Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

1913

De streek van St.-Kruis-Moerkerke werd in november 1913 in opschudding gebracht door twee bloedige drama's.

1. Bij de Doornhut.
Op donderdag 6 november, rond 18 uur, trokken twee wildstropers er op uit met een lichtbak, op de jachtgronden van de grondeigenaars de Schietere de Lophem en Ernest Visart de Bocarmé, bij de Doornhut te St.-Kruis. De eerste, Emiel Mombailliu 37 jaar, wonende Torhoutse steenweg in St.Andries, trok voorop. Hij droeg de lichbak op de borst en had het geweer in de hand. Zijn makker, Constant Ingelrelst, wonende Peerdestraat te Assebroek, droeg een zak om het geschoten wild op te rapen. Mombailliu was een goede schutter: hij had reeds een haas en drie konijnen geschoten. Bij het hofsteedje Van Damme, tussen de Moerkerkse steenweg en de gravier naar Male, bleef Mombailliu staan te midden een meers om een konijn te schieten. Almeteens werden twee schoten op hem gelost. Hij was zwaar gekwetst in de buik. De twee wildstropers vluchtten weg, maar na 60 meter viel Mombailliu in een gracht en kon niet meer opstaan. Alhoewel hij 112 kgr woog, haalde Ingelrelst hem er uit, legde hem op de graskant en trok naar huis om zijn zoon en een kar te halen. Toen ze terugkeerden ontmoetten ze de gekwetste bij de Vossesteert, op 20 minuten van de plaats van het drama. Met de kar werd hij dan naar zijn huis gevoerd te St. Andries. ’s Anderendaags werd er een dokter bijgeroepen, die hem deed overbrengen naar het gemeentelijk hospitaal van St.-Andries. Mombailliu overleed aldaar de vrijdag om 14 uur. Over het drama had hij niet de minste uitleg gegeven.
De overledene liet vier kinderen na, waarvan het jongste amper drie maanden oud was.
De twee schoten waren afgevuurd door de jachtwachter Medard Van Dierendonck, die op donderdag 6 november rond 19 uur op ronde was. Hij zag een lichtbak, verborg zich achter een elzenhaag en laadde zijn geweer. Op 50 m. afstand riep hij:"Garde-chasse! Handcn omhoog!" en loste twee schoten. Hij had de zaak niet kenbaar gemaakt omdat hij niet wist dat er iemand getroffen was. Hij had geschoten met postkardoezen met twaalf kogeltjes en had Mombailliu getroffen. Het was echt een wonder dat ook Ingelrelst niet getroffen was.
De jachtwachter, die beëdigd was, werd te Gent opgesloten, waar hij moest verschijnen voor het Beroepshof. Na enkele weken werd hij ziek en werd hij in voorlopige vrijheid gesteld. Op maandag 26 januari 1914 werd hij veroordeeld tot één jaar gevangenis en moest hij een schadeverzoeding van 2.200 fr. uitkeren aan de weduwe van het slachtoffer. Ingelrelst werd veroordeeld tot 600 fr. boete of 3 maanden gevangenis.

2.Te Vijvekapelle.
Drie weken na het wildstropersdrama aan de Doornhut, werd het gewest op
nieuw in opschudding gebracht door een ander drama dat nooit werd opgehelderd.
Op woensdag 26 november had Ignace de Thibault de Boesinghe, de 33-jarige bewoner van het kasteeltje Altena te Vijvekapelle, deelgenomen aan een klopjacht bij Pierre van der Plancke te Oostkamp. Rond 18 uur was hij te Brugge terug en ging zijn 26-jarige vrouw, dochter van baron Stienon du Pré, burgemeester van Doornik, afhalen bij zijn moeder in de Langestraat. Aan de halte van de IJsput, buiten de Kruispoort namen ze de stroomtram Brugge-Middelburg om naar huis te rijden. Om 19.05 stapten ze af aan de tramhalte "Het Wonderjaar", schuin rechtover de dreef van het kasteel Altena.
Al vertellend trok het paar de dreef binnen. Het étui, dat zijn jachtgeweer bevatte, droeg Ignace over de linkerschouder en rechts gaf hij de arm aan zijn vrouw. Halverwege de dreef, op een tiental meters achter hen, ging een schot af. I. de Boesinghe viel op de grond en sleurde zijn vrouw mede, die als bij wonder ongedeerd bleef. Hij riep dat hij dodelijk gekwetst was. Zijn vrouw liep al hulproepend naar het kasteel, waar het dienstpersoneel, dat zijn meesters verwachtte, toegelopen kwam.
De gekwetste werd te bed gelegd en een dokter en de pastoor werden bijgehaald. Het slachtoffer was zwaar gekwetst door een postkardoes. Vier kogeltjes waren in de linkerzijde gedrongen, vier hadden de kolf van het geweer verbrijzeld, en één had de linkerhand doorboord. Na een kalme nacht was het slachtoffer overleden op donderdagmorgen om 9 uur, tengevolge van een inwendige bloedstorting. Hij stierf bij volle kennis. Hij had niets gezien en kon geen de minste aanduiding geven om het gerecht in te lichten.
Terstond na de moordaanslag was de gendarmerie van Brugge verwittigd en die zond om 20.30 uur vijf gendarmen ter plaats, die tot 2.30 uur  ‘s nachts, de nodige vaststellingen deden en op zoek gingen naar de doder. Het slachtoffer had nooit maatregelen genomen tegen de talrijke wildstropers uit de streek. De moordenaar kon zich ook niet hebben vergist, denkende twee gendarmes te zien. Het was een heldere nacht en daarbij was de vrouwenstem duidelijk te horen.
De moordenaar had alles sluw aan boord gelegd. Hij lag geknield achter een boom in een gracht vol dorre bladeren, steunende op zijn ellebogen op de graskant, hield hij zijn geweer in de hand. De bladeren en de graskant waren ingedrukt, maar gaven geen duidelijk spoor. In een omtrek van 500 meters vond men geen enkel verdacht voetspoor. De dader moest op de graskanten gegaan zijn. Al de inwoners uit de naaste omgeving werden onderhoord. Sommigen werden uit hun bed gehaald. De meesten hadden wel een schot gehoord, maar daarop geen acht gegeven omdat er ‘s avonds in de streek zoveel geschoten werd. Noch voor, noch na de misdaad had iemand een verdachte persoon gezien. Later vond men toch voetsporen in den aardeweg die naar het kasteel leidt. Een paar in het gebuurte aangeslagene schoenen pasten heel goed in de voetsporen, op een kleine bijzonderheid na.
Het slachtoffer werd op maandag 1 december te Vijvekapelle begraven na een lijkdienst om elf uur. Veel leden van de adel, hoge ambtenaren en magistraten uit Brugge en Doornik waren in de lijkdienst aanwezig.
Het slachtoffer en zijn vrouw vormden een gelukkig huishouden. Zij hadden twee kinderen: een meisje van 6 jaar en een zoontje van 4 en ze stonden zeer gunstig aangeschreven in het gebuurte, waar zij veel goed deden.
D
e volgende dagen was het een echte begankenis naar de plaats van de moord. In de schors van de boom, waarnevens de moordenaar had gezeten, had men een kruisje gesneden. Ondertussen tastte het gerecht in het duister. De moordenaar had alles tot in de puntjes verzorgd om te doen geloven aan een wildstropersdrama. Reeds op 30 november had mevrouw de Boesinghe een premie van 5.000 fr. (225.000 fr. in onze huidige munt) uitgeloofd aan alwie het eerst het gerecht op het spoor van de dader kon brengen. Dit werd bekendgemaakt in een gedrukte mededeling van de onderzoeksrechter Soenen, die overal in de herbergen van de streek werd uitgehangen. Als jongen heb ik deze mededeling zien hangen in de herberg van het Gemeentehuis te Assebroek.
Zoals dit altijd gebeurd in dergelijke gevallen, waren veel valse geruchten in omloop en werd veel gebabbeld. Zo werd verteld dat een goede vriend van de familie, de 31-jarige luitenant Alexandre Halleux, een van de schitterende officieren van het derde regiment Lansiers te Brugge, de moordenaar was.
Ook daarover werd door het gerecht een onderzoek ingesteld, dat toonde dat de officier volledig onschuldig was. Misschien was het tengevolge van deze verdachtmakingen dat de weduwe van het slachtoffer zich later verloofd heeft met luitenant Halleux, wat de lasterpraat nog meer in de hand werkte.
Op het einde van december 1913 zond een Brussels blad La Chronique een speciale korrespondent naar Brugge, die een reeks sensationele bijdragen publiceerde, alsof de moord een liefdesdrama zou geweest zijn. Nog in maart 1914 werd het gerechtelijk onderzoek voortgezet, dat nooit licht bracht in de zaak. Het enige dat nog aan deze moord herinnert is het kapelletje opgericht door Mevrouw de Boesinghe op de plaats waar haar echtgenoot beschoten was. Boven de deur aldaar staat eenvoudig gebeiteld: "I. de Thibault de Boesinghe,
27. 11. 1913".