Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Weet iemand waar dit wapenschild van Viven vandaan komt?

1. Bij de wandeling van St.-Guthago naar Vijve-kapelle en Moerkerke, in Rond de Poldertorens, jg 1970, door René De Keyser.

 De weg die in de Middeleeuwen van Brugge naar Aardenburg liep, splitste zich even ten oosten van St-Kruis-kerk, in drie bijna evenwijdig lopende wegen. Zij liepen alle drie ongeveer gelijk met de grens tussen de Polderstreek en de Zandstreek. Deze wegen zijn de volgende. De Noorderen Bruggeweg, nu algemeen gekend als de Leegweg. De Middelen Bruggeweg, nu de Steenweg van St-Kruis over Vijve-kapelle, naar Moerkerke en de Weststraat genoemd tussen deze laatste twee plaatsen. Ten laatste, de meest zuidelijke, gewoonlijk Brieversweg genoemd. Vijve-kapelle stond langs de Middelen Bruggeweg, en Moerkerke langs de Leegweg.

In 1240 was Heine of Hendrik van Vijve leenman van de graaf van Vlaanderen. Hij verkocht in vermeld jaar, samen met zijn vrouw en zijn zoon Boudewijn, een onbekende oppervlakte woeste grond aan Egidius van Bredene. Deze laatste stichtte in 1241 de abdij Spermalie langs de Brieversweg op Sijsele, op een domein dat hij in 1228 afgekocht had van Willem van Oostkerke. Vijve-kapelle moet dus bestaan hebben in 1240 vermits er dan reeds een familie leefde die er de naam van droeg.

Volgens een andere versie zou de graaf van Vlaanderen rond 1300 aan de Duitse graaf van Altena, als beloning voor zijn hulp met Duitse strijders in de Gulden Sporenslag, een leen gegeven hebben waarvan de kern het huidige kasteel Altena is. De graaf van Altena zou de omringende bossen hebben laten ontginnen en de arbeiders in deze ontginning zouden de eerste inwoners van Vijvekapelle geweest zijn. Altena ligt zuid aan de Weststraat, tussen dit laatste dorp en Moerkerke.

In 1341 was Vijve reeds een van de 7 contribuante heerlijkheden van het Brugse Vrije. (Dit waren heerlijkheden die voor de rechtspraak volledig onafhankelijk waren van de Schepenen van het Br. Vrije. en alleen bijdragen betaalden in de algemene belastingen). Willem van Calkers was heer van de heerlijkheid en om wet en recht te doen werd hij bijgestaan door een baljuw en zeven schepenen. Het gerechte lag ten westen van het dorp. Calkers was een leen van de Burg van Brugge ten noorden langs de Weststraat noord van Vijve-kapelle dorp. Het had een omwalde woning en die is nu de hofstede bewoond door Hilaire Cys.

In 1351 ging de heerlijkheid van Vijve over in de handen van Margeriet, dochter van Jan van Moerkerke. Het kasteel van de heren van Moerkerke bestaat nu nog in Moerkerke dorp, alhoewel het herhaaldelijk verbouwd werd.

Reeds drie jaar later, in 1354 kwam de heerlijkheid van Vijve in het bezit van de familie Braderic. De Braderics waren tezelfdertijd heren van Boonem. Boonem was een grote heerlijkheid, leen van den Burg van Brugge, gelegen tussen Damme en Vijve, noord van de Leegweg. Er was een omwalde woning en waarschijnlijk hebben de Braderics daar een tijd lang gewoond. Het is nu nog een hoeve bewoond door de familie Barremaecker.

Reeds in 1349 had Jacob Braderie van Paus Clemens VI de toelating verkregen om op Vijve een kapel te bouwen toegewijd aan O. L. Vrouw; zodat de plaats van dan voort Vijve-kapelle werd genoemd. Omtrent 1315 bezaten Joris Braderie fs Joris en Jacob Braderic fs Heinric verschillende tienden rond Boonem, die zij in leen hielden van de St-Kwintensabdij in Vermandois. Door een pauselijke bulle van 5 mei 1409 kreeg Jacob Braderic toelating om een kapelanie te stichten in zijn kapel, en in 1441 kreeg hij de toelating om er de sacramenten te laten toedienen en er begrafenissen te laten doen.

Joris Braderic, die overleed in 1456 en wiens grafzerk nog bestaat in de kerk van Vrasene in het Land van Waas, behoorde waarschijnlijk tot dezelfde familie Braderic die heren waren van Boonem en van Vijve-kapelle. Deze Joris bezat een deel van de warande van Hulsterlo in het Land van Waas. Wij vragen ons af of de Braderics ook niet de hand hebben gehad in de stichting van de kapel van. HulsterIo bij Damme. De ledenlijst van de Gilde van O.L.Vrouw van HulsterIo bij Damme van ‘t jaar 1426 vermeldt o.a. Coelaert fs Jans wonende te Hulst en Heinric fs Oliviers prochiepape van Kieldrueht. Het verband tussen HulsterIo bij Damme en HulsterIo in ‘t Land van Waas blijkt hieruit in elk geval.

Het vermoeden dat Joris Braderic, die stierf in l456 tot de familie behoorde van de Braderics, heren van Vijve-kapelle en Boonem, wordt nog versterkt door het feit dat Jacob Braderic op 31 augustus l456 het patronaat op zijn kapel afstond aan Amselmus Adornis. Waarschijnlijk waren er in de familie Braderic geen mannelijke opvolgers meer, waardoor de kapel en de heerlijkheden overgingen in handen van de familie van Pieter Adornis, die gehuwd was met Elisabeth Braderiec

Door een lid van de familie Adornis werd in 1428 de Jeruzalemkerk te Brugge gesticht en door Pieter Adornis, echtgenoot ven Elisabeth Braderic, tussen 1446 en 1484 een grote hofstede, gaande met de heerlijkheid Boonem, sohonken aan het Kartuizerklooster buiten Brugge. Dit klooster stond waar het rustoord Baron van. Zuylen staat, tussen St-Kruis en de Dampoort.

In 1564 werd de heerlijkheid van Vijve-kapelle aangekocht door Jan Lopez Gallo, die in 1558 de heerlijkheid en het kasteel van Male had gekocht van koning Filips II.

Na de godsdiensoorlogen werd de kapel van Vijve hersteld in 1635, maar in 1721 had Baron François Claeysman, heer van Male en Vijve, een deel van de inkomsten van de kapel tot zich genomen, zodat de kapelaan van Vijve op de zondagen geen mis meer kon opdragen? Een klokje dat het wapenschild draagt van Albert Claeysman, baron van Male en heer van Vijve van 1734 tot 1750, hangt nu in de kerktoren te Oostkerke. Het kwam er in 1944 door oorlogsomstandigheden en het werd gegoten in 1749.

De heerlijkheid van Vijve werd, zoals zovele andere, gedurende de Franse Revolutie verkocht. De toenmalige eigenaar was Karel, graaf van Carnin en Staden, baron van Male en West-Rozebeke en van Vijve.

De kapel die deel uitmiek van de heerlijkheid, werd bij de verkoping door de Fransen aangekocht door Jakob Vlaeminck, inwoner van Vijve-kapelle. Bij het herstel van de eredienst gaf hij de kapel niet terug, doch gebruikte ze als schuur, en dit niettegenstaande hij een groot deel van de aankoopsom verkregen had van de inwoners. Bij zijn dood werd de kapel in 1827 aangekocht door P.E. Verhulst-Van Den Poele. De Brugse familie Verhulst bezat reeds voor de Franse Revolutie een buitenverblijf te Vijve-.kapelle, ten zuiden van de Weststraat, oost bij de kapel. Het omwalde buitenverblijf is nu bewoond door de heer Fr. Douselaere, burgemeester van  Moerkerke. De kapel word terug ingericht voor de goddelijke diensten en door dezelfde familie Verhulst werd rond 1870 een nieuwe neo-gotische kerk bijgebouwd naar de plannen van de Bethune. De oude kapel werd behouden als zuidkoor. Vijve-kapelle werd tenslotte door tussenkomst van.dezelfde familie in 1885 verheven tot kerkelijke parochie met een oppervlakte van 636 Ha. Daarin zijn begrepen 194 Ha. uit de gemeente St-Kruis, 62 Ha. uit de gemeente Damme en 379 Ha. uit Moerkerke. De kerk en het grootste deel van de bewoonde kom staen op het grondgebied van St-Kruis en die zullen dus op 1 januari 1971, samen met deze gemeente, bij Groot-Brugge gevoegd worden.

Bronnen:
A. Van Becelaere: Geschiedenis van Vijve Kapelle
Magda Cafmeyer: Sint-Kruis, Oud en Nieuw
K. De Flou: Top. woordenboek
Eg. Strubbe: Egidius van Bredene
P.J. Brand: Hulsterloo
Gilliodts-van Severen: Coutumes du Bourg de Bruges
R. De Keyser: De heren “van Oostkerke" in de XIle eeuw. Rond de Poldertorens 1961 nr 1
Stadsarchief Brugge: Farde Hulsterlo bij Damme     .
Rijksarchief Brugge: Kerkelijk fonds nr 416 -Registers tienden St-Kwintens 1375

2. Een neogotische droom in 't Oosten van Brugge, Biekorf 1978, pag.313 door Baron Em. de Bethune, Marke

Over het oude Vijve handelen is niet eenvoudig. Deze schets zal zich dan ook beperken tot een zeer korte geschiedenis van de kapel, om dan wat uitvoeriger te spreken over het bouwen van de kerk van het nieuwe Vijve zoals wij die nog heden kennen (1).

De oude kapel
De eerste kapel werd door Hendrik Braderic (2), circa 1350, opgetrokken. Zij werd in de nieuwe kerk ingebouwd en is de zuider zijbeuk ervan geworden.
Een eerste maal werd de kapel door de geuzen verwoest in 1578.
Op 1 december 1797 werd de kapel opnieuw volledig leeggeplunderd, de niet vernietigde kerkmeubelen werden verkocht aan een zekere Maertens, leurder, wonende langs de Lange Rei te Brugge.

Het gebouw, samen met de omliggende gronden, werd verkocht aan Jacob Vlaemynck, kapelmeester, handelend in opdracht van de inwoners van Vijve. Allen hadden hun bijdrage gestort om aldus de kapel te kunnen bewaren. Vlaemynck liet nochtans de koop op zijn naam inschrijven en weigerde het goed aan de gemeenschap over te dragen. In 1802 werd hem een proces aangedaan, maar hij bleef eigenaar van het goed. Na zijn dood werden zijn goederen op 28 juni 1827 openbaar verkocht en toegewezen aan Philippe Verhulst.

Philippe Verhulst, geboren op 2 februari 1777, eerst ontvanger der belastingen te Eernegem, werd in 1811 ontvanger van de toenmalige C.O.O. en in 1835 schepen van de stad Brugge. Dit mandaat vervulde hij tot 1854. Hij stierf op 25 mei 1858 en had twee dochters, Coralie en Eliza (3), die het huidig complex zouden oprichten.

Eigenaar Verhulst restaureerde volledig de kapel en bekwam van Mgr. Malou (bisschop van Brugge, 1849-1864) slechts in februari 1858, dat Vijve een eigen proost zou hebben. A. Van Becelaere, leraar aan het St.-Lodewijkscollege, werd aldus de eerste pastoor van Vijve. Van Becelaere zou 40 jaar later Vijve historisoh beschrijven (4). Over zijn eerste Paasviering vertelt hij het volgende:

«Den 4 april 1858, wezende den 1e Paaschdag, was 't grootsch in de Kapel van O.L.V. van Viven, de gewezen leerlingen van den heer Proost kwamen, 's morgens geheel vroeg, van Brugge, met eenen harmonium, geladen op eene kar met eenen ezel bespannen, en speelden en zongen er de eerste solemneele Mis, in 't midden eener godvruchtige menigte. Na de mis werden zij onthaald en vergast, bij B. Dumon, op het neerhof van 't landgoed van Papa Verhulst. Onderwege, zoo bij gaan als bij keeren, deden de studenten, om de eentoonigheid der reis te onderbreken, van tijd tot tijd, een deuntje op den harmonium, en meester langoor, geboren muziekant, zal niet gelaten hebben er genoegen in te scheppen, en 't met zijne welluidende stem, te vergezeIlen» (5).
Nu een pastoor benoemd was, moest men overgaan tot het bouwen van een pastorie en dit is dan ook het begin van het nieuw ensemble.

Proosdij en Parochie Vijve-Kapelle
De beslissing, om Vijve te bouwen, werd genomen door de familie Verhulst in het jaar 1858. Voor diepgelovige mensen als zij waren, was dit besluit gemotiveerd door de bekendmaking, door Pius IX, van het dogma der Onbevlekte Ontvangenis (6). Als bouwmeester dachten zij aan Jan Béthune, omdat zijn echtgenote, Emilie van Outryve d'Ydewalle, één van hun schoolvriendinnen geweest was in het aristocratische English Convent te Brugge.

Door een brief van E.Verhulst, van 2 maart 1859, werd aan Béthune een plan voor de kerk gevraagd: «Notre désir est de faire les changements en bon style mais dans la plus grande simplicité, tel qu'il convient pour une église de campagne ayant en vue, avant tout, le bien des ames ».

Op 25 mei werden de plannen gevraagd van de pastorie en de werken vingen reeds op 22 juni aan. Om goedkoper te werken werden eiken ter plaatse geveld en scheldestenen gebruikt; "C'est surtout afin que les paysans, dont les chevaux ne sont pas occupés maintenant, puissent les chercher" (7).        .

In datzelfde jaar werd op 16 oktober een aanvang genomen met het bouwen van de school voor jongens. De woning van de Broeders (8) werd op 19 februari 1861 begonnen, terwijl Kan. Tanghe, Deken van Brugge, op 15 juli 1861, een eerste steen van de kerk inmetselde. Deze zelfde eerste steen, gelegen achter het hoogaltaar, werd door Mgr. Malou in september 1861 ingezegend. Daags voordien had de proost zijn intrek genomen in zijn nieuwe pastorie. De werken vorderden snel en Vijve, zoals we het nu kennen, wordt werkelijkheid.

Dat het als ensemble iets enigs is, heeft meer dan één reden.
Vooreerst dat éénzelfde familie, en meer in het bijzonder éénzelfde persoon, namelijk Juffrouw Elisa Verhulst, van het begin af, in 1859, tot haar dood in 1903, steeds de werken gevolgd heeft en, vooral na de dood van haar zuster, om zo te zeggen een hobby ervan gemaakt heeft om haar kerk steeds te verbeteren. Tot aan de dood van Jan Béthune, in 1894, verliep inderdaad geen maand zonder dat zij een brief schreef om hem iets te vragen voor Vijve. Niet minder dan 194 brieven, gericht aan de architekt, leveren het bewijs van haar wil om van Vijve iets zo “Volmaakt” mogelijk te maken.

De tweede reden van de quasi perfektie van Vijve is gelegen in de ploeg mensen die het geconcipiëerd, gebouwd en afgewerkt hebben.

Werkgroep Béthune
Jan Béthune, in 1859, 38 jaar oud (9), had toen reeds negen jaar ervaring en bouwde, op vraag van Baron van Caloen (10), het kasteel van Loppem.

In het concipiëeren van Vijve werd hij geholpen door één van zijn goede vrienden Florimond van de Poele (1832-1875), neef van Coralie en Elisa Verhulst. Duclos schreef over hem in Rond den Heerd  (1875, p. 397): "De Heer had hem begunstigd met eene wondere hand, die tooverende tafereelen wist samen te brengen en de hoogst verhevene christene gedachten uit te drukken. Zijn smaak was zuiver, zijne gedachten rijk en zijn inbeelding machtig. Een diepgrondige studie van de werken der middeleeuwsche kunstenaars had dit natuurlijk gemak tot een oprecht talent gevormd; en zijne vrienden weten dat hij zijn talent niet gedolven heeft".

Van de Poele zou de plannen maken van de meisjesschool en van het klooster alsook het oksaal van de kerk. Béthune schreef over hem het volgende: "Nous avons eu le bonheur de lui donner quelques conseils artistiques, quand il n'avait encore que quinze ans et il nous étonna dès lors par la justesse de son coup-d'oeil, la fermeté de sa touche et la finesse de son goût» (11).

Béthune bleef echter de basisontwerper. Toen van de Poele eens bepaalde opmerkingen maakte aangaande de glasramen, zond Elisa Verhulst zonder uitstel een brief naar Meester Béthune waarin het volgende:
"Nous remarquons que Florimond, tout en ayant de grands talents, manque encore de quelqu'expérience et ne saisit pas toujours l'ensemble des ouvrages. Nous lui sommes très reconnaissants des soins qu'il veut nous donner mais nous vous prions de tenir la haute main et de vous réserver la dernière décision" (12).

Voor het bouwen en het versieren van de kerk maakte Béthune steeds gebruik van zijn gewone ploeg helpers die meestal, tot hun dood verder trouw bleven aan de neo-gotische principes, zoals Béthune ze steeds verdedigd heeft.

Voor de ruwbouw zorgde Louis Bulckaert, die noch lezen noch schrijven kon, maar het kasteel van Loppem bouwde en ook de kerk van Vijve zou optrekken.

Al het schrijnwerk werd uitgevoerd door Van Robays (1822-1872) die sedert 1850 voor hem werkte en te Vijve het oksaal optimmerde. Deze laatste werd door Charles Lenoir uit Brugge opgevolgd; hij zal de verschillende kerkmeubels van Vi jve, zoals de preekstoel, de communiebank en nog andere, leveren.

Voor het schilderen van de kerk, alsook voor de verschillende beelden, gebruikte hij een groep van broers en schoonbroers uit Gent, met Leopold Blanchaert (1832-1913) als leider. Deze was de eerste leerling van Béthune en heeft te Vijve zowel het hoogaltaar (1866-67), het altaar van O.L.V. (1868), de beelden van O.L.V. der VII weeën in het kerkhof en de verschillende beelden van de kerk gebeeldhouwd. Samen met zijn broer Leonard (1834-1905) heeft hij het altaar van de H. Philippus gebouwd.

Hoe precies de samenwerking was blijkt uit het volgende feit.
Blanchaert, de beeldhouwer, stuurde het beeld van de H. Margaretha, dat volgens hem af was, naar het huis van Béthune, samen met "son meiIleur sculpteur" zegt hij, om aan het beeld de laatste hand te leggen en dit volgens de eventuele opmerkingen van Béthune (13).

De schoonbroer van Leopold, de Nederlander Bressers (14), was schilder. Aan hem danken wij de volledige polychromie van de kerk alsook deze van de beelden.

Armand Bourdon (1818-1903), eveneens van dezelfde groep, heeft voor de goudsmederij gezorgd; zowel de kelken als de deuren van het tabernakel zijn van hem. De kerkornamenten waren ook door Béthune getekend.

Dat Vijve werkelijk het troetelkind geworden was van de familie Verhulst kan nog bewezen worden door volgende feiten: voor het orgel werd beroep gedaan op één van de beste vrienden van Béthune, namelijk Sir John Sutton (18201873), Engelse Baron, die na het overlijden van zijn vrouw zich tot het katholicisme bekeerde en naar Brugge overkwam waar hij het Engels Seminarie stichtte.
Sutton maakte gebruik van zijn grote financiële mogelijkheden om kerken te bouwen of te herstellen; dit was o.a. het geval voor Kiedrich bij Wiesbaden. Dat hij werkelijk een mecenas voor Kiedrich geweest is, wordt bewezen door het overbrengen, in 1973, 100 jaar na zijn dood, van zijn stoffelijk overschot van Brugge naar Kiedrich, waar hij nu, in een speciaal daartoe aangelegd erepark, begraven is.

Van jongs af was Sutton ook een zeer groot orgel kenner (15). Aan hem werd dan ook gevraagd de orgels van Vijve te ontwerpen. Hierin werd hij geholpen door August Martin (1837-1901), als schilder van de zijpanelen. Van hem zei Sutton "He is the only Gothic painter... he is the only man that makes'gothic living" (16).

Voor het bouwen van het orgel werd ongetwijfeld beroep gedaan op Louis Benoit-Hooghuys (1822-1885) uit Brugge, die steeds voor Sutton werkte en die, zoals Martin, verschillende orgels herstelde.

De uitvoering van de zijpanelen van het Philippusaltaar werd toevertrouwd aan de Luikenaar Helbig (17), van Duitse afkomst, die, naast schilderstalenten, een beroemd archeoloog was, en, samen met Béthune, de Gilde van St.-Thomas en St.-Lucas stichtte en talrijke basiswerken schreef over kunst in het Land van Luik.

De glasramen werden in het atelier van Béthune zelf vervaardigd. Hij had immers vanaf 1850 tot 1875 zijn eigen atelier (18), om aldus gothieke glasramen te kunnen vervaardigen. Zijn atelier, dat op zeker ogenblik niet minder dan 12 werknemers telde, werd in 1875 overgenomen door Arthur Verhaegen (1847-1917), de latere volksvertegenwoordiger, medestichter van "Het Volk" en van de eerste christelijke syndikaten, wiens echtgenote Clara Lammens als grootmoeder Louise van de Poele (1788-1838) had, zuster van AIbertine van de Poele (+ 1848), moeder van Elisa Verhulst.
Zo wordt meteen verklaard waarom de Verhaegens steeds de stichting van Vijve in handen hebben...

De kruiswegstaties werden besteld bij Bruno Boucquillon (1816-1878), een naar Antwerpen uitgeweken Kortrijkzaan. Boucquillon was studiemakker van Béthune geweest en zou tot aan zijn dood nauwe contacten met hem bewaren. Slechts 10 van de 14 staties waren afgewerkt toen hij op 13 mei 1878 stierf. Het werk werd dan door Robert De Pauw voltooid (19).

De meeste leerlingen van Béthune waren allen tien jaar jonger dan hun meester. Van de Poele is uit 1832, Blanchaert eveneens, Bressers van 1835 en Martin uit 1837. Met het gevolg dat zij allen in éénzelfde leefmilieu groot geworden zijn en dan ook op éénzelfde romantische manier reageerden. Zij behoorden immers tot de eerste generatie van de neogothiekers.

De Engelse architect Pugin vat zeer goed de beginselen samen die voor hen een leidmotief zouden blijven:
« Les deux grandes règles pour le dessin sont celles-ci: la première, qu'il ne doit y avoir aucun trait à un batiment qui ne soit nécessaire à la convenance, à la construction, au caractère ; la seconde, que tout ornement ne doit consister que dans l'embellissement de la construction essentielle du batiment» (20).

Bij die principes bleven ze echter niet bij stilstaan. In de kleinste details werd alles uitgetekend. Zo wordt, in één van de laatste brieven uit 1893 (21) van Elisa Verhulst aan Béthune, gevraagd dat hij een tekening zou maken van de sakristieklok. Op de meubelontwerpen werden zelfs de sleutels getekend en deze verschillen van meubel tot meubel.

Als men dan weet dat alles tot in het minste detail was afgewerkt, kan men zich voorstellen wat zo een kerk gekost heeft. Gelukkig konden we de volledige prijsofferte van de kerk terugvinden.

De kerk, zonder de glasramen, de polychromie en de meubelen, heeft 79.126 F. gekost, hetzij, als wij dat met 60 vermenigvuldigen,  4.747.000 F. in huidige cijfers omgerekend.

Voor de glasramen werd er 4.020 F. uitgegeven of + 250.000 F. van vandaag.

Tot zover de geschiedenis van de oprichting van Vijve: dank zij één familie, dank zij een groep enthousiaste mensen, die geloofden in wat zij deden, is Vijve, "de persoonlijkste schepping van Jan Béthune" (L. Devliegher), een unicum, een begrip geworden, althans voor de neogothiek.

Tot op vandaag is aan de kerk niets veranderd, zelfs de polychromie is nog deze van Bressers, de glasramen zijn nog intact, de vloeren van het hoogkoor, ingevoerd uit Engeland, zijn eveneens bewaard gebleven.

Het gebouw vraagt ongetwijfeld bepaalde herstellingen, maar nu dat het geheel door de Commissie voor Monumenten en Landschappen geklasseerd werd, zullen zowel de staat, de provincie als de gemeente het nodige doen opdat Vijve, zoals vóór 70 jaar, zijn originele schoonheid zou mogen herwinnen.

Emmanuel de Béthune

(1) Als belangrijkste bron werden de archieven van de familie de Béthune te Marke geraadpleegd en meer in het biezonder, het dossier 0622039.

(2) A. Van Becelaere: Geschiedenis van O.L. Vrouw van Viven, Roeselare 1901, p. 47. Hendrik Braderic, «edele en godvreezende inwoner van Brugge, ... bouwde de Kapel der Heilige Moeder Gods en verworf zich daardoor eenen naam die, eeuwen lang, ja tot het einde der tijden, zou gezegend worden... » A. Van Becelaere, op.cit , p. 40.

(3) Coralie Verhulst (1821-1876). echtgenote van Ernest van Huele (18091833). - Eliza Verhulst (1823-1903).

(4) Augustijn Van Becelaere (Kortrijk 1820 - Kachtem 1909). Was leraar te Brugge 1846-58; eerste proost van Vijve-Kapelle 1858-1875.

(5) Van Becelaere, o.c., p. 211-212.

(6) Brief van 25 maart 1865 van Eliza Verhulst aan J. Béthune.

(7) Brief van Emest van Huele aan J. Béthune.

(8) Broeders Van Dale, gesticht te Kortrijk door J.B. Van Dale (1716-1781)

(9) Architekt Jan Béthune (Kortrijk 1821 - Marke 1894). Over hem zie L. Devliegher in NBW, deel I (1964), kol. 188-191.

(10) Charles van Caloen (1815-1896), echtgenoot van Savina de Gourey Serainchamps (1825-1912). - Over het kasteel, zie A. Vervenne en A. Dhondt, Geschiedenis van Loppem (1974), p. 138.

(11) Gilde de Saint-Thomas et de Saint-Luc, deel 111 (1874-76), Bulletin de la dixième réunion, p. 52.

(12) Brief van 14 oktober 1866.

(13) Brief van 13 november 1876.

(14) Adrien Bressers (1835-1898).

(15) Van zijn hand is: "A short Account of Organs, built in England from the reign of King Charles the Second to the present time". London. 1847. - Over Sir John Sutton of Norwood (1821-1873) zie L. Schepens in NBW, deel IV (1970), kol. 795-798.

(16) C.H. Davidson, Sir John Sutton in Germany.

(17) Jules Helbig (1821-1906), directeur van de Revue de l'Art chrétien, auteur van de in 1906 verschenen monografie over Béthune.

(18) Zijn atelier was in het Prinsenhof te Gent gevestigd.

(19) Brief van 20 juli 1878

20) A.W. Pugin, Les vrais principes de I'architecture ogivale ou chrétienne, Brugge, 1850, p. 17.

(21) Brief van 29 juni 1893

 

3.Vivenkapelle, een neogotisch kerkedorp in Vlaanderen (1)
Verschenen in Biekorf 2003/3 door Van Biervliet L., Devliegher L.

Vivenkapelle is een curiosum in Vlaanderen. De naam verwijst zinvol naar een bidplaats ten oosten van Brugge, op de weg van Sint-Kruis naar Moerkerke. De slanke toren van de kerk, midden de velden, trekt van ver de aandacht. De kerk is maar omringd door enkele gebouwen die door hun omvang in het kleine gehucht de nieuwsgierigheid wekken. Vivenkapelle is een kerkdorp en de naam van de kerk verklaart reeds haar geschiedenis. Zij is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en aan de heilige Philippus. De eerste duidt op een eeuwenoud Mariaal bedevaartsoord, terwijl de apostel Philippus verwijst naar Philippe Verhulst, de Brugse weldoener die in de 19de eeuw de bidkapel in ere heeft hersteld. Na zijn dood hebben zijn beide dochters Coralie en Elisa de oude kapel tot een kerk uitgebouwd, ter ere Gods en ter nagedachtenis aan hun vader.

De site bestaat hoofdzakelijk uit een kerk, een pastorie en twee kleine kloostergebouwen met schooltje. Het geheel, met uitzondering van het Zustersklooster, is in 1859 e. v. ontworpen door Jean Baptiste Bethune. Dank zij de onuitputtelijke financiële middelen van de opdrachtgevers en hun strenge eisen voor een hoge kwaliteit van de uitvoering is het resultaat een totaal kunstwerk, in de zin van het Duitse "Gesamtkunstwerk". Elk onderdeel getuigt van eenzelfde gedachte en stijleenheid. Als neogotische stichting in opzet, in geest en in uitvoering, betekent Viven een uniek bouwkundig en artistiek erfgoed in Vlaanderen, een monument dat met de nodige aandacht en zorg moet worden in stand gehouden.

Oorsprong en geschiedenis
Vivenkapelle vindt haar oorsprong in een midden 14de eeuwse kapel ter ere van de Moeder Gods. De bidplaats was gelegen in de parochie Sint-Kruis, terzijde van de bekende bedevaartweg van Brugge naar Onze-Lieve-Vrouw van Aardenburg. Onze-Vrouwe-van Viven werd vereerd als troosteres voor alle kwalen en werd vooral tegen kwade koortsen aangeroepen. In een brief van de inwoners van Viven aan de aartsbisschop van Mechelen Thomas Ph. d'Alsace uit 1724, is sprake van de kapel van Onze-Lieve- Vrouw-van- Troost.

Op vraag van Hendric Braderic, een rijke Brugse poorter en vertrouweling van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male, verleende paus Clemens VI (1342-1352) hem op 13 oktober 1349 toelating om op zijn eigendom in de parochie Sint-Kruis te Brugge een kapel op te richten tot lof van de Goddelijke Naam en ter ere van de H. Maagd (2). Tevens verkreeg hij voor hem en voor zijn nakomelingen het patronaatsrecht over de kapel. In 1354 kocht Braderic de heerlijkheid van Viven te Sint-Kruis. In 1456 schonk Jacob Braderic het patronaatsrecht aan Anselm Adornes (zoon van Pieter Adornes en Elisabeth Braderic) en in 1498 erfde Anselmus zoon Jan de heerlijkheid Viven van zijn neef Guido Roose (zoon van Pieter Roose en Maria Braderic). Zo was in de loop van de 2de  helft van de 15de  eeuw zowel de heerlijkheid Viven als het patronaatsrecht over de kapel overgegaan van de familie Braderic naar de verwante familie Adornes. In 1561 werd de heerlijkheid verkocht aan Juan López Gallo, baron van Male, waardoor de heerlijkheden Viven en Male in één hand kwamen. De kapel bleef in het bezit van de heren van Viven tot in de Franse tijd toen de feodale instellingen werden afgeschaft.

Tijdens de Geuzentijd werd de kapel, samen met vele kerken uit de omgeving, geplunderd waarbij ook het vereerde Mariabeeld verloren is gegaan. Het was pas in 1635 dat toelating werd verleend om de kapel te herstellen, maar blijkbaar is dat toch niet onmiddellijk gebeurd. In het kader van de visitatie van de dekenij Brugge bezocht Hubertus Waghenaers op 10 maart 1652 Vivenkapelle. In zijn uitgebreid verslag staat o.m. dat de kapel - na de vernieling door de ketters - maar een tweetal jaar geleden werd hersteld (noviter a duobus aut circiter annis restauratat). Het kleine bedehuis werd verlicht door vier vensters, één in elke muur. Buiten de westingang, was er nog een kleine deur ongeveer in het midden van de noordmuur. Er stond een bakstenen altaar zonder altaarsteen zodat het altaar niet kon worden gewijd, maar op een houten afdekking lag een witmarmeren steen dienstig voor een draagaltaar - met vijf ingebeitelde kruisjes en het inschrift MELLE 1576. In de kapel bevonden zich drie Mariaschilderijen, waarvan één klaarblijkelijk een drieluik. Boven het altaarretabel stond een Mariabeeld dat naar alle waarschijnlijkheid toen gemaakt was in vervanging van het oudere verdwenen 0.L.-Vrouwebeeld (3).

In 1799 werd de kapel, die in 1797 opnieuw geplunderd was, samen met de omliggende grond openbaar verkocht. De koper was Jacobus Vlaeminck die optrad namens en met financiële hulp van de inwoners van Viven, maar na de aankoop zijn nieuwe eigendom voor zichzelf behield. Jarenlang werd het heiligdom als schuur gebruikt tot hij in 1827 met de omliggende gronden op een openbare verkoping werd aangekocht door Philippe Verhulst (1777-1858). De nieuwe eigenaar woonde in het Hof van Watervliet in de Oude Burg te Brugge, maar bezat een buitengoed op het grondgebied van Moerkerke, vlakbij de kapel van Viven. Verhulst was een rijk en godvruchtig man. Hij was kerkmeester en weldoener van de Brugse Onze-Lieve-Vrouwekerk. Hij kocht de kapel om - zoals hij in 1855 aan bisschop Malou schreef - ze van dreigende afbraak te redden en ze opnieuw voor de erdienst te gebruiken. Na de aankoop liet hij de kapel herstellen en het Mariabeeld van ca. 1650 terugplaatsen. Dit houten beeld was na de plundering van het kapelinterieur in 1797 terecht gekomen bij inwoners van Viven, het laatst bij Pieter Verlinde die het beeld in 1827 aan de nieuwe kapeleigenaar Philippe Verhulst schonk toen hij hoorde dat deze het Mariabeeld terug een plaats in de kapel wilde geven. In 1862 - bij de neogotische verbouwing van de kapel - werd het beeld "eenigzins hersneden, vooral voor 'tgene de kleedij aangaat, door den Heer Blanchaert van Maltebrugge, en dan met kunst geschilderd door den Heer Bressers van Gent" (Van Becelaere, o.c., blz. 205) (4). In 1833 vroeg Philippe Verhulst aan bisschop Renaat Boussen de toelating om in het herstelde bedehuis op zon- en feestdagen opnieuw de mis te laten celebreren, hetgeen hem 'om gewichtige redenen' niet werd toegestaan. Onder het ambtstermijn van de volgende bisschop was het klimaat gunstiger. Mgr. Jean-Baptiste Malou was namelijk een groot Maria-vereerder. In 1854 had hij in Rome geassisteerd bij de dogmaverklaring van de Onbevlekte Ontvangenis en sindsdien had hij het plan opgevat om in het West-Vlaamse Dadizele een Maria-oord te bouwen. Zonder veel moeilijkheden verkreeg Philippe Verhulst de gunst om op de feestdag van O.-L.-Vrouw-Geboorte mis te laten lezen en op 10 september 1855 kwam de bisschop persoonlijk de bidplaats inwijden. Verhulst heeft nog net vóór zijn dood, op 24 mei 1858, mogen beleven dat Viven tot Proosdij werd verheven waardoor uiteindelijk elke dag een mis mocht worden opgedragen. Precies in datzelfde jaar deden zich de verschijningen van Onze-Lieve-Vrouw in Lourdes voor. Wellicht daardoor beïnvloed, maar ook uit sociale bewogenheid en uit verering voor hun vader, hebben de dochters Coralie en Elisa Verhulst zijn werk verdergezet.

Na de dood van Coralie in 1876 werd Elisa de grote mecenas van Viven. Toen zij in 1903 in haar ouderlijk huis te Brugge overleed, bleek dat zij haar eigendommen, waaronder Viven, had gelegateerd aan de Gentse notaris Jules Lammens die door zijn huwelijk met de familie Verhulst verwant was. De erfenis ging gepaard met de verplichting om Viven in stand te houden en de pastoor en de kerkfabriek een jaargeld uit te keren. Korte tijd vóór zijn dood in 1908 heeft Lammens met zijn schoonzoon Arthur Verhaegen de eigendom Vivenkapelle ondergebracht in de Stichting Verhulst- Verhaegen. Herhaaldelijke herstellingen aan de diverse gebouwen betekenden echter een zware financiële last. Na de Tweede Wereldoorlog werden pogingen ondernomen om het complex Viven aan de gemeente Sint-Kruis over te dragen, evenwel zonder succes. In het vooruitzicht van een hoogdringende restauratie werd de kerk bij Koninklijk Besluit van 7 juli 1975 een beschermd monument. Op I I december 1980 volgde de bescherming van de pastorie en van de beide kloostergebouwen. In 1988 gebeurde de overdracht van de gebouwen aan de stad Damme, waarvan Vivenkapelle sinds 1 januari 1977 deel uitmaakt. Ondertussen was men in 1980 gestart met een grootscheepse restauratiecampagne o.l.v. architect Aimé Meyer uit Brugge (5).

 

Van bidkapel naar parochiekerk met parochieschool
De eerste proost van Viven was de Kortrijkzaan August Van Becelaere (1820- I 909), priester-leraar aan het Sint-Lodewijkscollege te Brugge en stichter-redacteur van De Katholieke Zondag (1854), een parochieblad avant-la-Iettre naar het voorbeeld van het Duitse Katholische Woche. Aldus had Van Becelaere ervaring op het gebied van onderwijs en van parochiaal werk. In de geest van de katholieke heropbloei na de Franse Revolutietijd streefden ook de zusters Verhulst naar het ideaal van een katholieke samenleving die slechts kon worden bereikt door godsdienstig onderricht aan de bevolking in de parochiekerk en door een christelijke opvoeding van de jeugd in een katholieke school. Van Becelaere werd de belangrijke inspirator voor de uitbouw van de bedevaartplaats tot een parochie. Voor de bewoners van het ommeland werd de oude kapel een centraal gelegen bidplaats, waar de proost kon tegemoetkomen aan hun behoefte van dagelijkse misvieringen, lof en biecht. Daardoor drong zich de noodzaak op van een pastorie en een uitbreiding van de oorspronkelijke kapel.

In juni 1860 startte men met de bouw van een woonhuis voor Van Becelaere, de latere pastorie. Op 15 juli 1861 werd de eerste steen gelegd van het nieuwe kerkgebouw dat in 1864 voorlopig in gebruik werd genomen en op 10 september 1867 plechtig werd ingewijd. Tien jaar later meldde Elisa Verhulst dat de kerk helemaal bemeubeld was en aan 900 tot 1000 personen plaats kon bieden. .

Voor het onderwijs van de jongens werd op aanraden van Van Becelaere een beroep gedaan op de congregatie van de Broeders Van Dale uit Kortrijk. Op 16 oktober 1860 werd begonnen met de opbouw van de jongensschool en op 19 februari 1861 werd de eerste steen van de woning van de Broeders gelegd. De Broeders waren niet alleen met de school belast, maar dienden ook als zangmeester en koster in de kerk op te treden en voor de ziekenzorg in te staan. Voor de opvoeding van de meisjes werden de Zusters van de Onbevlekte Ontvangenis gevraagd. Die congregatie was in 1859 in Brugge gesticht met het doel aan de buitenparochies van het bisdom onderwijs te verstrekken. Op 7 augustus 1866 werd de eerste steen gelegd van het Zustersklooster met de meisjesschool die in 1869 haar deuren opende. Voor dit laatste complex was niet Bethune, maar Florimond Van de Poele de architect. In 1875 volgden in Viven 120 kinderen de dagschool en 100 volwassenen de avondschool. Naar verluidt telde men in 1886 daarenboven 20 kostschoolmeisjes. Herhaalde conflicten tussen Van Becelaere met zowel de Broeders als de Zusters, ondermeer aangaande onderwijsinzichten, veroorzaakten in 1875 het vroegtijdig vertrek van de eerste proost van Viven die zich vanaf 1858 voor het tot standkomen van parochie en school had ingezet.

In amper twee decennia was de kerkgemeenschap van Viven aanzienlijk toegenomen en het gehucht was op een merkwaardige manier tot een dorp uitgegroeid. Er waren broederschappen en congregaties gesticht, een toneelbond opgericht en men beschikte over een bibliotheek. Kerk en school wekten de naijver op van pastoors en onderwijzers uit het omliggende. Zowel de familie Verhulst als de proost, de buurtbewoners en naderhand ook de directeur van de jongensschool bestookten het bisdom, de provincieraad en de Regering met brieven om van Viven een zelfstandige parochie met parochieschool te maken. Alle nodige accomodatie was voorhanden en de maatregel zou een einde stellen aan veel ongemak en ongenoegen. Immers tot dan toe dienden de schoolkinderen in het vooruitzicht van hun Eerste Communie de lering buiten Viven in hun eigenlijke parochies te volgen en moesten daarvoor dikwijls een lange weg afleggen door weer en wind. Nadien waren ze niet meer gerechtigd om nog langer in Viven school te lopen en moesten ze de lessen in hun parochieschool bijwonen. Onderweg waren ze aan allerlei gevaren en verleidingen blootgesteld. Er waren nog andere moeilijkheden. Tot dan toe mochten de kerkgangers ter plaatse geen Paasplicht vervullen en de vrouwen na een bevalling geen kerkgang houden. Alleen in uiterste nood was het de proost toegestaan de mensen te berechten. Om aan deze en andere ongemakken te verhelpen, had Van Becelaere reeds in 1859 voorstellen ingediend voor de begrenzing van de mogelijk op te richten parochie. In 1873 bestond het gehucht uit 67 families of 300 personen, wonend op het grondgebied van Sint-Kruis, van Damme en van Moerkerke, Volgens Van Becelaere kon het aantal tot 141 families of 679 personen worden uitgebreid, Er diende een eigen kerkfabriek te worden opgericht en deze van Sint-Kruis moest worden schadeloos gesteld, Op 26 januari 1876 werd voor notaris Jules Lammens te Gent de akte verleden van een dotatie van 9000 BEF. vanwege de familie Verhulst ten voordele van de kerkfabriek van Sint-Kruis. Van 1859 tot 1880 waren ontelbare verzoekschriften gestuurd aan kerkelijke en wereldlijke instanties om Viven tot een parochie te verheffen. Uiteindelijk werd bij Koninklijk Besluit van 17 februari 1885 (Moniteur, nr. 54) de toelating verleend tot de oprichting van de parochie van Vivenkapelle als hulpkerk van Sint-Kruis en kon er een kerkraad worden samengesteld,

Een creatie van Jean Bethune
Aanvankelijk had Philippe Verhulst zich enkel het eerherstel van de eeuwenoude bidkapel tot doel gesteld. De aanstelling in 1858 van Van Becelaere tot proost van Viven betekende de aanzet voor de uitbouw van het bedevaartoord. De gezusters Verhulst vertrouwden de plannen daarvoor toe aan Jean- Baptiste Bethune (1821-1894) die toen volop met de bouw van het kasteel van Caloen in Loppem bezig was. Hij was gehuwd met de Brugse Emilie van Outryve d'Ydewalle, een oude schoolvriendin van Coralie Verhulst. Bethune was feitelijk Kortrijkzaan, die als secretaris van de Provinciegouverneur, in Brugge was terechtgekomen. Door zijn afkomst en huwelijk was hij vlug ingeburgerd in de kringen van de Brugse high society. Sedert 1849 was hij lid van de Edele Confrerie van het H, Bloed, waar hij met Emest van Huele, echtgenoot van Coralie Verhulst, en met Charles van Caloen een driemanschap vormde van gedreven Ultramontanen. Zij werden de stichters van het plaatselijk Sint- Vincentius a Paulo-genootschap en streefden naar het herstel van een harmonische christelijke samenleving in de geest van de neogotiek. Ambtshalve was Bethune belast geworden met het toezicht op de provinciale bouwwerken, waarbij hij zich in enkele jaren tijds liet opmerken als een getalenteerd ontwerper, Adel en clerus belastten hem met kleine opdrachten en volgden zijn gotische kunstsmaak, die hij onder invloed van Engelse vrienden verworven had. Bethunes sociale positie en kunstzinnige ambitie werden nog versterkt toen zijn neef Jean-Baptiste Malou in 1849 tot bisschop van Brugge werd gewijd. Malou manifesteerde zich tot een promotor van de neogotiek, die hij als een middel zag voor de heropbloei van het katholieke geloof. Hij was een bewonderaar van de Engelse bouwmeester A. WN, Pugin (1812-1852), van wie de leerstellingen in Brugge verspreid werden door  zijn volgeling Thomas Harper King (1822-1892). Gesteund door Malou werd King met Bethune betrokken bij de herstellingen van de Brugse Onze-Lieve-Vrouwekerk, de aankleding van de Bloedkapel en de bouw van de nieuwe Magdalenakerk. Bethune zelf was bevriend met Pugin die hij in Engeland persoonlijk had ontmoet en als leermeester had erkend. Na zijn dood in 1852 werd Bethune verder in de Gothic Revival principes ingewijd door de Engelse baronet John Sutton (1820-1873), een oude vriend en mecenas van Pugin. In Brugge werd Sutton een belangrijk opdrachtgever van Bethune. Onder invloed van Pugin, King en Sutton ontpopte Bethune zich tot de "Belgische Pugin". Hoewel hij in 1858 naar Gent verhuisde, heeft hij levenslang in Brugge opdrachten uitgevoerd. Voor de familie Verhulst realiseerde hij diverse projecten in Brugse kerken, maar vooral het unieke ensemble van Vivenkapelle.

De bouw van Viven is ondenkbaar zonder de ambitie van de eerste proost August Van Becelaere, de onbegrensde financiële middelen en de wilskracht van de familie Verhulst, de enthoesiaste inzet van Jean Bethune, maar ook de betrokkenheid van John Sutton. De jarenlange samenwerking met Pugin had de baronet een grote theoretische en technische kennis bijgebracht. Daarvan getuigt o.a. de correspondentie van Elisa Verhulst en van Sutton maar vooral zijn schetsen en raadgevingen aan Bethune zelf. Sutton was ook nauw betrokken bij de bouw van het kasteel van Caloen in Loppem, waar hij als bemiddelaar optrad tussen de bouwheren en de ontwerper Edward Pugin die sedert 1852 het befaamde architectenatelier van zijn vader verder leidde. De moeilijke samenwerking met de Engelse bouwmeester had de van Caloens - zoals ook bisschop Malou voor zijn buitengoed in Sint-Michiels - ertoe genoopt Bethune als uitvoerder van de bouwwerken aan te stellen. Daarom is het wel1icht verklaarbaar dat de familie Verhulst er zelfs niet aan dacht Edward Pugin als ontwerper te nemen, maar zich meteen tot Bethune wendde. Met de opdracht voor een pastorie, een kerkgebouwen een school heeft deze van meet af aan een project gemaakt voor een "kerkdorp". Kerk en katholiek onderwijs vormden de pijlers van een ideale christelijke samenleving. De nieuwe gebouwen vormen een samenhangend geheel, geïnspireerd op de 14de -eeuwse kerkelijke bouwkunst en op de Brugse burgerlijke architectuur uit het begin van de 16de eeuw waaraan hij typische onderdelen - kruisvensters, traveenissen, spitsboognissen in de boogvelden boven de vensters, samengestelde nissen - ontleende die hij tot nieuwe creaties samenbracht. Het concept verwijst naar Engelse voorbeelden van onder andere St Augustine's in Ramsgate, de "ideale" nederzetting met kerk, pastorie en school die A. W.N. Pugin op eigen kosten naast zijn woning bouwde. Men mag dus stel1en dat Bethune in Viven het canon van de Puginiaanse neogotiek heeft verwerkt tot een persoonlijk "Vlaams" concept en daarmee de trend heeft gezet voor zijn verdere succesvol1e carrière.

Bouwgeschiedenis van de kerk
De 14de-eeuwse bedevaartskapel maakte van bij de aanvang een belangrijk onderdeel uit van de bouwplannen die de familie Verhulst voor ogen stonden. In 1859, toen de kapel effectief in de plannen voor de nieuwe kerk werd betrokken, had het interieur van de oude gotische kapel nog een barok uitzicht, twee barokvensters in elke zijmuur, een 17de-eeuws gewelf met gordelbogen en trekstangen, een altaar uit de Brugse Eekhouteabdij dat Verhulst er tijdens de restauratie uit 1827-1828 had geplaatst. In 1856 was een kleine sakristie- met een rondvenster met vierpas in elke vrijstaande muur- op de zuidkant aangebouwd.

In zijn eerste ontwerp voor een nieuwe kerk tekende Jean Bethune in 1859 een éénbeukige kruiskerk met westtoren tegen de noordmuur, de oude Mariakapel - met nieuwe gotische vensters - zou het hoofdkoor van het bedehuis worden. Het plan toonde een eenvoudige kerk, zoals Elisa Verhulst het aan Bethune had gevraagd in een brief dd. 2 maart 1859. Gesprekken tussen de familie Verhulst en de architect hebben uiteindelijk tot iets heel anders geleid. Op het eerste grondplan staan reeds potloodschetsen voor twee kleine zijkoren: ten zuiden een Philippuskapel, ten noorden een kapel voor de H. Maagd. Nog later wilde Bethune o.m. de gotische kapel met enkele meters verhogen, wat dan weer op verzet stuitte van de familie Verhulst. In een brief van 21 april 1861 stelde Ernest Van Huele voor - in akkoord met zijn echtgenote Coralie Verhulst en haar zuster Elisa - de oude kapel als zuidelijk zijkoor te gebruiken, het nieuwe hoofdkoor even lang te maken als deze kapel en op de noordkant een "chapelle patronale" te bouwen met daarachter een sacristie. Maar ook nu ontstonden problemen toen bleek dat Bethune de gotische Mariakapel met 2m. of meer wilden inkorten voor de plaats van de zuidoostelijke vieringspijler (brief van E. Van Huele dd. 19 juni 1861 ).

Uiteindelijk is het in 1861 begonnen kerkgebouw een driebeukige kruiskerk met vierzijdige middentoren geworden. Het hoofdkoor eindigt op een driezijdige absis. De vlakgesloten Onze-Lieve-Vrouwkapel van ca. 1350 vormt het zuidelijk zijkoor en de kleine Philippuskapel het noordkoor. Het driebeukige schip telt vier traveeën; tussen de beuken staan zuilen met bladkapitelen. De bovenlichten in de middenbeuk hebben een driezijdig-gebogen vorm die aan de binnenkant van de beuk in een spitsbogige omlijsting zitten. De kerk is overdekt met houten tongewelven, uitgezonderd in de zijbeuken en in de viering, waar er bakstenen gewelven zijn; de gewelfsleutels in de zijbeuken zijn versierd met Maria-symbolen (o.m. Ivoren toren, Gulden huis, Ark des verbonds, Deur des hemels, ons welbekend uit de Litanie van O.-L.- Vrouw). Opmerkelijk is dat de gotische Mariakapel aan de westkant toch met een meter werd ingekort, wat - alle vrome bedoelingen ten spijt - toch niet getuigt van veel eerbied voor het middeleeuwse patrimonium. De kapel is nu binnenwerks 10,70 m lang - oorspronkelijk 11,75 m volgens Van Becelaere, o.c., p. 49 - en 5,90 m breed. In de nieuwe westmuur werden de oude ingang en het venster erboven gekopieerd. Het 17deeeuwse gewelf van de kapel viel uiteraard niet in de smaak en moest plaats maken voor een houten spitsbogig tongewelf met twee trekbalken; in de zuidmuur werden de twee barokke vensters vervangen door drie spitsboogvensters. Enkel de Gobertange-steen aan de buitenkant van de kapelmuren verwijst de huidige bezoeker naar de middeleeuwse oorsprong.

Ten zuidoosten van de kerk staat de pastorie (1860-1861). Een ontwerp uit 1859 toont een kleiner gebouw, waarin de gang achteraan op de vestibule uitkwam en op de trap naar de verdieping. Rechts van de ingang lagen aan de voorkant de keuken en de bibliotheek met daarachter, aan de tuinzijde, de eetkamer; aan de linkerkant van de gang zou de spreekkamer komen. In de gevels zaten kruisvensters in eenvoudige rechthoekige nissen zonder versiering, wat aan het geheel een eerder tijdloos karakter gaf. De huidige pastorie is echter ruimer opgevat. Rechts van de inkom die achteraan eveneens op de vestibule en de trap uitgeeft, liggen de spreekkamer en het salon met daarachter de bibliotheek. Links van de gang zijn de keuken en de achterkeuken gesitueerd. Het rechtergedeelte van de pastorie is aan de voor- en achterzijde met een puntgevel afgewerkt. Op de buitenkant van de schoorsteen aan de westgevel zijn met gele baksteen een decoratief kruismotief en de datum 1861 ingemetseld (6).

Het was de wil van de stichters om aan de kinderen uit het omliggende katholiek onderwijs te verstrekken. Daartoe werden twee kloosters met bij horende klaslokalen gebouwd.

In 1860 begon men met de bouw van de jongensschool, in 1861 gevolgd door het klooster van de Broeders. Beide gebouwen - in 1863 in gebruik - vormden oorspronkelijk twee van elkaar losstaande vleugels, loodrecht op de straat. Nadat in 1870 de school met een klas was verlengd, werden in 1879 de twee vleugels verbonden door een gebouw langs de straat. Op het eerste plan van de school lag rechts van de ene klas, vooraan aan de straatzijde een uitbouw met de ingang en een trap met daarachter een vestibule. Waarschijnlijk werd dit al vlug als onpractisch ervaren, want op het plan is deze uitbouw in potloodschets naar achter verschoven, maar dan in omgekeerde zin, nl. eerst de vestibule en daarna de trap. Later, na de uitbreiding met een tweede klas, werd aan de andere kant van de trap een tweede ingang bijgebouwd. Op de voor- en achtergevel zijn de vensters, naar Brugs 16de-eeuws model, in een samengestelde boog ondergebracht.

Het eerste plan voor het woonhuis van de Broeders omvatte gelijkvloers een spreekkamer, een keuken en een wasplaats. Links tegen het huis bevonden zich de ingang en de gang die naar de uitgebouwde trap leidden. Op de verdieping waren er drie kamers voor de Broeders. De voorgevel van het huis vertoont de kenmerken van het zgn. eerste gotische Brugse geveltype waarbij per travee de beneden en bovenvensters samen zijn geplaatst in naast elkaar gelegen nissen die door een boog zijn omsloten, in casu een rondboog. Bij het bouwen in 1879 van de vleugel tussen de twee bestaande panden verdween de gang naast het woonhuis en werd de bestaande spreekkamer als woonkamer bestemd; wellicht is dan het woonhuis zuidwaarts met één travee verlengd geworden. De nieuwe tussenvleugel kreeg aan de straatzijde een gang en erachter - aan de kant van de speelplaats - een spreekkamer en een zaal voor het Sint-Vincentiusgenootschap; naast de bestaande klas kwam een vestibule boven de twee oorspronkelijke klassen een ruime congregatiezaal met houten tongewelf. Ook hier treffen we bij de vensternissen en vensters het gewone neogotische vormenalfabet aan, soms uitgewerkt tot een min of meer oorspronkelijke creatie, zoals in de oostgevel die op de speelplaats uitgeeft.

Op het kerkhof rond de kerk zijn omgangskapelletjes gebouwd met de gebeeldhouwde voorstellingen van de 7 Weedommen van O.-L.-Vrouw (7).

 In 1866 startte men met de bouw van het klooster en de school van de Zusters. Het complex werd gebouwd omheen een kloosterpand met vier smalle gangen, waarrond op de oostkant, naast de speelplaats, twee klassen zijn gelegen; op de zuidkant bevinden zich het salon en op de westzijde een woonkamer. Door een gang afgescheiden van het pand, ligt de noordvleugel met in het midden de inkom en links en rechts daarvan respectievelijk de kapel en een spreekkamer. Op de verdieping bevinden zich zes kloostercellen waarvan nu twee en drie cellen tot twee klassen zijn omgebouwd, verder nog een

In 1903 kon Elisa Verhulst met een gerust gemoed sterven, want de wens van haar familie was werkelijkheid geworden, in zo'n grote mate dat men over een neogotische droom kon spreken. Het complex was evenwel nog niet eens voltooid of men had in de kerk reeds te kampen met vochtproblemen die sedertdien nooit definitief zijn opgelost. In 1893 diende de polychromie van de wanden reeds gerestaureerd te worden en in 1909 poogde men door het aanbrengen van draineerbuizen een verluchting in de muren te brengen zodat het opstijgend grondwater kon verdampen en wegvloeien, het zgn. systeem Knapen, genoemd naar een bouwmeester uit Schaarbeek. Op lange termijn bleek de ingreep evenmin efficiënt. En ook na de laatste restauratie blijven de vochtproblemen voor problemen zorgen.

Een neogotisch kerkinterieur
Van meetaf aan koesterden de gezusters Verhulst de wens voor een nieuw en groter kerkgebouw, ter ere van Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en van de heilige Philippus, ter nagedachtenis van hun vader Philippe Verhulst, redder en weldoener van Viven. Op 2 maart 1859 schreef Elisa aan Jean Bethune: "Notre désir est de faire les changements en bon style mais dans la plus grande simplicité, tel qu'il convient pour une église de campagne ayant en vue, avant tout, le bien des ames". Van bij de aanvang in 1859 volgde vooral Elisa Verhulst nauwgezet de evolutie van de bouwwerken. Bijna maandelijks schreef ze naar Bethune of naar zijn echtgenote brieven met bestellingen, richtlijnen of vragen. Van alles eiste zij de perfectie en haar financiële mildheid stond evenredig tot haar streven. In verband met de bouw van Viven zijn in het Bethune-archief tientallen brieven bewaard vanaf 1859 tot aan Bethunes dood in 1894, evenals talrijke schetsen, plannen en bestekken. Bethune had de algemene leiding van de bouwwerken en van de aankleding. Hij maakte bijna alle ontwerpen met uitzondering van het Zustersklooster met de meisjesschool, waarvan de plannen werden geleverd door Florimond Van de Poele (1832-1875), een neef van de gezusters Verhulst. Hij was een begaafd tekenaar die in 1862, samen met Bethune aan de wieg stond van de Sint-Lucasschool in Gent.

Zowel voor de ruwbouw als voor de afwerking en de versiering van het kerkinterieur werkte Bethune met nagenoeg dezelfde ploeg vaklui als voor de bouw van het kasteel van Caloen. Louis Bulckaert (1819-1897) uit Loppem was aannemer van het metselwerk. De Bruggeling Charles Van Robays (1822-1872) zorgde voor het timmer- en schrijnwerk. Tot aan zijn dood heeft hij voor Bethune gewerkt, o.a. voor projecten in Brugge, Loppem, Viven en Dadizele. Hij werd opgevolgd door Charles Lenoir (1836-1917) die o.m. de preekstoel, de communiebank en de koorafsluiting maakte. De beelden en het figuratief beeldhouwwerk aan het kerkmeubilair werden vervaardigd door Leopold Blanchaert (1832-1913), terwijl zijn broer Leonard Blanchaert (1834-1905) instond voor de decoratieve sculptuur aan de altaren. De polychromie van het interieur en de beschildering van de beelden werden uitgevoerd door Adrien Bressers (1835-1898). Geïntroduceerd door Florimond Van de Poele, werden deze Oost-Vlaamse kunstenaars in Bethunes atelier opgeleid en met zijn opvattingen over de neogotiek bezield. Zij werden de vaste uitvoerders van zijn talloze projecten, waarvan Loppem en Viven tot de vroegste voorbeelden behoorden. De Bruggelingen Pierre Van Cleven en Edward De Vooght (1828-1922) vervaardigden het kunstsmeedwerk. Laatstgenoemde leidde een bloeiend atelier en werkte veelvuldig met Bethune in Brugge en Kortrijk maar ook voor Joris Helleputte in Leuven. Hij was tot op hoge leeftijd nog actief o.a. voor de aankleding van het Provinciaal Hof te Brugge. Voor voor edelsmeedwerk en juwelen werd er vooral een beroep gedaan op het atelier van Armand Bourdon-De Bruyne (1818-1903) in Gent, die op dat gebied levenslang voor Bethune opdrachten heeft uitgevoerd.

Allen werkten in eenzelfde geest en stijleenheid, tot in het minste detail van de architectuur, de beeldhouwkunst en schilderkunst en alle vormen van toegepaste kunst. Daarbij streefde men steeds naar een perfect ambachtelijke uitvoering. Jean Bethune zelf leverde voor quasi alles schetsen en modeltekeningen, zelfs voor heiligenbeelden, edelsmeedkunst en textilia. Daarin toonde hij zich een perfecte navolger van A.W.N. Pugin, van wie hij naar believen voorbeelden had mogen kopiëren en door wiens relaties hij informatie bij Engelse vaklui had kunnen inwinnen voor bepaalde technieken die in Vlaanderen in de vergetelheid waren geraakt. De nauwe samenwerking tussen opdrachtgever, bouwmeester, aannemers, ambachtslieden en kunstenaars, waarbij de uiteindelijke beslissingen steeds door Bethune werden getroffen, bewerkstelligden in Vivenkapelle een uitzonderlijk voorbeeld van een 'totaal kunstwerk'.

Gans de kerk is versierd met een rijke en kleurrijke beschildering (1866-1876) die zelfs voor een middeleeuwse dorpskerk waarschijnlijk uitzonderlijk zou zijn geweest. Imitatievoegen, damastversiering, rood-geaccentueerde gewelfribben, verguld bladwerk van de kapitelen, geometrische motieven op de schei bogen geven het interieur een feestelijk uitzicht. Elk van de drie koren heeft daarenboven een eigen hoofdkleur: rood (met IHS- en Lam Gods-motief) in het hoofdkoor, blauw (met eenhoorn, gesloten tuin, lelie) in het Mariakoor, groen in het Philippuskoor. Uiteraard wordt de kleurigheid nog versterkt door de glasramen van de koren en van de kruisbeuk.

In het hoofdkoor vertoont het stenen retabel van het hoofdaltaar (1866-1867) centraal Christus aan het Kruis, met links de Geboorte en rechts de Verrijzenis. Onderaan is het tabernakel omgeven door engelen. Op de stipes zijn Abraham, David en Mozes voorgesteld. De communiebank (1882) is o. m. versierd met symbolen die verwijzen naar de Eucharistie (kelk met hostie, pelikaan, lam). De glasramen in de koorvensters geven scenes weer uit het Leven van Christus. De vloertegels - ook in de zijkoren - zijn van Engelse makelij, waarschijnlijk een product van de Minton Potteries in Stoke on-Trent, de belangrijkste leverancier van neo-middeleeuwse tegels met ingebrande kleuren. Het koor is van de kruisbeuk afgescheiden door een houten opengewerkte afsluiting met middendoorgang, ontworpen door Florimond Van de Poele. Bovenaan zijn voorgesteld het Laatste Avondmaal, de Vertroosting van Christus in de Hof van Olijven, Ecce Homo, de Kruisdraging, de Graflegging. Op het middengedeelte van de afsluiting staat het Triomfkruis omgeven door de beelden van Maria en Johannes.

In de oude Onze-Lieve-Vrouwkapel vertonen de reliëfs van het stenen altaarretabel (1868) van links naar rechts: de Bruiloft van Cana, de Ontmoeting van Christus en Maria tijdens de Kruisweg, de Gekruisigde tussen Maria en Johannes, de Dood en de Hemelvaart van Maria. Ook op het glasraam in de oostgevel zijn er scenes uit het leven van Onze Lieve Vrouw afgebeeld. De wapenschilden van pausen, bisschoppen en kapeleigenaars in de drie ramen in de zuidmuur hebben betrekking op de geschiedenis van de oude bedevaartkapel. Het "neogotisch bewerkte" midden- 17de-eeuwse devotiebeeld van Maria en Kind neemt een ereplaats in, rechts van het altaar. Onder het altaar bevindt zich een grafkelder waarin vijf leden van de familie Verhulst hun laatste rustplaats vonden.

In de Philippuskapel is het houten altaar - door de gebroeders Blanchaert, 1874 - toegewijd aan de apostel Philippus die omringd wordt door de andere apostels. Op de zijluiken van het retabel zijn voorgesteld: links Philippe Verhulst en zijn dochter Elisa, vergezeld van hun patronen de heilige Philippus en de heilige Elisabeth; rechts Ernest Van Huele en zijn echtgenote Coralie Verhulst met hun patronen de heilige Ernest (abt van Zwiefalten) en de heilige Carolus Borromeus. De heiligen en de portretten van de donors werden geschilderd door Jules Helbig (1821-1906) van Luik, die in dezelfde periode ook in de Brugse Bloedkapel actief was. Hij behoorde samen met W.H. James Weale en Jean Bethune tot de promotoren van de neogotische bouwkunst in België maar ook van de archeologische monumentenzorg.

In de twee glasramen zijn de patroonheiligen uitgebeeld van de ouders van Philippe Verhulst en van zijn tweede echtgenote, Marie Van de Poele; onderscheidelijk de HH. Carolus en Ferdinand en de HH. Hiëronymus en Maria.

In de kruisbeuk staan tegen de oostwand van links naar rechts de houten beelden van Maria-Margaretha Alacoque (een 17de-eeuwse Franse kloosterzuster die de devotie tot het H. Hart verspreidde en in 1864 heilig werd verklaard), de H. Barbara, de Engelbewaarder en de H. Franciscus. Verder zijn nog de beelden van het Heilig Hart, de H. Antonius en de H. Jozef. In de twee transeptvensters zijn heiligen afgebeeld die in de Nederlanden hebben geleefd of er vereerd werden. In het noordelijk venster staan de HH. Donaas, Godelieve, Coleta en Bonifacius; in het zuidvenster: de HH. Eligius, Willibrord, Amandus en Arnoldus.

Op het zwaluwnest-doksaal bevindt zich een orgel naar een ontwerp van John Sutton - bekend als orgelspecialist - met medewerking van August Martin (1837-1901). Charles Van Robays vervaardigde de orgelkast en het doksaal. Het orgelinstrument werd uitgevoerd door de Brugse orgelbouwer Louis Hooghuys (1822-1885) die daarvoor ook 18de eeuws pijpwerk van onbekende herkomst gebruikte (8). De ontwerpers zochten hun inspiratie bij het oude orgel in de Sankt-Valentinuskirche van Kiedrich (Rheingau), dat de Engelse baronet op zijn kosten te Brugge had laten restaureren door Hooghuys en waarvan Martin ook de luiken had beschilderd. Te Viven zijn de door Martin geschilderde luiken van de orgelkast "1867" gedateerd. Links is de Aanbidding der Herders voorgesteld, rechts de Aanbidding der Wijzen. Op de buitenluiken is in grisaille de Boodschap aan Maria uitgebeeld. Martin heeft in de kerk ook figuratieve muurschilderingen gemaakt, nl. engelfiguren op de zij muren van het hoofdkoor en de Kroning van Maria op de muur boven de westelijke vieringsboog. De Duitse schilder Martin - leerling van Eduard von Steinle - was een protégé van Sutton die hem in de Rheingau had ontdekt en hem in de leer had gestuurd bij Bethune in Gent voor een opleiding in de neogotische kunst. Naast talrijke projecten in en rond Kiedrich voor rekening van Sutton, werd Martin ook in Loppem tewerkgesteld, waar hij in 1869-1871 met advies van Sutton en Guido Gezelle de muurschilderingen en decoratie in het groot salon realiseerde.

De preekstoel- gebeeldhouwd door Leopold Blanchaert in 1875 is versierd met de afbeeldingen van de vier Evangelisten met hun attribuut: Marcus met leeuw, Johannes met arend, Lucas met rund, Mattheus met engel (9).

De veertien staties van de kruisweg zouden door de kunstschilder Bruno Boucquillon (1816-1878) worden geschilderd. Hij was een geboren Kortrijkzaan die in Antwerpen woonde en zowel voor Bethune als voor Sutton talrijke opdrachten heeft uitgevoerd. Op 29 november 1877 schreef BoucquiIIon dat hij dacht vóór einde januari 1878 negen staties klaar te hebben. Na zijn overlijden enkele maanden later, op 27 april 1878, werd echter de volledige opdracht aan de Gentse schilder Robert De Pauw (1842-1914) toevertrouwd. De kruisweg werd in 1883 ingehuldigd. A. Van Becelaere (o.c., blz. 261) vertelt dat BoucquiIIon nauwelijks meer dan schetsen zou hebben gemaakt die zijn weduwe wenste te behouden; De Pauw zou dan de volledige kruisweg hebben geschilderd, hetgeen in de correspondentie BoucquiIIon met Bethune wordt bevestigd.

Uit dit alles blijkt dat de eenvoud van het kerkgebouw die de gezusters Verhulst zich hadden voorgesteld, werd overtroffen door de rijke decoratie en bemeubeling die wisselende kunstsmaken en liturgische veranderingen hebben overleefd.

Viven beoordeeld
Een van de vroegste getuigenissen over Vivenkapelle dateert van 1862 en is van de Engelse kunsthistoricus W.H. James Weale (18321917) die toen in Brugge woonde. Zijn grote archeologische kennis en zijn opvattingen over monumentenzorg voerden hem tot in de Koninklijke Commissie voor Monumenten waar hij Jean Bethune als lid ontmoette. Toen Weale in 1863 de Gilde de Saint-Thomas et de Saint-Luc oprichtte voor de studie van de oude kunst en de promotie van de neogotiek, werd Bethune weldra voorzitter van dat selectief genootschap. Ontegensprekelijk heeft hij op het gebied van archeologische neogotiek een diepgaande invloed van de Engelse archeoloog ondergaan. Daarvan getuigt o.a. hun correspondentie. In diverse publikaties had Weale reeds de aandacht gevestigd op de Iaat-middeleeuwse Brugse bouwstijlen waarvan nog talrijke prachtige voorbeelden bewaard waren. Hij ijverde ervoor dat waardevol patrimonium in stand te houden en om de karakteristieken ervan te adapteren in nieuwe gebouwen. In zijn gids Bruges et ses Environs (eerste uitgave 1862, p.. 224) schrijft Weale uitvoerig over Viven, hoewel toen enkel de pastorie voltooid was en men nog volop aan de kerk en het Broedersklooster met de school bouwde. Wij citeren: "Les dispositions du presbytère me paraissent de beaucoup supérieures à celles de l'école et de la maison attenante, qui, pour l'effect général, sont trop rapprochées du presbytère. Le porche au côté sud du presbytère est fort joli. La façade méridionale de l'école me paraît au contraire nue et laide. Néanmoins le tout, pris ensemble, forme le groupe le plus important et le plus remarquable qu'on ait construit de nos jours, en style ogivale, dans la Flandre. "

Het Broedersklooster en de jongensschool.
Wanneer de Gilde de Saint- Thomas et de Saint-Luc op 11 september 1867 de site bezocht, heeft men in het Bulletin (I, 1863-1869, p. 43-44) van de vereniging de indrukken genoteerd van kanunnik Franz Bock (1823-1899) van Aken, befaamd oudheidkundige en eerste conservator van het Erzbischöfliches Diözesan-Museum in Keulen: "Mgr. Bock a été très heureux de voir les nouvelles constructions de Vive. On bâtit beaucoup en Allemagne et sur les bords du Rhin dans le style ogival, mais il croit que nulle part on n'a construit une église, un presbytère et une maison d'école d'un style aussi pur et d'un caractère correspondant mieux à la destination de ces constructions. L' orateur a été charmé de voir introduire un jubé à l'église de Vive, car l'introduction d'un jubé facilite singulièrement la bonne construction de l'autel. Toutefois le jubé de Vive est un peu trop riche à ses yeux. (..) L'autel de Vive est d'une exécution remarquabie, et l'on est charmé que tout y concourt à l'édification du célébrant et des fidèles. (...) Il a été frappé du dallage de l'église. de fabrique Anglaise (...). Le couvent de Vive, quoique d'un bon style est trop petit dans ses dispositions; le cloitre surtout est trop serré et l'ensemble fait l'effèt d'une construction destinée à être mise sous verre. Il n'en est pas de même de la maison du curé dont le plan mériterait d'être publié (...). L'école de Vive est aussi satisfaisante; c'est une très bonne pensée que d'avoir séparé l'habitation des frères de l'école même. "

Op 29 augustus 1900, toen Jean Bethune reeds enkele jaren overleden was, heeft de Gilde nog eens Vivenkapelle bezocht en werd er toen door de hoogbejaarde Elisa Verhulst verwelkomd. 

De latere archivaris van het bisdom, Michiel English, schreef in zijn bijdragenreeks "En marge du Calendrier" in het Brugs weekblad La Patrie, dd. 22 oktober 1932: "M. Verhulst désirait vivement rendre le sanctuaire à sa destination primitive et réinstaller la Madone miraculeuse sur son trone. Dieu lui accorda la joie de voir ses souhaits réalisés. Plus encore, le sanctuaire Marial, confié aux soins de la famille Verhulst, leur serait redevable d'une restauration intégrale, d'un relèvement de l'antique dévotion qui éclipse de beaucoup la splendeur des temps passés.

Cette oeuvre était réservée aux deux filles de M. Verhulst qui s'adressèrent au baron Béthune pour la construction de l'ensemble merveilleux formé par l'église, le presbytère et les deux couvents. Béthune a créé des choses plus grandioses - songeons à l'abbaye de Maredsous et au béguinage de Gand - il n'a jamais créé quelque chose de plus harmonieux, de plus intime, de plus ravissant que cette merveille de Vyve-Capelle.

Cela rappelle l'abbaye par son caractère monumental, la petite ville moyennageuse du béguinage par son imprévu et sa variété, mais surajoute à tout cela la beauté transcendente d'une belle nature, qui ne dessine pas, comme par ailleurs, le cadre du chef d'oeuvre, mais en forme partie intégrante. Béthune avec son respect des choses du passé a conservé la chapelle du quatorzième siècle, (elle forme le choeur de la Vierge), seulement il lui a rendu son atmosphère du moyen age, il l'a métamorphosé en véritable "Sainte chapelle", toute bleue et dorée, toute resplendissante de vitraux et de sculptures polychromes. Ce genre-Béthune est passé de mode et je ne suis pas de ceux qui le regrettent; mais on a tort d'en vouloir trop médire: ce genre a produit des chefs-d'oeuvres et cette chapelle de Vyve Capelle en est certainement un, sinon le plus réussi. A cette chapelle, Béthune accola toute une église de grandes proportions, de style sévère et harmonieux. Ce n'est pas, quoiqu'on ait pu dire, une église qui porte le caractère local de nos pays du Nord; elle se rattache aux traditions du passé. Mais elle porte, peut-être malgré les intentions de l'auteur, un cachet spécial qui vient de lui et qui équivaut à sa signature. "

Thans, enkele decennia later, schrijft Jean Van Cleven in zijn studie over het kasteel van Caloen in Loppem enige opmerkingen die ook op de architectuur van Viven toepasselijk zijn, namelijk dat de inbreng van Bethune werd "ingegeven door een diep geworteld traditionalisme, dat een terugkeer naar de zuivere principes van A.W.N. Pugin dicteerde. Omdat het vormelijke aspect, geheel volgens de 'True Principles' met lokale archeologie werd ingevuld, legde hij echter wel de basis van een persoonlijke, diepgaande assimilatie van de neogotiek in deze gewesten." (p.132).

Tenslotte
Viven is nog steeds een levendige parochie. De Broedersschool met klooster hield in 1960 op te bestaan en wacht sedertdien op een dringende restauratie en op een zinvolle herbestemming. De laatste zusters verlieten hun klooster in 1973. Hun school was twee jaar vroeger een afdeling geworden van het O.L.Vrouwcollege in Assebroek en sindsdien geëvolueerd tot een prettige moderne dorpsschool met gemengd kleuter en lager onderwijs. De restauratie van het voormalige Zustersklooster vormde de aanleiding om in 1998 het complex van Vivenkapelle voor te dragen voor de Vlaamse Monumentenprijs. Daardoor kon de publieke belangstelling voor de neogotische site worden opgewekt, maar vooral de openbare instanties worden aangemoedigd om de restauratiecampagne verder te zetten. Viven werd één der vijf genomineerden voor de prijs en tijdens de Open Monumentendagen stroomden de bezoekers toe. Sindsdien is de kerk een vaste stek geworden in het programma van Musica Flandrica en staat Vivenkapelle op het parcours van menige architectuur- en cultuurtoerist.

Beeld van Onze - Lieve - Vrouw - van Viven (midden /7de eeuw) in een neogotisch kader.
Viven is een zeldzame getuigenis van een neomiddeleeuws ideaal van de "societas perfecta" ter ere Gods en voor de opbloei van de rooms-katholieke kerk en samenleving. Zij is daarenboven tot stand gekomen door de samenwerking tussen rijke opdrachtgevers - gedreven door een krachtige geloofsovertuiging en een katholieke sociale bewogenheid - en een groep neogotische kunstenaars teneinde een religieus project tot stand te brengen dat uit één visie is ontsproten. Door de mildheid en de standvastigheid van de familie Verhulst, en niet in het minst door haar vertrouwen in de bouwmeester, heeft Bethune daar voor het eerst op een eigen manier volledig gestalte kunnen geven aan een uniek bouwkundig ensemble. In Vivenkapelle heeft de neogotiek in Vlaanderen een hoogtepunt bereikt, zowel door de systematische planning van het gehele ontwerp, als door de inrichting en de ikonografie van het kerkgebouw, met daarbij nog de artistiek-ambachtelijke afwerking door de vaste ploeg medewerkers

Luc Devliegher en Lori Van Biervliet

 

Bibliografie

Algemeen over Vivenkapelle:
A. VAN BECELAERE, Geschiedenis van Onze Lieve Vrouwe van Viven. Heerlijkheid, kapel, wonderbeeld, proosdie, kerk, klooster, parochie, Roeselare, 1901;
E. DE BETHUNE, Vijve-kapelle, een neogotische droom in 't oosten van Brugge, in Biekorf, 78 (1978), p. 313-320;(zie hierboven)
R. BOTERBERGE, Geschiedenis van het kerkdorp Vivenkapelle, Vivenkapelle  Damme; 1985;
ID., Vivenkapelle, parel van de neogotiek, Vivenkapelle / Damme, 1990;
L. DEVLIEGHER en L. VAN BIERVLIET, Vivenkapelle, Ein neugotisches Kirchdorf im Schatten des mittelalterlichen Brugge, in Hausbau in Belgien, Jahrbuch ftir Hausforschung, 44 (1993), Marburg, 1998, p. 195-216.

Over de heren van Viven:
J. SABBE, Heinric Braderic, een Brugse "homo novus" uit de 14de eeuw, in Album Albert Schouteet, Brugge, 1973, p.169-175;
N. GEIRNAERT, Het archief van de familie Adornes en de Jeruzalemstichting te Brugge.
 I: Inventaris,
II: Regesten van de oorkonden en brieven tot en met 1500, Brugge, 1987, 1989.

Over de restauraties:
M. GOOSSENS, De Onze-Lieve-Vrouw-Geboorte en Heilige Philippuskerk te Vivenkapelle: de volmaakte neogotische dorpskerk, in M & L, Monumenten en Landschappen, 9 (1990), nr.5, p.38-51;
A. FAUCONNIER en P. ROOSE, Het orgel van Vivenkapelle, in M & L, Monumenten en Landschappen, 13 (1994), nr. I, p.8-30.

Over Jean Baptiste Bethune en zijn medewerkers:
J. HELBIG, Le Baron Bethune, fondateur des écoles Saint-Luc, Rijsel-Brugge, 1906; Nationaal Biografisch Woordenboek I (1964), kol. 188-191 (L. DEVLIEGHER);
J. VAN CLEVEN, Jean-Baptiste Bethune: een neogotische roeping, in Neogotiek in België, Tielt, 1994, p.167-199;
ID., "The Etemal Chäteau": bouwgeschiedenis en kunsthistorische analyse van het neogotische kasteel van Loppem, in Het Kasteel van Loppem, Zedelgem, 200 I, p.63-136; Bourdon 1811-1967, tentoonstellingscatalogus Sterckshof, Antwerpen, 2002.

Over John Sutton, A. W.N. Pugin en de invloed van de Engelse neogotiek:
C.H. DAVIDSON, Sir John Sutton, A Study in True Principles, Oxford, 1992;
P. ATTERBURY en C. WAINWRIGHT, Pugin a Gothic Passion, tentoonstellingscatalogus V&A, Londen, 1994;
L. VAN BIERVLIET, Leven en werk van W.H. James Weale, een Engels kunsthistoricus in Vlaanderen in de 19de eeuw (Verhandelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, Klasse der Schone Kunsten, jr. 53, nr.55), Brussel, 1991;
ID., Over neogotiek en in het bijzonder in het Brugse, in Biekorf, 94 (1994), p. 56-73;
ID., De relatie van James Weale met Jean Bethune, Brieveneditie (Bronnen en bijdragen tot de Vlaamse Geschiedvorsing, nr. 5, Genootschap voor Geschiedenis 'Société d'Emulation', Brugge, 1996;
ID., John Sutton, het Engels seminarie en Aimé Boone, in Biekorf, 96 (1996), p. 40-68;
J. BURG en H. KREMER, Neogotische Künstler urn Sir John Sutton, in Pfarrkirche St. Peter und Paul Eltville 1353-2003, Eltville am Rhein, 2002, p. 135-158;
A. JACOBS, "De begaafde colorist uit het Rijnland". Leven en werk van kerkschilder August Martin (1837-1901), in De Maasgouw, 121 (2002), p. 3-19.

(1) Deze bijdrage is een herwerkte versie van het Duitse artikel van beide auteurs dat in 1998 verscheen (cfr. Bibliografie);

(2) "...Sana petitio pro parte tua nobis nuper exhibita continebat quod tu ad divini nominis laudem et gloriam ac in honorem beatae Mariae Virginis unam capellam in fundo proprio patrimonii tui infra limites parochialis ecclesiae sanctae crucis brugensis tornacensis diocesis...fundare, construere et de propriis tuis bonis videlicet de viginti quatuor libris turonensium parvorum annui et perpetui redditus dotare proponis. " De pauselijke bul werd uitgevaardigd te Avignon op de derde voor de Iden van oktober (" ...tertio idus octobris pontificatus nostri anno octavo. "), in het achtste jaar van het pontificaat van paus Clemens VI ( paus verkozen op 7 mei 1342 en gewijd op 19 mei). In het kerkarchief van Vivenkapelle bevindt zich een kopie uit 1720 van de hierboven vermelde oorkonde uit 1456 waarin de bul uit 1349 is ingelast.

(3) "Tabuia altaris aliquatenus honesta in qua est pictura referens Beatam
Mariam cum puero Jesu          In muro australi pendet pictura referens in medio B.
Mariam cum puero Jesu et angelis ministrantibus, et in uno assere cIausurae ei usdem B. Catharinam, et in altero ut apparet Agnetem. In muro boreali alia pictura sine clausura referens B. Mariam Maiorem. " (f° 20 v)." Statua B. Mariae supra tabulam altaris satis honesta." (f° 21). Brugge, Rijksarchief, Nieuw Kerkarchief, nr.393.

(4) Graaf Joseph de Hemptinne (1822-1909), een medestander van J. Bethune, stelde in de jaren '60 te Maaltebrugge, een gehucht van Sint-Denijs-Westrem, grond ter beschikking van kunstenaars die er hun atelier vestigden: Leopold Blanchaert (beeldhouwwerk), zijn broer Leonard (meubelschrijnwerk en dekoratief beeldhouwwerk), hun schoonbroer Adrien Bressers (schilderwerk), Armand Bourdon (smeedwerk), Leopold Firlefijn (kopersmederij). Ze werkten veelal samen met J. Bethune die in 1858 zijn glasatelier van Brugge naar Gent had overgebracht;

(5) We danken van harte architect Meyer voor de verstrekte inlichtingen i.v.m. de restauratie en voor de bereidwillige toelating enkele plannen van zijn hand te mogen afdrukken. Onze dank gaat eveneens naar ere-burgemeester Emmanuel de Béthune uit wiens familiearchief te Marke/Kortrijk we enkele tekeningen mochten reproduceren

(6) Dat gebeurde naar analogie met de zijgevel van het kasteel van Caloen te Loppem waar o.m. het jaartal 1859 is ingewerkt.

(7) In een brief van 27 april 1872 wordt aan Bethune naar de tekeningen gevraagd. In de 3de uitgave van zijn "Bruges et ses environs" ( 1875, p. 292) schrijft J. Weale:" Les sept Douleurs de Notre Dame dans le cimetière ont été sculptées par L. Blanchaert

(8) Op het einde van de l8de eeuw stond op het kleine kapeldoksaal een klavecimbel. A. Van Becelaere, o.c., p.176

(9) In een brief dd.19 april 1873 vraagt Elisa Verhulst aan Bethune of  Van Nieuwenhuyse "les statues " van de preekstoel - die toen in de maak was - mocht vervaardigen .De Brugse beeldhouwer Jules Van Nieuwenhuyse (1830-1891) had in 1869-1871 in de kerk van de buurgemeente Moerkerke de altaren, de koorzitsels en de kommuniebank gemaakt

(10) De neogotische architectuur van de besproken gebouwen heeft maar weinig invloed uitgeoefend op de architectuur van het gehucht, slechts enkele huizen langs de steenweg kregen een neogotische gevel. Een "middeleeuws dorp" is het niet geworden! Een klein huis (Bradericplein 14) met in de puntgevel een samengestelde travee-nis waarin een beneden- en een bovenvenster, is op de zijgevel 1870 gedateerd. Rechtover de kerk heeft een vroegere herberg (Bradericplein 23) een 1885 gedateerde trapgevel. De vensters met een houten raamindeling i.p.v. stenen kruisen, zitten onder een onderbroken samengestelde boog die te Brugge vanaf het tweede kwart van de 16de eeuw voorkomt. De boogvelden zijn onversierd gebleven. Aan het begin van de dreef die naar het buitenverblijf van de familie Verhulst leidde, staat de kleine Sint-Jozefskapel uit 1883

Te raadplegen in RAB

Heerlijkheid Viven, RAB INV 47

Archief van de heerlijkheid Viven, 1555-1795
- Registers met resoluties (155-1727)
- Registers van onroerende goederen "omlopers, verhoofdingen" (1624-1777)
- Rekeningen en staten van lasten en belastingen (1703-1789)
- Registers met wettelijke passeringen (1712-1793)
- Wettelijke passeringen (1712-1793)
- Registers van gerechterlijke procedures (1660-1745)
- Burgerlijke rechtspraak (1686-1746)
zie ook RAB Brugse Vrije, registers nrs 11192-11284
- Archief Kapel OLV van Viven (1681-1858)
- Archief van OLV- van Troost (1688-1738)

 Archief van de heerlijkheid Vijve, 1746-1796
1122. oorkonde van de schepenen van viven betreffende de overdracht door Ghelin vander Beke en zijn vrouw Pierone van Minshole aan Jan Cruweel, kapelaan van de Jeruzalemkapel, van een perceel van 8G 2L 12R in de heerlijkheid van Viven voor de Jeruzalemstichting, 15 dec. 1530.
1123. Kennisgeving van de kadastrale schatting van het perceel sectie A409 in Sint-Kruis, 27 maart 1897
1124. Pachtcontracten van onroerende goederen in Viven, 1820 en 1823
1125. Pachtcontract, met ontwerp, tussen Lud.Lucq, namens graaf fr de Thiennes de Rumbeke, en Carolus Maenhout  voor een hofstede met 3 ha 93a 11ca in Viven.
1126. Pachtcontract van dezelfde landbouwuitbating, tussen barones Asterérie de Draeck en Joanna Theresia en Anna Catharina Maenhout, 18 mei 1866.
1127. Pachtcontract van een deel van dezelfde uitbating tussen graaf Henri de Limburg Stirum en Catharina de Voldere, weduwe Jos. de Jaegher 10.04.1894
1128. Rekening van timmerhout an de hoeve, bewoond door Carolus Maenhout, 1862 
- 1129. Pachtcintract tussen barones Asrérie de Draeck en Petrus van Kersschaever, molenaar te Sint-Kruis, van een molen met woonhuis en erf samen 11a 85ca in Viven 20.08.1864
1130. idem, 22.04.1871
1131. Pachtcontract tussen graaf Henri de Limburg Stirum en Marie Stockman, weduwe Petrus van Kersschaever, van een  stuk land van 53a 10ca in Viven, 10.04.1894

 

Deze foto's werden genomen tijdens een WHSK-wandeling door Michel en Monique Vandenbrfande- Depraetere