Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Tiendenheffing

Reeds in de Bijbel werd al gesproken (Deuteronomium 12:11) over het afdragen van een tiende van de oogst aan de Joodse Tempel.

Een tiende (tiendrecht en tiendenrecht) was een vorm van winstbelasting, waarbij men een deel van de opbrengst diende af te staan. Deze tiendenheffing  werd in Europa pas ingevoerd ten tijde van Pepijn III (714-768). Ze was bedoeld als een sociale belasting, die moest dienen ter financiering van de armenzorg, het levensonderhoud van parochiepriesters en de instandhouding van kerkgebouwen. In gebieden waar de tienden pas in latere eeuwen werden ingevoerd, kwam er ook een deel toe aan de bisschop.

In de parochie van Sint-Kruis (voor de Franse Revolutie sprak men niet van gemeenten) was het Kapittel van Sint-Donaas de tiendenheffer. In 1108 had de bisschop van Doornik namelijk aan het kapittel daartoe de toelating gegeven. 

Om nu deze belasting gemakkelijk te kunnen heffen, werd de parochie in tiendenhoeken ingedeeld. Deze hoeken werden door één of meerdere landmeters opgemeten, werd er door hen aan de tiendeheffer (hier in casu het Kapittel van Sint- Donaas) meegedeeld wie de gebruikers waren en wat en hoeveel zij teelden (heden zouden we dat een landbouwtelling noemen).

- De tienden op gewassen werden ook vruchttienden genoemd.
- Vleestienden of bloedtienden vervingen de gewone tienden in gebieden waar de veeteelt domineerde of waar de landbouwers via veeteelt probeerden aan de belasting te ontsnappen.
- Novale tienden waren tienden op nieuwe gewassen of op nieuw ontgonnen land.
- De grote of grove tiend had betrekking op graanproducten en boekweit.
- De kleine of smalle tiend had betrekking op gewassen als peulvruchten, wortelen en knollen, hop en dergelijke 
- Schoof: omdat de tiende moest verdeeld worden tussen drie of vier instellingen (armen, kerk, pastoor en eventueel bisdom) kon één van de partijen zijn deel apart ophalen. Men spreekt dan over de 'derde schoof' of 'vierde schoof'.

De landmeters Jan Sappart en zoon hebben in 1670/1677 de heerlijkheid Male en Viven opgemeten.
In hun inleiding schreven ze dat de gehele 'prochie Ste Cruys' 3640 gemeten groot was en dit zonder de 'velden'. Dit wil zeggen zonder rekening te houden met het Maleveld, het Sijseeleveld, enz..omdat die toch niet of weinig ontgonnen waren.
Grachten, wegen, gebouwen werden afgetrokken van de opgemeten oppervlakte. En zo werden er slechts 2200 gemeten van de 3640 effectief gebruikt en daarvan werden 1950 gemeten aan 100% belast. Dit komt omdat de landmeters ook de waarde van de grond en daarmee de belastingsvoet bepaalden. Zo noteerden zij bv. vulland (zeer goede grond) is aan 100% belastbaar,  één over drie is voor 1/3 belastbaar, één over vier is voor 1/4 belastbaar, etc. In hun opmetingen over de heerlijkheid Male zien we dat deze grond minder waard is dan op de rest van de parochie, want de Spijkersmaelhouck, de Maelschenhouck en de Meulenhouck en het merendeel van de Veertig Gemeten houck zijn mager en "veldachtig" land (woest en onontgonnen). En zij melden ook nog dat er 76 gemeten en 120 roeden niet als bezaaid zijn opgenomen aangezien zij reeds vermeld waren op de lijst van de tienden van Sinte-Catherine in Damme.