Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Bockstaele Lucien


Lucien Bockstaele
Landbouwkundig ingenieur-directeur
°Bassevelde,  28.10.1923
Polderhoeklaan 13
8310 Brugge - St.-Kruis

Reeds meer dan 30 jaar lang leidt de te St.-Kruis wonende landbouwkundig ingenieur Lucien Bockstaele met kundige en vaste hand het te Beitem-Rumbeke gelegen "Provinciaal Onderzoek- en Voorlichtingscentrum voor Land- en Tuinbouw van de provincie West-Vlaanderen".
Gezien de grote en determinerende invloed van dit centrum op de ontwikkeling en de evolutie van de land- en tuinbouw en de er mede in verband staande industriële aktiviteiten in onze provincie, onvoldoende bekend is bij het grote publiek vonden, wij het bijzonder nuttig dit in deze korte bijdrage enigszins te ontwikkelen.

Het was op 1 november 1956 dat Lucien Bockstaele door de provincie West-Vlaanderen werd benoemd tot eerste directeur van het centrum, dat, bij Beslissing van de Bestendige Deputatie van 14 december 1956, tot "Instituut Arthur Olivier" werd genoemd uit erkentelijkheid en wegens de vele verdiensten van deze Bestendig Gedeputeerde, die gedurende een uitzonderlijk lange periode van 33 jaar ononderbroken had geijverd voor de land- en tuinbouw en voor de oprichting van een onderzoek- en voorlichtingscentrum voor nijverheidsteelten in West-Vlaanderen. Lucien Bockstaele werd op 28 oktober 1923 geboren te Bassevelde als zoon van Oscar Bockstaele en Idalie Van de Voorde.

Hij kende mooie kinderjaren in deze rustige en landelijke gemeente in het Meetjesland, op de grens van de zandstreek en de polders en in de onmiddellijke omgeving van de Nederlandse grens, in die tijd nog een streek van smokkelaars van boter en vee. Vader Bockstaele, zelf kantonier bij het Ministerie van Openbare Werken, hoopte dat zijn zoon Lucien burgerlijk ingenieur zou worden, maar deze verkoos de studie van landbouwkundig ingenieur en landbouweconomie aan de Rijksuniversiteit te Gent.

Mevr. Bockstaele -Van de Veire

Lucien Bockstaele was een schitterend student en bij het beëindigen van zijn universitaire studies was hij gedurende twee jaar assistent bij prof. Baptist toenmalig rector van de Rijkslandbouwhogeschool, thans faculteit .. landbouwwetenschappen van de RUG. Op 1 juli 1948 trad hij evenwel in dienst van de provincie West-Vlaanderen als landbouwkundig ingenieur; hij had aanvankelijk zijn kantoor in het Gouvernementspaleis te Brugge maar werd dan nadien gehuisvest in de balkonzaal van de Provinciale Technische dienst toen gelegen in de Wollestraat te Brugge.Op 1 november 1956 werd hij bevorderd tot directeur funktie die hij tot op vandaag vervult.
In oktober 1948 trad hij in het huwelijk met Anna Van de Veire. In 1953 werd Philip geboren, thans landmeter en deskundige in onroerend goed te St.Kruis en in 1957 werd zijn dochter Caroline geboren.

 


Het Provinciaal Onderzoek- en Voorlichtingscentrum voor Land- en Tuinbouw werd opgericht in een periode waarin West-Vlaanderen hoge werkloosheidscijfers noteerde en een groot aantal grens- en seizoenarbeiders had om niet te spreken van de velen die dagelijks de verre verplaatsing naar de kolenmijnen deden.
Dit alles vormde een zware handicap voor het sociaal economisch leven van onze provincie.
Ook de landbouwsector had met zware moeilijkheden te kampen.
Onder druk van de snelle mekanisering ingevolge de stijgende lonen, liep de arbeidsbezetting in de landbouw achteruit.
Op vele kleine en middelgrote bedrijven heerste een zware verdoken werkloosheid, terwijl afvloei naar de industriële of tertiaire sektor te weinig mogelijkheden bood.
De nijverheidsgewassen, die van oudsher in West-Vlaanderen een grote betekenis hadden verworven en niet alleen op vele bedrijven een belangrijke bron van werk en welvaart vormden, maar daarenboven de onmisbare grondstof leverden voor belangrijke landbouwindustrieën zoals de vlasvezelbereiding en de cichoreidrogerijen, maakten eveneens een moeilijke periode door.
De vlasvezelbereidingsnijverheid omvattende in die periode ruim vierduizend familiale bedrijven met vrij zware investeringen, betekende een niet te onderschatten werkverschaffing. Naast ruim vierduizend zelfstandige vlassers waren er zeven- tot achtduizend loontrekkenden in de vezelbereiding tewerkgesteld.
Daarbij moet nog een groot aantal tussenpersonen worden gevoegd zoals handelaars en commissionairs in strovlas, lijnzaad en gezwingeld vlas. Omwille van de grote economische betekenis en om de teelt van arbeidsintensieve gewassen op onze landbouwbedrijven in stand te houden en eventueel uit te breiden, was Beitem tot stand gekomen.
De aandacht ging aanvankelijk vooral naar vlas, hoppe, brouwersgerst en tabak.
Daarnaast zocht men naar nieuwe nijverheidsgewassen.
Onmiddellijk werd gestart met proefveldwerking waarbij ook gestreefd werd naar een internationale samenwerking.
In het voorjaar 1960 werd het rootlaboratorium in gebruik genomen en tegen het einde van het jaar werd het zwingellokaal ingericht.
Inmiddels was ook het Fysisch Laboratorium speciaal uitgerust voor het determineren, op grond van wetenschappelijke criteria van de karakteristieken van de vlasvezel uitgebouwd.
Op objectieve wijze werd een waardebeoordeling bekomen op de vlasvezels en meer bepaald nopens de fijnheid, de verdeelbaarheid en de breeklengte ervan.
In 1960 startte men met het Laboratorium voor melkhygiëne.
Deze facultatieve kwaliteitsbepaling was een goede voorbereiding voor de Westvlaamse melkproducenten op de betaling van de melk volgens de hygiënische hoedanigheid.
De zuivelindustrie werd verplicht op grond van de uitslag van de
kwaliteitsbeoordeling, een gevoelig prijsverschil toe te passen tegenover de melkproducenten.

Dank zij de strenge melkkwaliteitsbepaling werd het mogelijk dat West-Vlaanderen thans beschikt over zeer veel hoge kwaliteitsmelk, essentiële voorwaarde om een kaasproduktie tot stand te kunnen brengen.
De bekendste kaasfabrieken zijn deze van Passendale, Lo en Moorslede maar de grootste is deze van Wingene waar niet minder dan 100.000 kg. (Cheddar) kaas per week wordt geproduceerd, hoofdzakelijk voor de uitvoer naar Engeland.
In 1962 werd de sectie Vollegrondsgroenten tot een volwaardige afdeling te Beitem uitgebouwd.
Op deze wijze trachtte men bij te dragen om het inschakelen van groentegewassen in het teeltpatroon van de gezinsbedrijven te bespoedigen. Groententeelt laat immers meestal toe een aanzienlijke hogere valorisatie te bekomen, waardoor de leefbaarheid van vele landbouwbedrijven aanzienlijk kon worden verbeterd.
In het kader van de omschakeling van de vele vlassers werd in 1967 gestart met een champignonproefbedrijf. Waar in 1967 een productie van 300.000 kg. werd bereikt in West-Vlaanderen, is deze nu gegroeid tot 11 miljoen kg. voor deze provincie alleen, daar waar de totale Belgische produktie van champignons 15 miljoen kg. bedraagt.
Toch kan dit produkt nog worden opgedreven want 40 % van het champignons-verbruik moet nog worden ingevoerd. Dit gebeurt vooral in conserven bestemd voor de grootkeukens.
Er wordt ook gestreefd naar verscheidenheid in de produktie.
Zo zagen wij de oesterszwammen verschijnen. De evolutie verloopt echter eerder traag. Ook worden thans proeven gedaan met Japanse variëteiten.
In 1968 was een wetenschappelijke medewerker aangeworven om vooral de hoppe te bestuderen.
In 1970 werd het werkterrein van het proefcentrum opnieuw gevoelig uitgebreid door het opzetten van een nieuw onderzoeksprogramma : de aarbeiteelt in open lucht en onder plastiekbescherming. Deze teelt biedt voor vele westvlaamse bedrijven gunstige vooruitzichten.
Voor de witloofteelt werd in 1975 een afdeling opgericht met het doel deze uitstekende groente in onze provincie tot ontwikkeling en bloei te brengen. Dit is inmiddels een groot sukes geworden en er wordt over de ganse wereld vanuit West-Vlaanderen uitgevoerd. Zelfs rood witloof tot in Singapore in het Verre Oosten.
In 1981 begon men met het kweken van groene asperges, bovengronds.
Ook dit belooft een groot succes te worden want voor het ogenblik hebben wij reeds in onze provincie 20 Ha groene asperges in produktie. Kenmerkend voor deze teelt is dat het arbeidsrendement het tienvoudige is in vergelijking met de teelt van de klassieke witte asperges.
Het Centrum heeft verder voor onze provincie totaal nieuwe groenten in produktie gebracht zoals bv courgettes, venkel, rode sla, ijsbergsla, broccoli, augurken etc.
Veel aandacht wordt ook besteed aan groenten gekweekt onder plastiek en in verwarmde serres.
Deze nieuwe technieken worden vooral toegepast om een grotere diversificatie van het aanbod mogelijk te maken en een zo volledig mogelijk assortiment aan de klanten te kunnen aanbieden. Het is Peter Bleyaert uit St.-Kruis, zoon van Raymond Bleyaert die in het centrum thans verantwoordelijk is voor deze afdeling.
Gezien het enorme belang van de diepvriesnijverheid in West-Vlaanderen werd ook een speciale begeleiding opgezet voor arbeiders in deze industrie om aldus een nog betere kwaliteit van het produkt te bekomen.
Ook aan de samenstelling van de planten zelf, wordt veel aandacht besteed teneinde iedere plant zo zuiver mogelijk te kunnen telen.
Ook worden te Beitem jaarlijks 2.500 wateranalyses uitgevoerd en de resultaten hiervan bewijzen dat er nog steeds heel wat ondrinkbaar water voorkomt dat soms de oorzaak is van nitraat-vergiftiging.
Ook wordt een inspanning gedaan voor de hoeve-verfraaiing en om te bekomen dat de hofsteden opnieuw beplant zouden worden met groen uit ons gewest vooral opgaand groen zoals Canadapopulieren en wilgen.
Op het gebied van volwassenenonderwijs laat het centrum zich evenmin onbetuigd.
Belangrijk hierbij is te vermelden dat de kursussen worden georganiseerd voor de gehuwde echtparen die van plan zijn één of andere specialiteit op te zetten, zoals aardbeien, asperges, fruit omdat man en vrouw meestal steeds samenwerken en hun kennis evenwaardig moet zijn om tot goede resultaten te komen.
Zelfs van uit Zichem-Zussen-Bolder waar eertijds in de mergelgroeven de enige Belgische champignons werden gekweekt, komt men nu naar BeitemRumbeke om de technieken aan te leren voor een nieuwe en moderne champignonkweek.
Naast zeer veel andere aktiviteiten is het Proef- en Onderzoekcentrum van Beitem tenslotte ook nog verantwoordelijk voor het Rosarium te Kortrijk waar niet minder dan 400 variëtiteiten rozen worden gekweekt. Uit wat hierboven werd uiteengezet kan een idee worden gevormd van het zeer uitgebreide en gespecialiseerde arbeidsveld van Lucien Bockstaele.
Het is alleen mogelijk zo'n centrum op een hoog wetenschappelijk en toch volledig praktijkgericht peil te behouden, wanneer het geleid wordt door een bekwaam doorzetter als Lucien Bockstaele die na onderzoek van het probleem, recht op het doel afstapt en ik meen dat deze zelfverzekerde houding steeds ten goede is gekomen aan de ontwikkeling van Beitem.
De land- en tuinbouw in onze provincie blijft zeer belangrijk. In 1986 waren er nog 18.518 agrarische bedrijven met een gemiddelde bedrijfsoppervlakte van 11,5 ha; hiervan werd 42,13% voorbehouden voor weiden en grasland, 6 % voor de groententeelt, 19,70 % voor graangewassen, 11,70 % voergewassen, 10,43 % nijverheidsgewassen en 9 % aardappelen. Teelten onder glas of plastiek bestreken 285 Ha.
Het is misschien nuttig te vermelden dat in onze provincie nog steeds 470 Ha tabak worden geteeld d.i 88 % van de Belgische tabaksproduktie.
Wat het Westvlaamse groentenariaal betreft, kunnen wij vermelden dat ongeveer 45 % van de Belgische produktie in onze provincie wordt gerealiseerd, met de veiling van Roeselare als groot verkoopcentrum. De groententeelt heeft vooral een grote vlucht genomen door de rekonversie van talrijke gemengde landbouwbedrijven naar de vollegrondsgroententeelt. Sommige groenten kunnen inderdaad op de landbouwbedrijven uitstekend als tussenteelt of als nagewas worden verbouwd.
Zij verschaffen aan de familiale arbeidskrachten een lonende werkgelegenheid.
Ook de sterke uitbreiding van de diepvriesgroenten-industrie heeft de uitbreiding van teelten in de hand gewerkt.
Merkwaadig is dat bepaalde volleveldsgewassen hoofdzakelijk in West-Vlaanderen worden geteeld.
Zo wordt 92,7 % van de knolselderij, 88,5 % van de schorseneer, 87,4 % van de spruitkool, 84,8 % van de spinazie, 75,9 % van de witte selderij, 72,7 % van de venkel, 68,4 van de rode kool, 65,6 % van de bloemkool, 65,2 % van de kervel, 62,5 % van de tuinwortel en 61,8 % van de groene selder in onze provincie gekweekt en gewonnen.
Vele jongeren denken met zorg aan hun toekomst.
Ongetwijfeld is voor velen van hen een mooie toekomst weggelegd in de land-of tuinbouw maar is hen dit niet voldoende bekend.
Wij hopen dat dit artikel, ook al is het veel te beknopt zal hebben bijgedragen tot een betere kennis en een betere waardering voor de land- en tuinbouwers. Omwille van de uitzonderlijke resultaten willen wij met deze korte bijdrage ook hulde brengen aan het levenswerk van Lucien Bockstaele en ook onze dank en waardering uitspreken tegenover zijn 65 medewerkers van het Onderzoek- en Voorlichtingscentrum voor Land- en Tuinbouw te Beitem-Rumbeke.
Ook Bestendig Gedeputeerde Hendrik Olivier betrekken wij graag in deze hulde want zijn naam zal samen met die van zijn vader Arthur blijvend verbonden blijven aan de uitstekende en vooruitstrevende politiek gevolgd door de Provincie West-Vlaanderen, op het vlak van land- en tuinbouw, die tot voorbeeld streekt tot ver buiten de grenzen.
Wij wensen tot slot dat Lucien Bockstaele zich nog lange jaren ten dienste mag blijven stellen van onze werkzame bevolking.

Gedaan te St.-Kruis op 31 augustus 1987.
Mr. Johan Weyts

Lucien Bockstaele overleed op 10.10.1994