassen. De leerklassen waren het minst bevolkt omdat de meisjes moesten leren spellewerken om zo rap mogelijk te kunnen bijverdienen.   
In de eerste leerklas leerde men het kruisje, het abc en breien. In de tweede klas mochten we om elf uur naar huis, omdat veel kinderen met eten naar vader moesten dragen die in de Gistfabriek of bij Jaeghers werkte.
In de hoogste klas was er een “kleine kant”, waar “mére supèrieure” Frans kwam geven, en een “Grote kant” waar de meeste kinderen zaten.
Tot aan de plechtige communie kon men op school blijven, tot rond 11 jaar.

Hoe zag die klas eruit?
Lage, zwarte banken, waaraan we met zijn vieren moesten zitten. De zuster gaf geregeld klikkers rond de oren links en rechts, want anders was er geen kot mee te houden. Veel werd in het Frans gegeven: Gymnastique, histoire sainte, histoire ecclésiastique en géographie. Iedere namiddag van drie tot half vier wandelden we rond de koer om al die lessen van buiten te leren. Zodra iemand haar les kende, mocht ze die komen opzeggen bij "ma soeur" en kreeg een goed punt. Wie een goed geheugen had was er vlug van af, en werd stout; ik was er ook bij… Nu moet ik wel zeggen dat de kinderen niet echt boosaardig waren; het was gewoon niet kunnen stilzitten.
Voor vraagstukken werd de uitkomst op het bord geplaatst, werd wat uitleg gegeven en mochten we beginnen oplossen. Meestal vonden we één van de Snauwaerts, - een wreed rap jong- en ik nogal rap de oplossing, en dan begonnen de anderen af te pennen, mits een spekke, of één of ander snuiterijtje. We zaten wel met een vijftigtal kinderen in één klas, alles samen! Gegoede kinderen moesten betalen, anderen niet, maar er was geen onderscheid voor plaatsing of dergelijke.
Kinderen van de kasteelheren kwamen niet naar school maar kregen privé-lessen thuis; mijn vader heeft er een jaar Nederlands aan gegeven en voor Frans gingen ze naar de Franse nonnen.
Juffrouw Clémence de Visart, een echte weldoenster, gaf elk jaar een kantwerk waarbij de mooiste geschenken altijd naar de armere kinderen gingen en de naderen zich met minder moesten tevreden stellen.
Er waren veel kastelen. Op de Spijker de Schietere de Loppem, op Nieuwenhove de Malengros d'Hembise",Waar nu Lodewijk van Male is woonden de Peelaerts, de ouders van de baron Malengros d’Hembise op Puyenbroeck, op Veltem de voorouders van de Schietere de Loppem, Visart de Bocarmë op het Bisschopskasteel. "' ,

Waarom heette dit zo?
De bisschop had door de landerijen een dreef laten aanleggen die een rechtstreeks uitzicht moest hebben op de Halletoren. Vandaar de naam Bisschopsdreef.

BOEREN
De boeren van de "Broek” die vruchtbaarder land hadden, keken wat neer op de boeren van Male, waar de grond magerder was. Er waren op de Broek welgestelde hofsteden :de Spijker waar de Hostes woonden, de de Backers, Maenhouts, Timmermans die nog, steeds op hun eigen hof wonen, de families Lootens, De Schepper, ik vergeet er voorzeker nog.
Op Male was het :Tempeliergoed ook een grote doening, helaas afgebroken voor de verkaveling aldaar.
In het dorp kochten of bouwden de boeren een huis om te rentenieren. En er werd feest gehouden voór al hun uitgetrouwde kinderen met grote kermis.
Mijn tante Lietje hield toen ze al rentenierde, nog feest voor de familie de Loppem, die gehoren Sint-Kruisnaars waren en op het kasteel De Spijker woonden.
De maaltijd begon met koekeboterhammen, gevolgd door hetgeen nu een hors-d'oeuvre genoemd wordt. Dan werden kiekens met appels opgediend, waarna drie soorten taarten te voorschijn kwamen. Weetje wat, mijn zuster bakt er ook nog steeds op dezelfde manier, je krijgt er straks eèn stuk van mee : eigen konfituur van jeneverbessen, met Noordse morellen. De bloem is gezeefd met zijden zeef, de deeg verscheidene keren gerold, met beste boter besmeerd, weer gerold tot hij heel fijn is geworden.. .

KERMIS IN 'T DORP I
De dorpskermis van Sint-Kruis was de bijzonderste van heel het omliggende; Heel de Langestraat vierde mee en kwam afgezakt om krentenbrood en boerelappen met appels te eten. Weet je dat de Papnonnetjes in de Langestraat,.waar ik toen les gaf, de maandag en de donderdag vrijaf gaven voor die kermis? .
Er was kermis vanaf de Kruispoort tot hier aan “De Zorge”; er waren aan weerszijden van de straat banken om te zitten en stalletjes om hespen en taarten te verkopen. De zondagnamiddag kon je er echt op de koppen lopen. AIs wij als kinderen naar huis wilden moesten we echt wringen om door het volk te geraken. De mensen kwamen van overal naar de kermis. Ik herinner me dat we de maandagmorgen vroeg opstonden en in onze “slaapkapote” de “censen” gingen oprapen die onder de banken verloren waren.
In "De Zorge" kookte men een ongelooflijke hoeveelheid hespen om te voldoen aan de vraag naar koekeboterhammen met hesp. Er was een grote en een kleine bolbaan ; de helft van de Langestraat was lid van de sociëteit van de bolders. Op de plaats van Sint-Kruis stonden kermismolens, schommels en schietpersen ; er werden okkernoten en macarons verkocht, en ze stonden met kortewagens vol boerelappen gebakken

Wat kostte zoiets?
Een klute voor een boerelap: ook een klute voor dertien okkernoten. Een macaron kostte een halve klute.

Werd er veel gedronken?
Ho, voor de eerste oorlog dronk iedereen; ik bedoel daarmee de mannen.
Koekedinsdag was er ringsteking en de boeren waren allen “sterre-zat”. Ze reden met paard en sjees, zat als ze waren.
Mijn tante heeft nog verteld over de messevechters van Damme, die soms afzakten naar de kermis om ruzie te maken, maar zelf heb ik dat niet beleefd. Ach, al die details kan ik niet eens opsommen, ik heb er ook een artikeltje over geschreven.
De maandag werd een jaargetijde voor de overledenen gehouden en de kerk zat stampvol; iedereen hield eraan die mis bij te wonen.
De bruggelingen kwamen altijd in grote getale af, want de Moerkerke Steenweg was bekend als de zomerdreef; er waren prachtige linden langs weerskanten waaronder de dames met hun parasols wandelden.

Werd er niet gedanst?
Natuurlijk, de danszaal was erg in trek, er werd gedanst op muziek van een draaiorgel: polka’s, mazurka’s en walsen. In ’t Gildenhuis dansten ze de "lanciers", "duadrillen". Elders werd er ook op pianomuziek gedanst zoals in de “Casino”; in “De Vrede” was er een trekoprgel, een akkordeon.

ZOE ZONDER GAT
Er liepen wellicht vele vreemde volgens rond in die tijd.
Och, als ik daarover zou moeten beginnen… ‘k zal er ene beschrijven die me nu te binnen schiet: “Zoë zonder gat”!
Zoë was de dochter van Miete Champignon, ook al een typisch figuur, waarover ik eerst een woordje moet zeggen. Die Miete woonde in ’t armenhuis Avignon, dat toebehoorde aan kanunnik Duhamel, en dat voordien als huis van plaissance diende, wat nu buitenverblijf heet. De kanunnik stond het huis later af aan den “dis” het hedendaags OCMW.
Moete ging dagelijks patattenschillen ophalen in de grote hotels in de stad, voor haar geiten die binnenshuis zaten; onder haar bed legde ze aardappels en schillen voor die beesten.
Zoë was haar kind dat ze per occasie gekregen had, en liep steeds mee onder Mietes kapmantel. Ik heb het nog horen vertellen hoe ze te biecht trok voor haar paasplicht, en haar kind meenam onder haar mantel. De pastoor zei: “Miete, dat kan toch niet”. maar ze antwoordde: “Moeder en kind zijn één, mijnhere de pastere! Ze mag het al horen.”
Later werd Zoê, na de dood van Miete, opgenomen in een familie op een boerderij waar nu de handelsschool voor meisjes staat. Ze wachtte de koeien in de dreef, de Bisschopsdreef, en ging elk jaar naar Lourdes met haar drinkgeld. Ze liet een huis bouwen, en toen het bijna af was en haar geld op was, zei ze: “Stop maar met bouwen, je moet er geen vertrek bij zetten, ’t zal wel gaan zonder”.. Vandaar Zoê zonder gat!

Bestond er nog bijgeloof in de tijd dat je kind was.,
Jaja, ik herinner me onze pastoor die hakkelde telkens hij de gebeden van de konsekratie moest zeggen. Het deed de ronde dat dit kwam doordat hij een duivelsbezwering had uitgevoerd en dat hij daardoor skupuleus was geworden.
Wat ook nog verteld werd, was dat als je voorbij het graf van de Visarts liep waarboven een lutterend steentje hing, moest je erop kloppen en zeggen: “Hier woont een comte en een comtesse en een klein comtje erbij; bid voor de drie comtjes alledrij ». Nog een: als je een wort had, een wrat, moest je die in een wijwatervat steken om ze kwijt te geraken of je moest ze aan iemand anders wrijven.

SINT-ANNA 
Nu over Sint-Anna.
Mijn broer was al als onderwijzer op Sint-Anna werkzaam. Ikzelf werd benoemd bij de Papnonnetjes in de Langestraat. Die naam “Papnonnetjes” ontstond toen de zusters in het St.-Annakwartier op stap gingen met een “dame de bonnes oeuvres” om pap uit te delen bij de armen. Die zusters waren doodgraag gezien door het volk; ik heb het zelf vele keren met eigen ogen kunnen vaststellen.
Toen ik in de Langestraat begon te werken werd ik op het hart gedrukt “niet kijken in de zijstraatjes, niet kijken naar de lansiers”: de Vulderstraat heette dan de “Vulderkadee” waarin twee kazernes lagen.
Ik kwam terecht in een verwaarloosd gebouw, om het vierde leerjaar te geven. De kinderen liepen rond, ze waren het zo gewoon, en ik kwam al schreiend naar huis die eerste dagen. De schoolplicht was al ingesteld, maar in de practijk was daar nog. niet veel van te merken. Ik had een aanwezigheidslijst met namen van kinderen die ik nog nooit gezien had, en herinner mij die keer dat ik een gele kaart had gestuurd naar de ouders van een meisje dat steeds weer~ afwezig was. Een dag later kwam een zwaar vrouwmens naar school en vroeg: « Wat is dadde, met die kaarte voor mijn Germaintje. Ik zei haar dat haar Germaintje naar school moest komen, waarop ze antwoordde: "Mien Germaine naar school, 't is een vrouwmens lijk een slagpaard en ze werkt al zo lange in Rabais"; ze bedoelde: "Roubaix",  waar haar dochter, toen 12 jaar, in de spinnerijen ging werken 
Veel moeders hadden zelf ook in Frankrijk gewerkt. en toen ik eens aan 't opspelen was tegen een kind en "mère supérieure" zei: « Mademoiselle, ne dites rien !,. riep de moeder: «'k verstoan ook Frans, wè, k'èn in Rabais gewerkt! ".
Als het muziek van 't Vierde rondging, kwamen al de vrouwen in onderrok en schorte van uit de zijstraatjes, en liepen arm in arm al dansend achter de soldaten aan. 't Gebeurde ook dat de speelplaats plots leegliep, al de kinderen de poort uit om met hun moeders achter het muziek mee te lopen.  
Nog iets dat me te binnen schiet: er was een koppel dat al de vuilbakken kwam doorsnuisteren met een pollepel. Zodra de kinderen hen zagen, begonnen ze luidop te roepen: "Adam en Eva, Adam en Eva”.           ,

Andere typische figuren waren Narden Peerdestront en Jan de Zot, waarachter men volgend spotliedje zong:
“En Jan de Zot steekt
aan de karre,
de karre van de groenselmarkt.
Appels en peren zijn goedkoop
en wat peren op de hoop”

Je hebt veel volksliedjes verzameld?

De kinderen speelden en zongen op de speelplaats en ik schreef ze zoveel mogelijk op. Ik heb hele banden en teksten van die volksliedjes en reidansen. Ook het touwspringen had prachtige liedjes:

«Èn j’eet een pik op mij
 't is van jalouzij ;
en k'en hem laten.staan
'k zin der vandeur gegaan.
'k Zou nie geren, zei dat meistje
trouwen. met die lompen boer.” I

Toen ik later in de andere school van de Papnonnetjes werkte in de Potterierei, kwam de bandopnemer in voege en apoteker Mahieu zei : « Meisje; nu zijn we er door; je kunt nu al je liedjes opnemen vooraleer het te laat is.» Weet je dat de BRT enige jaren voordien liederen was komen opnemen in de school van de Potterierei en die gepubliceerd had zonder mijn weten? Daar de auteur echter geen Brugs kende zat het vol fouten in de bewoordingen.
Gelukkig heb ik zelf nog al de liedjes op band bewaard. zoals ze autentiek zijn opgenomen, en op een volkse speelkoer te Brugge nog te horen waren. I
Weet je wat er nu zo jammer is ? De nieuwe generatie wil niet bekennen dat de ouders nog echt uit het volk stammen. De jongeren willen niet meer uitkomen voor hun afkomst.

Mag ik nog een paar dingen zeggen die echt spijtig zijn?

Met plezier..:.
De twee oudste hofsteden van Male hadden een Franse naam: Avignon en Montpellier. Men heeft deze laatste gesloopt; het was er nog één met een dubbele singel rondom. Ik heb het voorspeld dat er nooit zou kunnen gebouwd worden, en we zien inderdaad dat het water steeds opsteekt.
En nog dit. In de Brieversweg staan oeroude linden, die nog herinneren aad de galgen die er in de dertiende eeuw stonden. De oorspronkelijke naam « Galgedreef » mocht niet behouden blijven, omdat enkele bewoners die naam te akelig vonden, alsof die naam al geen acht eeuwen lang bestond, zonder dat iemand hem te akelig had gevonden.

Zing tot slot nog eens een echt Brugs liedje.

‘k Zal er eentje zingen dat veel Bruggelingen nog kennen :

 

« En 'k zien m'n Rosa tocb zo geren
omdat ze altijd proper was.
Stoppen en naaien deed ze geren
en dat deed ze eerste klas.
Nu ben ik mijn Rosa kwijt,
en dat doet me zoveel spijt.
Z'istere van gisteren vertrokken,
z'heed me laten zitten met de brokken.
Ik bezit noch bed noch stoel,
z'is vertrokken met heel de boel
Waar zou die hekse nu gevlogen zien? »

GEERT VAN MAELE


MAGDA CAFMEYER,
gepensioneerde onderwijzeres
folkloriste
Moerkerkse steenweg 199,
8310 BRUGGE 3 Sint-Kruis
Geboren te Sint-Kruis 10.9.1899

Op 10 september 1980 is het tachtig jaar geleden dat Magda Cafmeyer te Sint-Kruis werd geboren uit de familie van koster-organist-onderwijzer Arthur Cafmeyer die gehuwd was met Hermine Neyrinck. Zij was de zesde in een gezin met twaalf kinderen.
Cafmeyer is een naam die steeds verbonden zal blijven met de geschiedenis van Sint-Kruis omdat deze familie aldaar gedurende verschillende generaties lang koster is geweest en tevens heeft gezorgd voor de opleiding en de opvoeding van de jeugd.
De geschiedenis zal aantonen hoe diepgaand en beslissend, in de negentiende eeuwen het begin van de twintigste eeuw, de invloed is geweest van de dorpsonderwijzer, die, meestal in harde en moeilijke omstandigheden, heeft bijgedragen tot de bewustwording en de heropstanding van het Vlaamse volk, dat toen een ongeletterd, arm en vernederd volk was.
In zo'n onderwijzersfamilie is Magda Cafmeyer opgegroeid en naast een christelijke levensvisie werd zij van kindsbeen af vertrouwd gemaakt met de muziek, de schilderkunst en de rijkdommen van het intellektuele midden waar een scherp verstand en culturele waarden meer werden gewaardeerd dan geld.
Zij werd opgevoed in een klimaat van eenvoud en soberheid en wist deze levenswijze tot op vandaag te behouden. "Wij zijn niet groots" zegt zij zelf.
Zij werd tevens bewust gemaakt van haar verantwoordelijkheid om geen inspanning ongemoeid te laten om aan de volksmens meer waardigheid, meer zelfbewustzijn en meer ontwikkeling bij te brengen.
Haar grootvader "magister" Jozef Cafmeyer was de stichter van de eerste jongensschool te Sint-Kruis die toen gevestigd was op de hoek van de Moerkerke Steenweg en de Polderstraat, in het gebouw waar de politie was gehuisvest tot op het einde van de jaren zestig en dat thans werd afgebroken om er een plantsoen aan te leggen.
"Het is erg jammer dat deze gebouwen werden afgebroken", zegt Magda Cafmeyer, "want zij vormden de oudste schoolgebouwen van de streek".
Totdat zij naar de normaalschool ging liep Magda Cafmeyer school "aan den Berg" zoals de eveneens verdwenen zustersschool werd genoemd gelegen langs de Moerkerkse Steenweg ter hoogte van de thans nog bestaande kapel naast het huis van onderwijzer Remi Van Damme.
De meisjes liepen er school tot aan hun eerste communie toen zij twaalf jaar waren en volgden daarna nog lessen in de aldaar gevestigde Spellewerkschool.
Omzeggens ieder meisje en vrouw te Sint-Kruis kon toen spellewerken en vooral de Hoogweg was bekend omdat daar in ieder huis vlijtig werd gespellewerkt. Er was een klas voor beginnelingen en een klas voor gevorderden. De afgewerkte kantprodukten werden door zuster Barbara verkocht aan Brusselse kanthandelaars die regelmatig naar Sint-Kruis kwamen om er het "Brugs bloemwerk" op te kopen.
De kant betekende voor veel gezinnen een bron van noodzakelijke bijverdiensten.
De jongens gingen na hun eerste communie gewoonlijk "op stiel" bij een meester-ambachtsman of bleven nog enkele jaren koewachter en men zag hen dan dreven en graskanten van de gemeente aflopen met de koeien aan de band.
Het waren omzeggens alleen de burgerjongens en de zonen van de boeren uit den Broek die na hun twaalfde jaar nog verder school mochten lopen en vaak te Brugge of als intern in den vreemde hun studies gingen verderzetten.


Tot aan haar pensionering is Magda Cafmeyer aktief geweest als onderwijzeres in de volkswijken van het Sint-Annakwartier, waar zij les gaf bij de "Papnonnen" die biezonder geliefd waren bij de bevolking bij wie zij zieken verzorgden en alles deden wat mogelijk was om de ergste armoede te bekampen. Omdat deze Dochters van Liefde van St.-Vincentius a Paulo zelfs pap bedeelden aan de armsten, kregen zij de bijnaam "papnonnen".
Wij mogen niet vergeten dat nauwelijks honderd jaar geleden de meeste Bruggelingen in miserabele omstandigheden moesten leven, verstoken van een normale evenwichtige voeding en hygiêne, in veel te kleine huisjes die overbevolkt waren. Het was nog de tijd van vrouwen- en kinderarbeid in mensonterende omstandigheden en een periode waarin het alcoholisme een ware gesel was bij de arbeidende bevolking.
Wanneer Magda Cafmeyer als jonge onderwijzeres eens een gele kaart stuurde naar de ouders van een zekere Germaine omdat deze nog nooit had voldaan aan haar schoolplicht, kreeg zij 's anderdaags het bezoek van de moeder van het kind en die forse en zwaargebouwde vrouw vroeg: "Wat is dadde met die gele koarte vor min Germaintje?" Toen haar werd geantwoord dat haar dochter schoolplichtig was en dus naar school moest komen, wedervoer de moeder: "Min Germaintje naar school? 't Is een vrouwmens gelijk een slagpeerd en zij werkt al zo lange in Robais" waarmede de moeder van dit twaalfjarig meisje bekende dat haar dochtertje reeds tewerkgesteld was in de tekstielfabrieken van Roubaix in Noord-Frankrijk.
Door dit intense kontakt met de bevolking van Sint-Anna is Magda Cafmeyer als het ware zonder het zelf goed te beseffen heem- en volkskundige geworden.
Zij had een echte belangstelling voor de mensen en het leven rondom haar en nadat zij rijksarchivaris Jozef De Smet had leren kennen in het kader van de Gidsenbond werd deze belangstelling gekanaliseerd. Hij had haar het archief van Male getoond en uitgelegd hoe zij dit moest raadplegen. Het trof Magda Cafmeyer dat vele spreuken die zij hoorde van haar tante Lena, de jongste zuster van haar vader, hun oorsprong vonden in Male en de streek. "Je moet die spreuken opschrijven" zei J. De Smet. Deze tante Lena was een uitzonderlijke vrouw die beschikte over een scherp verstand en een geweldige woordenschat vol met spreuken en volksgezegden. Zij sprak nog van de "kerkkaai" als het over de kerkhofmuur ging en van "den Berg" als het over den Doornhut ging en zij omschreef een slordig en vuil gekleed persoon als "lijk iemand die van avejong kwam", (avejong als verbasterd woord voor Avignon, het toenmalig armenhuis van Sint-Kruis waarvan de overblijfselen nog te zien zijn aan Lettenburg in het begin van de Pijpeweg).
In 1933 kwam het eerste kontakt met de betreurde E.H. Antoon Viaene hoofdredakteur van "Biekorf". Hij moedigde haar aan om alles wat zij kon waarnemen op te schrijven en zo mogelijk te publiceren in Biekorf.
In 1938 kwam zij in kontakt met Prof. Egied Strubbe, een ander eminent Brugs geleerde en op zijn verzoek werd zij lid van de Westvlaamse Folkloristen samen met o.m. Hervé Stalpaert.
In het Brugs volkskwartier waar zij les gaf en nauw kontakt had met de bevolking, heeft Magda Cafmeyer aandachtig geluisterd naar haar leerlingen op de speelplaats en naar de vaders en moeders in de straten. Want al was de armoede koning toch wisten de mensen van toen plezier te maken en misschien meer dan nu.
"In die tijd was er veel meer vriendschap en samenhorigheid onder de mensen" zegt Magda Cafmeyer.
Zij zongen bij iedere gelegenheid en wie of wat opviel werd met een lapnaam of een liedje bedacht.
Er waren ook twee kazernes in deze volksbuurt en wanneer het gebeurde dat het muziek van het Vierde Lanciers een rondgang deed in de wijk, dan kwamen de vrouwen buiten en liepen zingend en dansend achter de muzikanten, meestal enkel gekleed in een onderrok met een schort erover. Het gebeurde dan ook dat de kinderen tijdens de speeltijd wegliepen en hun moeders gezelschap gingen houden en meeliepen met de jubelende bende.
Met weemoed denkt Magda Cafmeyer terug aan de lang vervlogen tijd toen haar broer Prosper Cafmeyer, die een goede muzikant was en ook les gaf in Sint-Anna, deze volksliedjes speelde en zong. Dit moest echter gebeuren wanneer vader niet thuis was want voor vader, die een eerste prijs fuga en contrapunt had behaald en een goed organist was, waren dit maar krapuleuze liedjes die niet door zijn kinderen mochten gezongen worden. In die vele jaren heeft Magda Cafmeyer een unieke verzameling volksliedjes bijeengebracht en gelukkig heeft zij er nog veel kunnen opnemen in 1955 met een bandopnemer zodat ook de muziek bewaard kon blijven. Het zijn liefdesliedjes, spotliedjes of gewoon kinderliedjes die onder het touwspringen werden gezongen.


Bij wijze van voorbeeld citeren wij volgende drie liedjes:

"Sara mijn rok zakt af "
moeder, 't is mijn sleep! "
geef haar toch een anderen "
ze draagt hem in de week.

"En hij peinst dat ik hem gèren zie "
mo ja, van achter aan zin hielen "
en had hij wel gedaen ,,
'k had hem nie laten staan
"en foert voor hem
,,'k zin meer gewend
"of één van Jaeghers
"die zijn stiel niet kent!"

"En 'k zien min Rosa toch zo gèren
 "omdat ze altijd proper was
"Stoppen en naaien deed ze gèren
"en dat deed ze eerste klas.
"Nu ben ik min Rosa kwijt
"Z'ister van oender vertrokken
"Z'hee me laten zitten met de brokken
"Ik bezit noch bed noch stoel
"Waer zou die hekse nu gevlogen zien".

Bij het aanhoren van deze volksliedjes valt het onmiddellijk op dat het repertorium van bijvoorbeeld Willy Lustenhouwer aansluit bij de Brugse traditie van het volkslied.
De vader van Magda Cafmeyer was ook koster te Sint-Kruis en uit deze tijd heeft zij nog heel wat levendige herinneringen bewaard. Het ouderlijk huis stond omzeggens tussen drie herbergen in. Langs de rechter kant stond "D'Hoope" van de familie Anseeuw. Het was de herberg waar "de mensen van de plaatse" bijeenkwamen. Links was toen "De Vrede" uitgebaat door de voerman Billiet en rechtover de deur was "De Zorghe" een afspanning uitgebaat door de familie Timmerman. In deze laatste herberg kwamen 's morgens ook de hondenkarren samen in vroegere tijd, gereden door de koewachters wanneer zij de melk naar de stad hadden gevoerd.
Bij de ouders van Magda Cafmeyer werden ook veel kaarsen verkocht en vooral in de periode van de plechtige communie was het druk en kwamen de mensen kiezen tussen een grote keuze kaarsen gaande van 6 pond voor de grootste tot 1 pond voor de kleinere en die werden geofferd door de eerste communikanten.
Vader Cafmeyer had vele bijverdiensten want met een gezin van twaalf kinderen was het niet steeds gemakkelijk om de eindjes aan elkaar te knopen.
Zo ook regelde hij de begrafenissen en leidde de ceremonie. Sinds Jozef II, keizer van Oostenrijk, had verboden om nog binnen de stad mensen te begraven, was Sint-Kruis een plaats die bij de adel en de begoeden werd uitverkoren om er begraven te worden.
Sint-Kruis omvatte parochiaal gezien vroeger ook de parochie Sint-Anna zodat men toen kon spreken van Sint-Kruis binnen de muren en Sint-Kruis buiten de muren:
De stad Brugge had om te voldoen aan het keizerlijk decreet een nieuw kerkhof aangelegd te Steenbrugge maar dit kerkhof werd door het volk minachtend bestempeld als ,,'t rapenstuk".
Dit legt ook het groot aantal graven uit toebehorend aan edellieden rond de kerk van Sint-Kruis.
De adel was trouwens goed vertegenwoordigd te Sint-Kruis zelf en tot na de eerste wereldoorlog was het steeds een edelman die burgemeester was van de gemeente.
Zo kenden wij achtereenvolgens: A. Goupy de Beauvolers, die ook hoofdman was van de schuttersgilde St.Sebastiaan te St.-Kruis, graaf Amedé Visart de Bocarmé, Jules de Bie de Westvoorde, graaf Gustave Visart de Bocarmé, Fernand de Maleingreau d'Hembise.
Door het feit dat zo velen onder hen verkozen te Sint-Kruis begraven te worden, kende men op deze parochie dan ook veel broodbedelingen voor de armen.
De ganse Maalsestraat (Brieversweg) kwam naar deze broodbedelingen. Gewoonlijk werden de armen bedacht met 60 tot 80 broden van één kilo. Soms gaf men broden van een "halve steen" d.w.z. van anderhalve kilo. De armendis werd soms uitzonderlijk begiftigd zoals naar aanleiding van de begrafenis van Mevrouw de Bie de Westvoorde toen 90 broden van een halve steen werden weggeschonken.'
Toen graaf Gustave Visart de Bocarmé werd begraven werden 90 broden van twee kilogram uitgedeeld en 250 koeken met krenten voor de "knechten" en 200 koeken met krenten voor de meisjes.
Op de begrafenis eerste klasse volgde gewoonlijk de fundatie van het jaargetijde met brooduitdeling zodat de "disgenoten" dikwijls hun brood in de kerk ontvingen.

 

 


Na de eerste wereldoorlog werden deze brooduitdelingen geleidelijk aan afgeschaft met de stijgende welstand onder de arbeidersbevolking en wegens het feit dat de fundaties niet meer zoveel opbrachten. De broden werd gebakken te St.-Kruis door de drie bakkers: Richard Depreeuw, Charles Blanckaert en Louis Dickx.
Te Male bakte toen bakker Verplancke.
Het waren de "dismeesters" die dit armenbrood in de kerk bedeelden maar in de praktijk was het dikwijls de koster Cafmeyer die het deed en hij bedeelde de broden dan volgens de behoeften en het aantal kinderen per gezin.
Rechts achteraan in de kerk van de H. Kruisverheffing is nog een herinnering hieraan aanwezig.
Veel van dit alles kon voor het nageslacht bewaard worden dank zij de jarenlange en volgehouden inspanningen van Magda Cafmeyer.
In haar boek "Van Doop tot Uitvaart" uitgegeven door de Bond van de Westvlaamse Folkloristen in 1958 werd een schat van gegevens opgenomen. In "Sint-Kruis Oud en Nieuw" uitgegeven in 1971 onder de auspiciên van de stad Brugge heeft Magda Cafmeyer in vogelvlucht de algemene geschiedenis van Sint-Kruis weergegeven. Het is haar levenswens dat zij nog in staat zou mogen zijn om een uitvoerige geschiedenis te schrijven van haar zo geliefde gemeente.
Het is ook onder haar impuls dat de schandpaal, het Pelderijn, van Male opnieuw geplaatst werd langs de Maalsesteenweg. Deze steen lag vergeten in het kiekenkot van het vroegere stadhuis van Male en werd door haar ontdekt en plechtig heropgericht op 2 juli 1950.
Het is een enig monument uit een ver verleden waarin zij die misdaan hadden, in de omgeving van het grafelijk kasteel van Male, te kijk werden gesteld om tot voorbeeld en afschrikking te dienen, vastgebonden aan het pelderijn.
Het geduldig en op het eerste gezicht niet zo belangrijk werk van de folklorist vormt in vele gevallen een enige bron van kennis voor een bepaalde periode uit de geschiedenis.
Voor de historicus zijn volkskunde en heemkunde onmisbaar maar voor de gewone mensen zijn zij een echo uit het verleden waarin zij de klanken van hun eigen voorouders kunnen herkennen hetzij zij nu met het "steedsche bollen" begraven werden in een begrafenis eerste klasse, hetzij zij één van de schamele armen waren, die in dank een brood ontvingen van de dis der armen.

4 mei 1980
Mr. Johan Weyts.

Magda Cafmeyer

MAGDA CAFMEYER (Sint-Kruis ° 10-9-1899  † 11-2-1983)

Dirk Callewaert (2014)  

Magda was een geboren en getogen Sint-Kruizenaar en bij uitbreiding Bruggelinge. Ze was het zesde kind van twaalf in het gezin van Arthur Cafmeyer, die onderwijzer-organist was. Haar grootvader stichtte de eerste (vrije) jongensschool in Sint-Kruis, destijds gelegen tussen het klooster en de rotonde. Twee van de drie zonen stierven op jeugdige leeftijd (de oudste als vrijwilliger-ambulancier in W.O.I) en de derde werd in de lijn van de familie koster-organist te Sint-Kruis. Vijf dochters werden onderwijzeres, van wie twee als kloosterlinge. Alle dochters bleven ongehuwd. 
De oorlogsomstandigheden dwongen de diepchristelijke familie ertoe om Magda naar de Brugse Rijksnormaalschool te sturen. Dit bracht haar in contact met andersdenkenden en andere standen, wat niet onbelangrijk was voor haar latere activiteiten. ‘Juffrouw Cafmeyer’ was scherp van geest, vlot ter taal en kontaktfreudig… en er zich van bewust dat ze ‘een echte Sint-Kruizenaar uit de burgerij’ was. Ze was 24 jaar toen ze in Brugge bij de Zusters van Sint-Vincentius (de Papnonnen) als onderwijzeres in een volksbuurt belandde en er zich direct ontpopte als een echte volkskundige. Zo liet zij de kinderen zingen en vertellen ‘wat ze van hun (groot)ouders hoorden’. Haar veldwerk dateert dus al van in de jaren twintig, eerst op papier en naderhand met haar GRUNDIG-bandopnemer en spiegelreflexcamera. Het probleem was wel dat sommige vertellingen en liedjes door haar zuster-directrice als schrabreus werden bestempeld en dat kostte haar bijna haar baan. Vandaar dat ze werd overgeplaatst naar een andere school van dezelfde congregatie.

Ze was 56 toen ze met pensioen ging en viel niet in een zwart gat want ze bleef opzoeken in de Rijksarchieven, in het Stadsarchief en in het OCMW-archief. Ze bleef zwart-wit foto’s en bandopnames maken. En vooral, ze had meer tijd om te publiceren, zowel in ’t Beertje, Biekorf , Oostvlaamse Zanten als in de Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis. De vele artikels kon ze naderhand bundelen in vier interessante boeken: Van Doop tot Uitvaart. Een kijk op het volksleven in het Noordoosten van West-Vlaanderen. (Brugge, 1958, 172 blzn.); Sint-Kruis, Oud en Nieuw. (Brugge, 1970, 135 blzn.); Van Aswoensdag tot Lichtmis. (Blankenberge, 1970, 187 blzn.) en Van Gehucht tot Dorp. (Blankenberge, 1971, 154 blzn.)

Het werk van Magda Cafmeyer voldeed aan de normen van het moderne wetenschappelijk onderzoek. Paleografie was voor haar geen probleem dank zij stadarchivaris Jos De Smet en RUG-professor Egied Strubbe met wie ze bevriend was. Met kennis van zaken bestudeerde ze de cartografie, toponymie, hydrografie en  geschiedenis van het Brugse. Maar ze heeft zich vooral kunnen bewijzen als heem- en volkskundige. Uit haar beginperiode dateren enkele beknopte studies zoals Het kasteel van Male (1946), Het grafelijk domein van Male (1950), Male, geschiedkundige sprokkelingen (1950) en De Wateringen van Zuid en Noord over de Lieve op het einde van de 15e eeuw (1954). De Gemene Weidestraat op het Sijseelse vanaf de vroege middeleeuwen (1980) is een merkwaardige studie en niet in het minst omdat Magda toen al in de tachtig was.

Het was E.H. Antoon Viaene, de hoofdredacteur van Biekorf  en een vriend des huizes, die haar vroeg om meer te schrijven voor zijn tijdschrift. En dat verklaarde waarom ze haar aandacht toespitste op de volkskunde (spreuken, liederen, gebruiken, devotie en bijgeloof, ambachten, …). Magda en haar jongste zus, Alice (° 26-10-1907 † 8-11-2007), waren eigenlijk een tweespan. Beide pas gepensioneerde onderwijzeressen kochten een auto en met Alice als chauffeur werd het veldwerkterrein sterk uitgebreid. Daarvan getuigen de vele bandopnamen en wit-zwart foto’s met een hoge documentaire waarde.

Juffrouw Cafmeyer was twintig jaar lang (1952-1972) de verzamelaar-conservatrice van het Brugse Volkskundemuseum, destijds gevestigd in een zaal van de Brugse Hallen en eigendom van de Bond van de Westvlaamse Folkloristen. Ze was een actief lid van de Gidsenbond. Ze schreef niet alleen artikels en boeken maar gaf ook her en der voordrachten. Tot haar dood viel ze op als een intelligente en veelzijdige vrouw. Ze stierf plots na een ongelukkige val van de steile trap in het ouderlijke huis. Na een gevuld leven is het terecht dat een straat in Sint-Kruis naar haar wordt genoemd.