Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

De Schippersschool

Geschreven door Gerard en Annie Van Hecke- Buysse als oud-schippers en oud-leerlingen.
Niet alleen bedankt voor de tekst maar ook voor  alle andere schippers-info en voor het steeds leuk onthaal. 

Toen de Kapucijnen in 1896 met schipperswerk begonnen, duurde het niet lang vooraleer de paters ook aandacht schonken aan de schipperskinderen. Pater Libertus, die benoemd was tot bestuurder van het schipperswerk te Brugge verkreeg nog datzelfde jaar, dat de schippersjongens- en meisjes in verschillende katholieke scholen lessen mochten volgen. De schippersjongens waren welkom bij de Broeders van Liefde in de Baliestraat, de Violierstraat en de Groeningestraat en in het H. Johannes Berchmansinstituut in de Vinkestraat. De meisjes konden naar de Zusters Jozefieten in de Baliestraat, de Zusters van de H. Vincentius in de Potterie, de Langestraat, de Zusters op de Coupure en bij de Zusters Coletienen aan de St. Katelijnepoort. Het godsdienstonderricht en de voorbereiding op het Vormsel werden gegeven in de spreekkamer van het kapucijnenklooster in de Clarastraat.

Aangezien eind 1911 het schippersgebouw klaar was, werden de klaslokalen onmiddellijk ingericht. De dagschool werd officieel geopend op twaalf februari 1912. Op 22 februari verstuurde of overhandigde P.Luciaan aan alle schippers een brief. “Wij hebben de eer U ter kennis te brengen, dat vanaf maandag 26 dezer alle dagen les zal gegeven worden aan de schipperskinderen in de nieuwe klassen van het schippershuis. De lessen zullen gegeven worden door P.Ubald. ’s Morgens van 9 tot 11 uur, en ’s middags van 2 tot 4 uur. De schippers die varen in Brugge en omstreken worden dringend verzocht hun kinderen naar de school te sturen om het onderwijs te bevorderen”.

In het begin schommelde het aantal leerlingen tussen twaalf en vijfendertig. Er werd tevens een overdekte speelplaats, een hangar, gebouwd voor 675fr. Daar konden de kinderen spelen als het regende, een deel van de hangar was bestemd voor de schippersbond. De aangeboden vakken waren gericht op het schippersberoep; de jongens kregen technische lessen over navigatie en de meisjes leerden allerlei handwerk. Op zon- en feestdagen en op zaterdagnamiddag waren er speciale lessen in lezen en schrijven en in catechismus. Gedurende de weekdagen werd in de voor- en namiddag een half uur vrij gemaakt om voorbereidingen te treffen tot de Eerste Communie van de kinderen.

Op één september 1912 vertrok P.Ubald terug naar de missies en werd hij vervangen door P.Eugeen. Er waren toen gemiddeld 40 kinderen per dag. Tijdens de maanden november en december werd geen les gegeven omdat de meeste schepen naar Frankrijk vertrokken waren om er de bietencampagne te doen. Deze tijd werd dan gebruikt om de schooluitrusting te verfraaien en om het nodige materiaal aan te kopen om er een echte “beroepsschool” van te maken. P.Luciaan schreef een brief aan het Ministerie van Arbeid en Nijverheid om erkenning van een “Vrije Schippers-Beroepsschool” te vragen teneinde steun te kunnen genieten van de Staat, de Provincie en de Stad. In januari 1913 kreeg de school bezoek van een afgevaardigde van het Ministerie en op 30 augustus 1913 werd de schipperschool als Vrije Beroepsschool erkend.

Men had nu een schippershuis en een schippersschool maar geen geld. Men richtte een grote tombola in om al de gedane onkosten te kunnen dekken. De koning en de koningin, twee ministers, mgr. Waffelaert, gouverneur Ruzette en zelfs de staalfabrieken rond Dusseldorf zorgden voor 102 prachtige prijzen. Er werden 40.000 loten verkocht en de staat gaf een eerste toelage van 1.096fr, de provincie van 475fr en de stad Brugge gaf niets. Er werden ook nog twee liefdadigheidsfeesten georganiseerd met een opbrengst van 1.400fr. Het aantal leerlingen groeide zo snel dat één leermeester niet meer volstond. Er werd een onderwijzer aanvaard voor een loon van 400fr per jaar.

De eerste wereldoorlog belemmerde de groei en de verdere ontwikkeling van de school. Van twaalf tot drieëntwintig oktober 1914 werd de school tijdelijk gesloten daar de meeste schippers met hun boten naar Sluis (Nederland was niet bij de oorlog betrokken) waren gevlucht wegens de opmars van de Duitse troepen. Op zevenentwintig oktober werd de school heropend en werd er herbegonnen met de overgebleven leerlingen. Op zeven november moest de school echter opnieuw sluiten daar de Duitse overheid alle bruggen liet blokkeren. De school bleef gesloten tot twaalf april 1915. In februari had de bezetter het schippershuis, behalve twee klaslokalen, in beslag genomen en er een lazaret voor gewonde soldaten ingericht. Tijdens deze moeilijke oorlogsjaren werd er aan de schoolgaande kinderen dagelijks soep bedeeld. Op negen augustus stierf P.Eugeen, de leermeester van de school. Op drie november werd de school op bevel van de Duitse Kommandatuur ontruimd. P.Luciaan kreeg twintig soldaten ter zijner beschikking om daarbij te helpen. De inboedel van de school werd overgebracht naar de Kleine Walweynstraat nr 5, een huis dat toebehoorde aan de weduwe Verdonck-Demonie. Daar werden de lessen onmiddellijk hervat voor de overgebleven schipperskinderen. Na de oorlog was de school aan de St.Pieterskaai niet meer bruikbaar en toch had P.Luciaan de moed om te herbeginnen namelijk in de hof van de Kapucijnen in de Clarastraat, langs de zijde van de Komvest, want daar hadden de Duitsers een barak, die dienst had gedaan als opslagplaats voor benzine, laten staan. Alle schoolbenodigheden werden van de Kl. Walweynstraat naar daar overgebracht en korte tijd nadien konden de lessen hervatten. In augustus 1919 barstte een andere bom. P.Luciaan werd uit Brugge overgeplaatst naar het klooster in Aalst. De politieke tegenstrevers hadden met een leugen- en haatcampagne resultaat gehad. De schippers en dokwerkers trokken met delegaties naar de oversten van de Kapucijnen en naar de Bisschop, maar niets mocht baten. De opvolgers waren P.Henricus en P.Firminus. Deze laatste werd korte tijd nadien vervangen door P.Gaspar, die als onderwijzer werd aangesteld samen met juffrouw Verdonck. Vermits de haven nog grotendeels onbruikbaar was en de scheepvaart op vele plaatsen onderbroken was door het springen van bruggen en sluizen was het schooljaar 1919-20 begonnen met een gering aantal leerlingen. Bovendien waren de meeste leerlingen dokwerkerskinderen en geen schipperskinderen. De toestand was zo kritiek dat de paters besloten om de school over te laten aan het bisdom, een soort noodkreet. De Bisschop liet weten dat hij dat een slechte oplossing vond en dat indien de schipperschool ophield te bestaan er ook een kruis (sic) mocht gemaakt worden over het schipperswerk. P.Luciaan kwam nu en dan naar Brugge om de zaken te regelen. Door zijn bemiddeling kreeg de bewaarschool een subsidie, waardoor er een jaarwedde kon betaald worden ad 3000fr. Een staatssubsidie ad 1.002fr, de provincie gaf 500fr en voor het eerst gaf de stad een bedrag van 500fr.

Stilaan hernam het leven zijn gewone gang en de school kreeg de allure van een “echte” school. De gewestelijke inspecteur kwam op bezoek en ging zeer voldaan over het peil van de lessen terug weg. De kantonale inspecteur kwam enkele dagen later en was verrast door de kennis van de leerlingen. Het aantal leerlingen steeg voortdurend: in het schooljaar 1920-1921 waren er 54 en in 1921-1922 72.

Op 12 oktober 1921 werd de schippersbond heropgericht maar wel als afdeling van de Nationale Schippersbond van Antwerpen. Eind 1921 werd de barak aangekocht door de Kapucijnen voor 3.000fr. Na het schooljaar 1921-1922 verliet P. Gaspar het schipperswerk om missionaris te worden in de Punjab (India). Hij werd vervangen voor de dokwerkers door P. Gustaaf en voor de school en de bond door P. Didacus.

Het lesgeven gebeurde niet in ideale omstandigheden: een barak was maar een barak. Men wachtte vol verwachting op de uitbetaling van de vergoeding voor de oorlogschade aan het verdwenen schippershuis langs de St. Pieterskaai. P. Henri werd op 2 januari 1924 als bestuurder van het schipperswerk opgevolgd door P. Didacus. P. Gustaaf werd door P. Tillo vervangen voor de dokwerkersbond. Het tijdperk van P. Tillo en P. Didac begint in 1924. P. Tillo slaagt er in om de oorlogsschade voor het verdwenen schippershuis te laten uitbetalen. Na enkele maanden wordt 140.000fr. gestort. Op 2 oktober 1924 waren er twee nieuwe klassen klaar samen met een muur van 160m. lang die al de (latere) gebouwen moest omsluiten. Dit alles had 250.000fr. gekost. En toch was P.Tillo niet tevreden. "In deze geitenbarak blijf ik niet wonen" en ook P.Didac bleef dromen van een "echte" school voor schipperskinderen. Op een dag tijdens een vieruurtje riep P.Tillo plots uit: "We gaan er aan beginnen" en P. Didac repliceerde "Dat kunt ge niet, waar gaat ge het geld halen?" Die dag schreef P.Tillo een eerste brief van een hele reeks brieven, aan de gouverneur en alle instanties en overheden. Hij ging persoonlijk naar al wie maar enigszins kon helpen. Enkele weken later liet de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen weten dat ze 100.000fr. toekenden voor de bouw van een nieuwe schippersschool. Het schepencollege van Brugge volgde dit goede voorbeeld en gaf 50.000fr. P. Raphael, de provinciaal, gaf zijn goedkeuring om een nieuwe school te bouwen. Men kon dus beginnen met de werkzaamheden. Maar, tijdens het kapittel dat in 1925 gehouden werd, zond men P. Tillo naar Antwerpen. Niemand geloofde het nieuws. Dit kwam aan als een klap in het gezicht. Alles stond overeind maar toen hij klaar stond om uit Brugge te vertrekken kwam het bericht dat hij mocht blijven. Alsof er niets gebeurd was, richtte hij een tombola in met als resultaat een som van 42.000fr. P. Tillo mocht van de bisschop in alle kerken van het bisdom bedelpreken houden voor de bouw van de schippersschool. Dit bracht 38.000fr. op. Men had genoeg om te beginnen en op 6 februari 1926 was het zover. Men bouwde de school naar een ontwerp van Architect Alphonse De Pauw (1867-1937) In juli van dat jaar was de kostschool klaar en P. Tillo ging op zoek naar kloosterzusters want zei hij "Zonder zusters geen kostschool". Eerst naar Dendermonde maar daar lagen de financiële eisen te hoog. Dan naar Pittem en dat was vlak in de roos: Hij kreeg van de algemene overste vijf flinke jonge zusters. Zij moesten alleen logies, eten en kleren krijgen. Op 23 augustus 1926 kwamen ze toe, begaafd met godsvrucht, vlijt, zelfopoffering en moederlijke zorg. De kostschool ging haar deuren openen op 16 september 1926. Maar zullen de kinderen wel komen? Ondertussen voerde P. Tillo zware discussies met Kamiel Huysmans en Polderman over de schoolplicht. P. Tillo won het pleit na een historisch bezoek op 14 september aan minister Huysmans. Per klas moest men minimum 15 leerlingen hebben. En ze kwamen maar langzaam. Begin 1927 waren er 38 schipperskinderen, dit betekende één zuster met één klas en één juffrouw met één klas. P. Didac gaf godsdienst aan al de kinderen en 's avonds studie. Men droomde van een kapel maar er kwamen zoveel kinderen dat de voorlopige kapel in een slaapzaal werd omgetoverd. Maar met Pasen stond de kapel er en in mei deden de jongens en meisjes er hun plechtige communie in en werden er gevormd. In al de kerken van Brugge werd een schippersdag gehouden, dat bracht 23.000fr. op. Nu had de school volle wind in de zeilen. Het nieuwe schooljaar 1927-1928 zag het aantal leerlingen stijgen tot 52 kinderen. Er kwamen twee zusters bij en op derde paasdag werd de nieuwe bouw begonnen van klassen, negen cellen, een ziekenkamer, een badkamer, een droogzolder, alles onderkelderd, optrekken van de ringmuur, een speelzaal, vergroten van de speelplaats. Er waren vier klassen en P. Didac gaf les in scheepvaartkunde en Frans. Het schooljaar 1928-1929 ziet 75 leerlingen opdagen. Weer komen er twee zusters uit Pittem. P. Tillo schudt de heren in Brussel wakker om het wetsontwerp over het onderwijs voor schipperskinderen tot wet te stemmen. Op 26 februari 1929 wordt dit wetsontwerp in de ministerraad aangenomen. Op 19 april 1929 komt koning Albert I met minister Heyman, de bisschop, de gouverneur, de burgemeester en schepenen op bezoek in de schippersschool. Bij het vertrek van de koning overhandigde P. Tillo hem een brief. Zeven dagen later, op 26 april 1929, werd in de Kamer het wetsontwerp over het onderwijs voor schipperskinderen goedgekeurd met 103 voor- tegen 1 neen-stem en 1 onthouding. P. Tillo en P. Didac triomferen. Op 8 mei wordt deze wet ook in de Senaat aangenomen met algemeenheid van stemmen. Op 12 augustus 1929 werd de vierde bouwfase aangevat: 4 nieuwe klassen, een feestzaal, een huishoudklas en een beroepsklas voor P. Didac. Dit had 280.000fr. gekost. Men had nu plaats voor 140 kinderen. Bij het schooljaar 1929-1930 werden 78 leerlingen ingeschreven.

Een nieuwe en moeilijke uitdaging deed zich voor: de school moest erkend en aangenomen worden door de Staat om de bij de wet van 1929 voorziene toelagen te kunnen krijgen. Op 25 februari 1930 was het zo ver en ontving men het officiële document waarbij de school door de Staat aanvaard werd en dus gesubsidieerd zou worden. Dit met terugwerkende kracht van 1 juni 1929. Het schooljaar 1930-1931 werd begonnen met 90 kinderen en weer kwamen er twee zusters uit Pittem bij.

P. Tillo en P. Didac krijgen omwille van hun vele verdiensten de gouden palm in de kroonorde.

In januari 1931 een volgende bouwfase: een nieuw washuis, ziekenkamers, verlenging van de slaapzaal, centrale verwarming. In de loop van dat jaar kwam er opnieuw een zuster bij. 1931-1932: 134 leerlingen. P. Didac werd door het vele werk en de zorgen ziek en hij werd vervangen door een onderwijzer. P. Didac hield zich van dan af alleen bezig met de schippersbond. Op 13 mei 1932 wordt P. Tillo door de koning ontvangen. Het was een onderhoud over de algemene toestand van de schippersbevolking, maar het ging ook over het wetsontwerp dat door P. Tillo en P. Didac opgesteld was, houdende een wijziging van de wet van 15 mei 1929 voor wat aangaat het regelen van het kostschoolgeld. Op 15 juni 1932 is het wetsvoorstel met algemeenheid van stemmen goedgekeurd in de Kamer. Op 14 september heeft de Senaat het wetsvoorstel als wet aangenomen. Kort na elkaar was P. Tillo nog driemaal bij koning Albert I in audiëntie. In het Stadsarchief zijn de meeste bouwaanvragen bewaard.


Wereldoorlog II


Het werd een wilde vlucht. De schippers kwamen hun kinderen halen en in hun plaats kwamen 165 Hollandse vluchtelingen, Belgische soldaten en schippersgezinnen van gezonken en uitgebrande schepen. Ze bleven slapen en kregen eten en waren gehuisvest langs de jongenskant. Ze lagen in de kapel tot onder het altaar. Soms werd 35.000fr. per week uitgedeeld. De Commissie van Openbare Onderstand wilde steungeld aan de schippersgezinnen geven maar P. Tillo en P. Didac moesten hier voor de administratie doen. Op drie dagen hebben ze 800 dossiers klaargemaakt. Elke zaterdag werd er 60 tot 80.000fr. uitgegeven. Vele schippers waren hun schip afgepakt door de Duitse bezetter om de "kop" (de voorsteven) af te branden. Ze zouden gebruikt worden voor de invasie van Engeland. Eind april valt er een bom op de schippersschool en men komt er met de schrik van af: alleen een paar scheuren in de muur en wat plaaster dat van de zoldering gevallen is. De schade wordt vastgesteld op 60.000fr. en wordt vergoed door het Commissariaat van Wederopbouw. In 1942 komen vier Duitse officieren om te spreken over de inbeslagname van de schoolgebouwen. Maar dankzij diplomatie, lekker eten en drinken ging dit niet door en mocht men aan het nieuwe schooljaar beginnen. Er waren 70 leerlingen en velen onder hen kregen mazelen maar ook deze ziekte werd overwonnen. Een zuster en een onderwijzer echter waren langdurig ziek. 1944 was een onzeker jaar, met hoogten en laagten. De Duitsers verjaagden de schippers van hun schip en weer zakten deze af naar de vertrouwde schippersschool te Brugge.

Men wachtte op de bevrijding. De bezetter trok zich noodgedwongen terug en blies op de terugtocht sluizen en bruggen op. Van de school waren de meeste ruiten kapot, vele pannen waren weg maar iedereen leefde nog en de schoolmuren stonden nog recht.

 

Een nieuwe start

 

De school moest opnieuw beginnen. Weer werd er gebouwd: een kelder, een nieuwe klas, cellen voor de zusters, een nieuwe zolder, aanpassing van de centrale verwarming en hier en daar nog wat herstellingen, dat alles voor de som van 900.000fr. Men kreeg ook nog een stuk grond bij. In de maand januari van 1946 kregen de kinderen en de zusters de griep. Daar kwamen ook nog enkele gevallen van kroep bij. Veel miserie en leed. In het schooljaar 1946-1947 werd er weer fors gebouwd voor een som van bijna 3 miljoen fr. nieuwe refters, nieuwe ziekenkamers, een lift, douches voor de kinderen. Eind oktober krijgt de schippersschool voor de tweede maal bezoek van de rode koorts en moeten 29 leerlingen naar het ziekenhuis en al de anderen gaan aan boord.

De school werd voor een periode gesloten. Door het groot aantal leerlingen kwam er een achtste klas bij. P. Didac werd na de oorlog bestuurslid van "De Hogere Raad van de Binnenscheepvaart", van "Het Fonds voor Onderlinge Bijstand" voor geteisterde schippers en van "Het Steunfonds voor Noodlijdende Schippers". Hij heeft door bestuurslid te zijn van deze organisaties veel kunnen regelen wat betreft oorlogsschade. Vele schippers danken dan ook de snelle afhandeling van hun schadedossier aan P. Didac.

In de jaren 1947-1948 waren er 180 leerlingen en kreeg de schippersschool  P. Odiel als derde man toegewezen. Hij verving P. Didac als surveillant bij de kinderen. Hij was buiten surveillant ook de klusjesman: niets was hem te veel of te lastig. In 1951, op 1 november, vierde men het 25 jarig bestaan van de Brugse schippersschool. Er was massale belangstelling van schippers en oud-leerlingen maar ook de stedelijke en geestelijke overheid ontbrak niet. 1952-1953: 187 leerlingen, ondanks de oprichting te Gent van een kostschool voor schipperskinderen.

Op 7 september 1953 overleed moeder Eulalia, één van de zusters van het eerste uur en ook de eerste overledene van de schippersschool. Het was een groot verlies want zij was een vrouw met hart en verstand. Het grootste deel van de school heeft zij helpen bouwen. In de jaren 1954-1955 en 1956-1957 bleef het aantal leerlingen op peil, ca.180. Er moeten twee nieuwe klassen komen, een nieuwe slaapzaal en een plaats voor de 14-15 jarigen, die nu in de school moeten blijven want de leerplicht is verlengd.

In de kloosterhof staat een oude schuur en na lang aandringen wordt deze afgebroken en wordt de vrijgekomen grond aan de schippersschool gegeven. Men begint onmiddellijk met de nieuwbouw, voorziene kosten: 1,2 miljoen. De centrale verwarming wordt vernieuwd en voortaan met olie gestookt, kostprijs 500.000fr. Mgr. Desmedt deed bij deze gelegenheid een prachtige geste en P. Tillo mocht in de kerken gaan preken over en voor het schipperswerk. Begin 1957 was de bouw af. In dat schooljaar waren er voor de eerste maal minder ingeschreven kinderen. P. Odiel werd vervangen eerst door P. Filemon en na een jaar door P. Hugolien. Deze wordt in 1959 aangesteld als surveillant. P. Tillo moe gewerkt en moe gestreden wordt ziek en vraagt zijn ontslag als directeur. Tijdens de schoolvakantie van het jaar 1960 kreeg hij een trombose. Hij verbleef lange tijd in de kliniek, kwam voor een paar dagen naar "zijn" school waarbij hij ondersteund moest worden. Een leeuw was geveld. Hij ging weer naar de kliniek om te rusten en vroeg voor de tweede maal zijn ontslag als directeur van de schippers ­school. Op 3 augustus 1961 nam hij zijn intrek in het klooster te Izegem, waar hij op 28 februari 1962 overleed, hij werd geboren te Izegem op 8 juni 1888. P. Eymard Daem volgde hem op. Zo eindigde het leven van de man die de schippersschool van Brugge stichtte en bouwde, die voor de school miljoenen heeft bijeen gebedeld, die de wetgeving voor het onderwijs voor schipperskinderen, samen met P. Didac, definitief heeft helpen regelen en die met pijn in het hart "zijn" school moest verlaten, geestelijk en lichamelijk geknakt.

Einde het schooljaar, in juni 1962, nam P. Didac afscheid van de school en de schippersbond, na 41 jaar in dienst gestaan te hebben van de schippersbevolking.

Hij was de man in de schaduw van P. Tillo, de man die niet opviel maar hij mag een der grootste pioniers voor het onderwijs voor schipperskinderen genoemd worden. Hij was ook een van de eersten, zonder P. Luciaan te vergeten, die op sociaal, juridisch en economisch gebied voor de belangen van de schippersgezinnen opkwam en streed.

P. Didac stierf op 30 november 1971 te Izegem, hij was op 18 augustus 1894 geboren te Pittem. In diezelfde maand volgde P. Rochus hem op.               

Een nieuw tijdperk
In het schooljaar 1962-1963 begon P. Eymard onmiddellijk met vernieuwingsplannen. Een algemene modernisering werd doorgevoerd.  P. Rochus had het moeilijk als leek in het vak maar paste zich snel aan. Een deel van de kloosterhof werd aan de school geschonken. Men bouwde er vier nieuwe klassen en een slaapzaal op. Er werd ook een nieuwe keuken geïnstalleerd en een nieuwe speelplaats aangelegd.

De jaarlijkse schippersfeesten, ingericht in de Brugse schippersschool, kenden een reusachtig succes. De schippersfamilies kwamen van einde en verre. De opbrengst diende voor de financiering van de bouwwerken. Tijdens de schooljaren van 1966 tot 1970 bleef het aantal leerlingen stijgen. Langs de meisjeskant kwamen er drie klassen en een slaapzaal bij, langs de jongenskant twee klassen en ook een slaapzaal.

In deze periode werd de school gesplitst in een jongensschool en een meisjesschool. Het hoogste aantal leerlingen ooit werd bereikt, namelijk 345. In die jaren werden ook B.L.O.- klassen opgericht. In 1967 werd het klooster van de paters Kapucijnen in de Clarastraat verkocht en een deel van hof kwam ter beschikking van de school, die er een speeltuin maakte. Het kinderkoor van de schippersschool zong in het Amerikaans Theater te Brussel, het verscheen op de televisie in het programma "Dolle Dinsdag" van de B.R.T. Het koor trad op met Eddy Wally en trad ook nog op te Gent, Antwerpen en Scherpenheuvel. De school kende grondige wijzigingen. Voor het eerst daalde het aantal leerlingen en tegen 1980 zijn er nog 167 ingeschreven. De opgerichte B.L.O.­klassen moeten verdwijnen evenals de vierdegraadsklassen. De modernisering van de school werden verder gezet. Op het nieuwe gebouw werd nog een verdieping gezet nadat het bestaande gebouw werd verlengd. De oudere gebouwen aan de voorkant werden afgebroken en in de plaats kwamen spreekkamers, burelen, een slaap- en ontspanningszaal. Voor de kinderen van de afgeschafte vierde graad huurde men een gebouw, toebehorend aan de St. Jozefskliniek, waar de meisjesstudenten logeerden en opgevangen werden door een opvoedster. De oudere zusters werden vervangen door leken opvoed(st)ers. P. Hugolien werd internaatsbeheerder. Op het einde van 1980 werd P. Eymard vervangen door P. Rochus als directeur van de school en de bond.

 

Hoe het eindigde.

In de periode 1980-1990 zag P.Rochus af van verdere nieuwbouw. Zijn leuze was: "Eerst het bestaande goed onderhouden en dan zien wat nog kan". De school had nieuwe impulsen nodig en men moet de schippersfamilies dringend laten weten dat de school nog bestaat. Er werden een reeks feestvieringen op touw gezet o.a. het zilveren priesterjubileum van P. Rochus en P. Hugolien. De minister van onderwijs Daniel Coens bezocht de school en de kranten berichtten hierover. Ter gelegenheid van een van deze feesten treden de kinderen op in de stadsschouwburg van Brugge met de "Good old days Show", wat weer publiciteit voor de schippersschool betekende. De grote schoolfeesten werden weer ingericht en met succes. Het aantal leerlingen groeide terug aan gedurende een vijftal jaren. De zusters werden stilaan vervangen door leken en in 1986 waren er geen zusters meer die rechtstreeks met de kinderen in contact stonden. Leken kwamen in hun plaats, zowel in het onderwijs als in de opvoeding, zowel in het toezicht als in het onderhoud.

Door allerlei omstandigheden kwam de schippersschool in ernstige problemen; qua aantal leerlingen, de zusters die naar andere scholen waren, men had gerechtskinderen aanvaard en dat namen de schippers niet, minder kinderen per gezin, minder schippers, meer schipperskinderen die naar een gewone walschool gingen. Op 1 oktober 1989 moest de lagere school van de Brugse schippersschool haar deuren sluiten bij gebrek aan voldoende leerlingen. Op het ogenblik van de sluiting had deze school meer dan 60 jaar bestaan.

De schippersschool van Brugge en de daarmee onverbrekelijk verbonden schippersbond, heeft een niet te onderschatten rol gespeeld in de ontvoogding en het mondig maken van de schippersmensen. De voornaamste voortrekkers P. Luciaan en P. Juliaan, P. Tillo en P. Didac, hebben deze mensen uit hun geestelijke, sociale en economische nood en zwakheid gehaald door ze bijstand, onderwijs en zelfbewustzijn te geven. Wie na hen kwamen konden verder bouwen op hun pionierswerk.

De Belgische binnenvaartgemeenschap is in grote mate schatplichtig aan de paters Kapucijnen, maar ook aan al diegenen die hen geholpen hebben in het schipperswerk, zowel de zusters van de schippersschool als de leken als onderwijzer(es) of opvoed(st)er, of als bestuurslid of medewerk(st)er in de schippersbond,  Het Nieuwe Roer, Ons Roer, de oud leerlingenvereniging BOBS.

En nu vraagt u zich misschien af: Wat gebeurt er of is er gebeurd met de gebouwen van de Brugse schippersschool? De oostelijke vleugel is reeds meerdere jaren eigendom van de hotelschool "De Groene Poort" uit Brugge, die er een internaat voor haar leerlingen heeft van gemaakt. De kapel en de daar achterliggende gebouwen, werden aangekocht door een vereniging van huisartsen die er een eerste hulppost, een soort spoeddienst ingericht hebben waardoor de sociale functie van de vroegere schipperschool behouden blijft. Een van de initiatiefnemers van deze spoeddienst heeft mij verzekerd dat alle gebouwen in de oorspronkelijke staat zullen bewaard blijven uit eerbied voor wat hier ooit verwezenlijkt werd voor de schippersmensen. De westelijke vleugel en de daar achterliggende tuin werd aangekocht door een bouwpromotor die er woningen en appartementen zal bouwen.

Tot slot nog één pittig detail: De schippersverenigingen, de Bond van Eigenschippers, Het Nieuwe Roer en de Vriendenkring van de Brugse Schippersschool zijn verhuisd van de Komvest 40 naar de St. Pieterskaai 74, dus op de plaats waar het allemaal begon. De cirkel is dus rond.

 

Schippersschool

Deze foto's komen hoofdzakelijk uit het archief van Gerard en Annie Van Hecke-Buysse.

Koning Albert in 1929 op bezoek K. Albert op bezoek in 1929 Toneelzaal Speelzaal jongens Speelterrein Speelplaats meisjes Snit- en naaiklas Rust na het spel Voorgevel school Laagste afdeling meisjes Middenafdeling jongens Hoogste afdeling jongens Klas jongens Huishoudklas meisjes Eetzaal jongens Klasfoto 1912 De 5 eerste zusters Klasfoto 1922 Schooljaar 1926-27 Plechtige communie 1938 Eerste communie 1939 1ste kapel 25 jarig bestaan Fanfare Klasfoto 1915 Glasraam Pater Tillo Glasraam Pater Didak Voorgevel en toren Pater Didak Pater Tillo Glasraam Klasfoto 1922 Voorgevel Voorgevel Voorgevel-detail Kapel Glasraam Lourdesgrot Vergaderzaal