Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Petronilla van Outryvestraat

Onze leden Roger Denolf en Marcel Dhoore hebben ontdekt dat er zonder veel poeha een nieuwe straat is geopend te Sint-Kruis. Het betreft hier een "pijpekop" noord in de Oude Hoogweg. De foto is geschonken door  Roger Denolf.

 

 

Heemkunde Sint-Kruis
Heemkunde Sint-Kruis Heemkunde Sint-Kruis Heemkunde Sint-Kruis

Petronilla van Outryve tussen haar 2 kastelen nl. Fort de Bavière te Koolkerke en Rooigem te Sint-Kruis

 

 

Andries van den Abeele schreef in het Brugs Ommeland, jaargang 2003, pag.99-140, over Petronilla het volgende:

 

Petronilla van Outryve
een geëmancipeerde vrouw in de 18de eeuw
1748 – 1814

 

De voorouders

Maria-Petronilla Van Outryve werd op 11 mei 1748 in de garnizoenstad Damme geboren. Ze overleed in Brugge op 21 mei 1814[1].
Haar moeder, Jacoba de Krijger (1711 – Brugge 1764), was de dochter van Jan de Krijger (1682 – Damme 1750), een uit Friesland afkomstige militair[2], die in 1710 gehuwd was met een Zeeuws meisje, Anna de Deyne (1691- Damme 1731)[3] en zich in Damme als handelaar en smid vestigde. Vanaf 1724 nam het gezin zijn intrek in de door hem aangekochte Christoffelhoeve. Jan de Krijger was Calvinist en bekeerde zich slechts in 1731, aan het sterfbed van zijn vrouw. Hoewel zij katholiek was en hun kinderen katholiek gedoopt werden, was het echtpaar destijds in Holland voor een dominee in de echt verbonden en op 20 januari 1731, daags voor haar dood, werd het katholiek huwelijk voltrokken door de pastoor en deken van Damme, Ignatius De Puis[4], met als getuigen zijn onderpastoor en de pastoor van Moerkerke. Men kan het zich voorstellen dat drie priesters niet te veel waren om de koppige Fries te overtuigen zijn geloof af te zweren en een katholiek huwelijk aan te gaan![5] In ‘gedooggebieden’ waartoe Damme behoorde, was calvinisme geen beletsel om openbare ambten uit te oefenen, zodat De Krijger schepen van Damme werd[6].
Jacoba de Krijger, oudste dochter uit het gezin van negen kinderen, huwde in 1736 met Pieter-Franciscus van Outryve (Oostrozebeke 1703 – Damme 1749) cum dispensatione super tribus bannis: er was haast bij want ze was in verwachting. Het ging nochtans niet om een relatie tussen onstuimige jongelui: hij was drieëndertig, zij zesentwintig. Hij was afkomstig uit een welstellend geworden landbouwersgeslacht uit Oostrozebeke, waarvan verschillende leden aan hun maatschappelijke opmars waren begonnen en behoorde tot een gezin met tien kinderen (uit twee huwelijken), waarvan hij als enige voor nageslacht zou zorgen. Zijn vader, Josse van Outryve (1678-1764) bewoonde het Hooghuys op het Marktplein van Oostrozebeke en was van 1716 tot 1760 burgemeester van de heerlijkheid Ten Daele Eename. 
Pieter van Outryve vestigde zich als handelaar in Damme en kocht tevens het ambt van stadsthesaurier. Het gezin had acht kinderen: Anne-Marie (1736-1737), Pieter-Frans (1738-1747), Jean-Jacques (1740-1815), Jean-Georges (1741-1819), Jeanne-Françoise (1743-1768), Emmanuel-Louis (1745-1827), Marie-Claire (1747-1747) en als jongste Maria-Petronilla (1748-1814). Vaak werd door burgers het peter- of meterschap aangeboden aan een lid van de adel die hiermee zijn welwillende steun tegenover het gezin betuigde. Niet zo bij het echtpaar van Outryve, dat voor hun kinderen als peters en meters uitsluitend gewone burgers koos, al dan niet familieleden, wat mag doen aannemen dat het weinig contacten onderhield met adellijke kringen[7].
Pieter van Outryve en zijn schoonvader De Krijger stierven kort na elkaar. Pieter moet niet altijd welvarend geweest zijn, wat er toe aanleiding gaf dat nog een halve eeuw later, in politieke pamfletten, zijn zonen met de nodige overdrijving voor ‘kinderen van een bankroetier’[8] werden versleten. Aanleiding tot moeilijkheden was in 1746 een proces vanwege zijn voorganger, aan wie hij nog een bedrag voor slot van rekening bij de overname van het thesaurierschap verschuldigd bleef, hetgeen leidde tot roerend beslag op de (eerder bescheiden) inboedel van de Christoffelhoeve[9]. Niettemin verwierf van Outryve enkele eigendommen, waaronder de huizen Craenenburg en Het Sweert, beide in Damme. Waarschijnlijk achtte hij zichzelf al voldoende behorend tot de welstellende burgers om zijn gelaatstrekken te laten vereeuwigen. Het portret dat van hem bestaat, werd weliswaar pas lang na zijn dood door Jozef Suvée gemaakt (die in 1749 nog maar zes jaar oud was), zeker na 1771 aangezien het wapenschild van de pas in dat jaar verkregen adellijke titel er op voorkwam, maar de schilder moet toch over een model hebben beschikt, waar hij zich op kon baseren[10]. Na de dood van Pieter van Outryve werd het ambt van stadsthesaurier nog drie volle jaren door zijn weduwe uitgeoefend en elk jaar kwam ze aan het bestuur van het Brugse Vrije de rekeningen voorleggen[11]. Het verder behartigen van een openbaar ambt door een weduwe, in afwachting een overnemer te hebben gevonden, was niet zeldzaam, maar een periode van drie jaar was toch eerder uitzonderlijk.
De weduwe kwam zich met haar vijf in leven gebleven kinderen, waarvan de oudste amper negen was, in Brugge vestigen. Ze had toen duidelijk financiële problemen, tenminste als men Joseph van Huerne de Puyenbeke mag geloven, die in 1814 naar aanleiding van het overlijden van Petronilla van Outryve, in zijn persoonlijke notities zonder veel sympathie over haar en haar familie schreef: “Dese hebben veel arme vrienden[12], komen van Oostroosebeke en Damme, sijn opgekomen[13]; mijn vader heeft mevrouw Stappens, Mr van Outryve Ydewalle, Mr van Merckem nog al buijten[14] weten met klooffen of holle blocken gaen, in sleghte gescheurde kleederen, die selve die nu soo opulent leven, bankiers sijn, maer veel in assignaten betaalt hebben”[15]. 
De vestiging in Brugge bracht oplossing, omwille van de betere mogelijkheden voor de opvoeding van de kinderen, maar vooral vanwege de toevlucht die de weduwe bij twee rijke schoonbroers vond, die zich over het gezin ontfermden en het huisvesting verschaften in hun aanzienlijk patriciërshuis genaamd De Lecke, op de Sint-Jansplaats. Het ging om Josse van Outryve (Oostrozebeke 1706 – Brugge 1773), bijgenaamd den Langen en zijn halfbroer Louis-Emmanuel van Outryve (Oostrozebeke 1724 – Brugge 1786). Allebei kanunnik, hadden ze universitaire studies gedaan en een vleiende reputatie van wijsheid en eruditie verworven. Louis-Emmanuel van Outryve oefende ook politieke invloed uit: namens de geestelijke stand was hij vijfentwintig jaar lid van de Staten van Vlaanderen. Beide broers waren zeer vermogend, als gevolg van verschillende erfenissen. De kinderen van Pieter van Outryve mochten er zich terecht aan verwachten, na wat ze zelf ook al van andere van Outryves hadden geërfd, hiervan de voornaamste begunstigden te zullen zijn.
Een belangrijk deel van het fortuin van beide kanunniken kwam van hun tante Marie-Anne van Outryve (Ooigem 1674 – Brugge 1746), van wie ze geërfd hadden, samen met hun broers, de overleden Pieter en de vrijgezel Augustin van Outryve (Oostrozebeke 1710 – Brugge 1795) die de zaken van de tante verder zette. Marie-Anne van Outryve had zich in het begin van de achttiende eeuw als jonge vrijgezel in de Vlamingstraat gevestigd en had er een handel in textiel en luxeartikelen uitgebouwd, die bijzonder winstgevend bleek te zijn en haar ook een aanzienlijke reputatie bezorgde. Ze mocht het nog beleven dat koning Lodewijk XV – die de Vlaamse provincies tijdelijk had veroverd – kort voor haar overlijden samen met de Dauphin bij haar een langdurig bezoek bracht tijdens zijn Brugs verblijf en er heel wat aankopen deed. Hij liet zich ook door haar uitnodigen op haar buitenverblijf in Merkem[16].
Petronilla van Outryve kwam ter wereld in hetzelfde jaar dat door de Vrede van Aken (1748) aan de Oostenrijkse Successieoorlog een einde kwam. De rust was hersteld en voor onze provincies begon een lange periode van relatieve welvaart, onder de leiding van Keizerin Maria-Theresia en vooral van haar schoonbroer gouverneur-generaal Karel van Lotharingen. Zowel op familiaal gebied als omwille van de algemene toestand, was Petronilla derhalve onder een goed gesternte geboren. Het feit dat haar moeder in 1764 overleed (uitgerekend op dezelfde 18de oktober stierf ook grootvader Josse van Outryve in Oostrozebeke) en Petronilla toen nog maar zestien was, overschaduwde slechts tijdelijk de optimistische vooruitzichten.

 

De adellijke verheffing.
 

Het maatschappelijk succes was in de achttiende eeuw vaak de voorbode van opname in de adelstand, opperste betrachting van menig welvarend geworden burger. Meestal verwierf men de begeerde status door een ambt te vervullen in de keizerlijke administratie, in het leger of zelfs bij de lokale besturen. Sommige ambten verleenden automatisch adeldom, in de andere gevallen moest men zelf de nodige maatschappelijke en financiële argumenten aanbrengen die het gewenste resultaat konden bewerkstelligen. De verheffing in de adelstand die aan het gezin van Outryve – de Krijger in 1771 te beurt viel, was niet zozeer het gevolg van eigen verdiensten, maar van een huwelijk. Ze werd daarenboven volgens een uitzonderlijke procedure toegekend.
In 1767 was de oudste dochter, Jeanne-Françoise van Outryve gehuwd met een politiek zwaargewicht, jonkheer (weldra baron en later burggraaf) Charles-Adrien le Bailly de Marloop (1722-1807)[17]. Jonkheer le Bailly was hiermee beneden zijn stand getrouwd en gelet op het leeftijdsverschil – 21 jaar – ging het waarschijnlijk om een voor beide partijen interessant verstandshuwelijk tussen oude adel en nieuwe rijkdom. Het is niet uit te sluiten dat zijn broer Hubert le Bailly (1728-1810), kanunnik van Sint-Donaas en die zijn collega’s, de kanunniken van Outryve, hierin een bemiddelende rol vervulden. Enkele weken na de geboorte van hun zoon Charles-Joseph (Brugge 1768 – Parijs 1844), die Petronilla van Outryve tot meter kreeg, overleed de echtgenote, amper drieëntwintig geworden. Charles-Adrien bleef weduwnaar en wijdde zich voortaan bijna uitsluitend aan zijn politieke en ambtelijke activiteiten.
Tevens getroostte hij zich inspanningen voor de opleiding van zijn enige zoon, in wie hij grote verwachtingen stelde en die hij liet studeren aan gerenommeerde scholen in Brussel, Rijsel, Straatsburg en Wenen. Hij betrachtte voor hem een mooie carrière en hoopte hem voordelig en prestigieus te kunnen uithuwelijken. Hierbij was er evenwel een handicap. Charles junior was weliswaar een telg uit oude adel door zijn vader, maar van moederskant zou hij geen adellijke kwartieren kunnen voorleggen. Dit zou, eenmaal volwassen, bij het solliciteren naar hoge ambten en nog méér voor het vinden van een passende bruid een nadeel zijn. De politieke invloed van Charles le Bailly was tegen die tijd zo aanzienlijk, dat hij middel vond om hieraan gedeeltelijk en op enigszins verrassende wijze te verhelpen.
In 1771 slaagde hij er namelijk in zijn schoonvader Pieter van Outryve, die meer dan twintig jaar eerder overleden was, postuum in de adelstand te verheffen. Hiermee was meteen ook de overleden echtgenote le Bailly geadeld en zou de zoon later met twee adellijke kwartieren aan de kant van zijn moeder kunnen te voorschijn komen: een mooie opwaardering in het vooruitzicht van een passend huwelijk met een adellijke dochter.  Charles zou trouwens de inspanningen van zijn vader geen eer aandoen, want hij bleef vrijgezel.
De argumenten die in de akte van adelsverheffing werden vermeld, tonen duidelijk aan wat hierbij had doorgewogen. Voor de van Outryves werden geen bijzondere argumenten aangebracht die de verheffing konden rechtvaardigen: de functies van baljuw van Bavikhove, van schepen van de kasselrij Kortrijk en van burgemeester van de heerlijkheid Eename die voor hun voorouders werden vermeld, waren eervol maar bescheiden. Voor de begunstigden zelf werd, behalve het Damse thesaurierschap van Pieter van Outryve, geen enkele titel of rechtvaardiging gegeven. Des te meer werd er de nadruk op gelegd dat Charles le Bailly hoogpointer was geweest van de kasselrij Kortrijk en burgemeester van het Brugse Vrije en dat hij op het ogenblik van de aanvraag burgemeester van Brugge was. De ganse familie le Bailly werd erbij betrokken, - zelfs het zoontje van Marloop - waarvan veel leden uitblonken door de ambten die ze bekleedden en de diensten die ze verleenden. Werden vernoemd: Joseph-Adrien le Bailly d’Inghem (1692-1775), algemeen ontvanger van het Brugse Vrije, Philippe le Bailly de Tilleghem (1719-1785), thesaurier van de stad Brugge en majoor Antoine le Bailly (1735-1795), respectievelijk de vader en de broers van Charles-Adrien. Het was dus overduidelijk ‘van waar de wind kwam’[18].
De overleden vader werd dus in de adelstand verheven en la même forme et manière, qui si dès son vivant nous l’eussions honoré dudit titre, pour lui et ses enfants et descendants de l’un et de l’autre sexe, nés de mariage légitime, onderverstaan ook voor Jeanne-Françoise. Als een ‘nevenproduct’ van deze verheffing, werden meteen ook de in leven zijnde drie broers en de zuster van de overleden echtgenote in de adelstand verheven. Voor Georges, die priester was, en uiteraard ook voor Petronilla, bleef het bij een gewone opname in de adelstand, maar de twee andere broers kregen er meteen een persoonlijke riddertitel bij[19]. Jean-Jacques vestigde die titel op het leen Merkem dat hij, via kanunnik Josse van zijn tante had geërfd en zijn broer Louis-Emmanuel vestigde hem enkele jaren later op het leen Edewalle of Ydewalle dat hij in het dorp Ede bij Aardenburg aankocht.

 

Het huwelijk

Hoe en waar Petronilla de Stappens school liep, vonden we niet terug. Zoals veel meisjes uit de betere stand zal dit waarschijnlijk in een kostschool geweest zijn, geleid door kloosterzusters, misschien in Brussel of in Noord-Frankrijk. Het zal ongetwijfeld een voortreffelijke opleiding geweest zijn, aangevuld door wat ze thuis bij de ooms kanunniken kon leren. Dat dit laatste niet alleen ernstige leerstof inhield, maar ook het vrolijke leven betekende, is duidelijk. De kanunniken van Outryve waren gastvrije heren en bij hen werd vaak vergaderd en feest gevierd. Vooral waren er de regelmatige kaartavonden, waarbij voor geld werd gespeeld[20]. De heren leefden ‘breed’ en hadden hun eigen zomerverblijf, het Smouthuys, langs de Damse vaart, waar ongetwijfeld ook de kinderen van Outryve hun zomers doorbrachten en waar kanunnik Louis-Emmanuel, lid van de Confrérie van Sint-Dorothea zijn botanische hobby kon uitleven[21]. 
Voor Petronilla kwam de verheffing in de adelstand net op tijd om aanspraak te kunnen maken op een adellijke partner. Begin 1773 huwde ze met jonkheer Philippe de Stappens (Brugge 1742-1784), zoon uit een Frans-Vlaamse adellijke familie die al sedert meerdere generaties ambtelijke functies in het stadsbestuur van Brugge of in het Brugse Vrije uitoefende[22]. Hij was de zoon van schout Valentin de Stappens de Harnes (1713-1777)[23], en werd licentiaat in de rechten. In 1763 werd hij lid van de Sint-Sebastiaansgilde[24], in 1765 confrater van de Kunstacademie[25] en lid van het rechtskundig genootschap de ‘Sabbatine’[26], in 1766 lid van de confrerie van rechtskundigen Sint-Ivo[27] en van de Sint-Jorisgilde[28], in 1770 van de Edele Confrerie van het H. Bloed[29], in 1773 van de Confrérie van Onze-Lieve-Vrouw van den Drogen Boom[30] en in 1777 van de schuttersgilde in Sint-Kruis[31]. Verder was hij ook nog lid van de Sint-Jorisgilde in Kortrijk en van de Rederijkerskamer van de H.-Geest[32]. Op 18 november 1767 werd hij raadslid van de stad Brugge, in principe de eerste stap voor een ambtsadellijke loopbaan. Als speciale opdracht kreeg hij de warrandatie van het leder, in 1771 werd hij bevorderd van 8ste naar 6de raad en kreeg als opdracht de warrandatie van de zeep. Hij leek dus goed op weg. Als het wat meezat zou hij weldra tot schepen van Brugge of van het Brugse Vrije worden benoemd en misschien kon hij later zijn vader als schout opvolgen.
De huwelijksplechtigheid die feestelijk plaats vond in de Sint-Donaaskathedraal op 16 februari 1773[33], werd voorafgegaan door het afsluiten bij notaris Joseph Ryelandt van een uitgebreid contract[34]. Daarin kwam de uiteenlopende inbreng van elkeen duidelijk tot uiting. Philippe de Stappens de ter Walle[35] bracht een hele resem lenen, “gestruikte lenen” en heerlijkheden in, afgestaan door zijn vader en hoofdzakelijk gelegen in Sint-Winoksbergen en omgeving. Veel daarvan stelde weinig voor en bracht nauwelijks iets op. Er waren niettemin een paar mooie aanbrengsten, zoals de hoeve Den grooten prior in Looberg met 16 ha grond, het goed Ter Walle, een landhuis met 1,5 ha hoveniersgrond in de Koopmansstraat in Brugge, die voor 30 pond per jaar was verhuurd, een hoeve met 50 ha landbouwgrond in Cadzand die voor 60 pond was verhuurd en het kasteeltje gebouwd in het Fort van Beieren in Koolkerke dat in leen werd gehouden van de prins van Croÿ. De beschrijving van wat Petronilla van Outryve inbracht was veel beknopter, maar daarom niet minder belangrijk, integendeel. Haar bruidschat bedroeg 50.000 klinkende guldens wisselgeld, of zowat zeven duizend ponden, zonder het dan nog te hebben over alles wat ze nog te verwachten had[36]. 
Het jonge echtpaar ging een appartement betrekken in de ruime woning van de kanunniken van Outryve. Op 22 november van hetzelfde jaar 1773 werd een eerste en enig kind geboren, Louis-Philippe de Stappens. Bij zijn doopsel in de Sint-Donaaskathedraal trad kanunnik Louis-Emmanuel van Outryve op als zijn peter en Vrouwe Marie Damerin de Merlebeke, stiefmoeder van Philippe de Stappens als zijn meter.



Het vrolijke leven
 

De jonge echtgenoot sleepte Petronilla alvast mee in het ontspanningsleven. Het jaar van haar huwelijk werd ze lid van de schuttersgilden Sint-Joris en Sint-Sebastiaan. Philippe de Stappens was actief lid van de Sint-Jorisgilde, de voornaamste recreatieve ontmoetingsplaats van de Brugse elite. Hij wordt vermeld in 1767 bij de groep van 20 leden die per speciale schuit naar Gent trokken voor een feestelijke schieting, gebeurtenis die overschaduwd werd door de plotse dood van de stadhouder van de gilde, burgemeester Dominiek Coppence van Wintsvelde[37]. 

Op 18 juni 1775 greep onder de leiding van hofmeester Joseph Van Praet een koningsschieting plaats en schoot de Stappens zich tot Sire. Dit was een hele gebeurtenis, want de koning behield in principe levenslang zijn titel, zodat maar zelden koningsschietingen plaats vonden. De feestelijkheid begon om 8 uur met een samenkomst in de gilde, gevolgd door een H. Mis en het zegenen van de vogel in de gildenkapel. Om 10 uur werd de vogel op de pers geplaatst en de pelotons geloot. Om 11 uur werd de maaltijd geserveerd. Daarna trok men in stoet naar de woning van hoofdman Lauwereyns in de Kuipersstraat en werd hij per koets naar de gilde begeleid, terwijl de beiaard speelde. Om 15 uur begon de schieting en schoot Philippe de Stappens bijna onmiddellijk de hoofdvogel af. Daarop werd hem onder acclamatie van de omstanders door de hoofdman de gouden vogel omhangen, terwijl de fanfare speelde en de kanonnen losbrandden. Na een goed overgoten receptie, volgde om 20 uur het avondmaal. 
Vervolgens trok men naar de woning van de nieuwe koning. In het verslagboek werd dit als volgt genotuleerd: Om 10 uren werd de koning naar huis gedaan langs de Vlamingstraat, Philip Stockstraat, achter den Byter, op Sint-Jansplaats, ten huize van heer ende meester Ludovicus Emmanuel van Outryve, secundarius van d’heeren staeten van Vlaanderen ende canonik der Cathedrale kerke van Sint Donaas, alwaar den heer coninck woonde, zijnde aldaer op de aldertreffelijkste wijze de gilde onthaald geweest ende zig aldaer het grootste gedeelte van de nacht opgehouden hebbende in het nemen van rafraichissementen, zijn de heeren, naer aan de heer coninck ende sijne Liefste toegewenscht te hebben eenen vrolijcken ende geluckigen konincklijken nacht, met vervolg van een generatief progres, elck naer hunne woningen in het uiterste goed ordre ende goede manieren vertrokken.
Petronilla, zelf lid van de Sint-Jorisgilde, wilde niet ten achter blijven en schonk twee zilveren kandelaars, uit bijzondere genegenheid voor de gilde en om haar luister te doen herleven, tevens om de gildenbroeders aan te moedigen zich méér te oefenen in de nobele kunst van het schietspel met de stalen boog. De gilde aanvaardde natuurlijk dankbaar het geschenk en besliste dat het op 1 oktober de inzet van een schieting zou zijn. Nog andere zilverprijzen werden ingezet (Philippe de Stappens won hierbij trouwens drie zilveren lepels) en de schieting werd gevolgd door een feest om aan het geschenk alle mogelijke dankbaarheid te betonen. De dag van de schieting werd eerst gemiddagmaald in de gilde, daarna ging men de koning thuis opzoeken, waar vrolijk gedronken werd, om hem vervolgens met zijn koninginne feestelijk tot aan het lokaal te begeleiden. Na de schieting werd een banket gehouden in de gildenkamer, waaraan meer dan honderd dames en heren aanzaten, gevolgd door een bal dat duurde tot bij het ochtendgloren[38].
Het echtpaar nam natuurlijk ook deel aan het schouwburgleven. De Stappens junior en zijn echtgenote konden gebruik  maken van de loge die aan de schout werd voorbehouden. Na het overlijden van Valentin de Stappens werd die uiteraard opgevorderd door de opvolger, waartegen de Stappens groot misbaar maakte. Hij vond dat hij er verder recht op had of zoniet dat hem een andere passende loge diende te worden toegekend. Hij werd beleefd op zijn nummer gezet. Daarop diende hij een voorstel in om op eigen kosten op de benedenverdieping een loge te bouwen, wat evenwel, na rijpelijke examinatie werd afgewezen[39]. Wat later kon de Stappens dan de loge met het nummer zeven bemachtigen, in het midden van de Eerste rang, loge die Petronilla nog vele jaren zou voor zich houden[40].

 

De keerzijde

Aan het vrolijk ontspanningsleven was een keerzijde. De echtgenoot leek zich om weinig anders te bekommeren. Zijn nochtans niet zo zware opdrachten als gemeenteraadslid liet hij, mits betaling, door collega’s uitvoeren[41]. Hij gaf aanzienlijke bedragen uit (waarschijnlijk haalde hij zich speelschulden op de hals), met als gevolg dat eigendommen dienden verkocht of met een hypotheek bezwaard teneinde de schulden te kunnen vereffenen. Het overlijden van zijn vader en het erfdeel dat hij ontving, brachten enig soelaas, maar dit was slechts tijdelijk. 

Na zes jaar huwelijk besloot Petronilla de scheiding aan te vragen. Op 19 oktober 1779 werd door de geestelijke rechter van het Bisdom Brugge de scheiding van tafel en bed uitgesproken met als motief dat de humeuren van de beide echtelieden geenszins met malkanderen en sympathiseerden. De scheiding liep niet goed af. Door de onwil van de echtgenoot sleepte de liquidatie drie jaar aan en pas bij transactie van 21 januari 1782 werden alle difficulteiten neergelegd. Petronilla nam een aantal schulden voor haar rekening, waarschijnlijk om de lieve vrede en om haar patrimonium van verdere aantasting te vrijwaren[42].
Philippe de Stappens had ondertussen het echtelijk dak verlaten en bewoonde voortaan de herenwoning aan de Dyverbrug, geërfd van zijn vader[43]. Zijn levensstijl bleef flamboyant. De eigendommen werden verder van de hand gedaan of met hypotheken bezwaard, tot ook beslag werd gelegd op zijn eigen woning, die openbaar werd verkocht ten voordele van de schuldeisers. De nieuwe eigenaar werd Louis-Emmanuel van Outryve d’Ydewalle, de broer van Petronilla. De benarde toestand waarin de Stappens zich bevond had niet verhinderd dat hij voor het jaar 1782-83 tot proost was verkozen van de Edele Confrérie van het Heilig Bloed en dat hij, kort voor hij uit zijn woning werd verdreven, er op Tweede Kerstdag 1783 aan zijn confraters een groot feest aanbood. La fête a été fort belle, schreef burgemeester Coppieters[44]. In de zomer van 1783 had de Stappens ook nog, met 25 van zijn confraters, deelgenomen aan een grote concordaatschieting in Kortrijk[45].
De Stappens ging wonen langs de Sint-Annarei bij sieur Allardijn, waar hij zwaar ziek werd en op 26 maart 1784 overleed. Hij was amper veertig geworden en liet een onoverzichtelijk aantal onbetaalde facturen en een deficitaire successie na[46]. Niettemin hield Petronilla de schijn hoog en bezorgde hem een plechtige uitvaart in de Sint-Annakerk, waarna het stoffelijk overschot werd bijgezet in de Eekhouteabdij, in het mausoleum van de familie de Stappens[47]. Toen de maand daarop in de gildenkapel van de Sint-Jorisgilde een plechtige Mis met drie priesters tot zijn nagedachtenis werd opgedragen, nodigde de douairière de Stappens de aanwezige confraters uit om na afloop bij haar te komen middagmalen[48].



Zelfstandig leven 


Petronilla bleef wonen op de Sint-Jansplaats bij kanunnik Louis van Outryve – kanunnik Josse was in 1773 overleden[49] -, waar ook haar broer Georges, inmiddels eveneens kanunnik geworden, eerst van Sint-Pharaïlde in Gent en nadien van Sint-Donaas, zijn intrek had genomen. Ze zou de oom in zijn oude dag bijstaan en toen hij in juli 1786 op zijn buitengoed stierf, werd ze zijn testamentuitvoerder en erfde een groot deel van zijn fortuin[50]. Na het overlijden van haar ex-man had Petronilla haar zomerkwartier gevestigd in het omwald kasteel van de familie de Stappens, het Fort van Beieren in Koolkerke. Als gescheiden echtgenote kon ze het niet erven, maar haar minderjarige zoon was de nieuwe eigenaar en ze kon het goed huren van zijn voogden[51].

 

Na de dood van de kanunnik viel de woning op de Sint-Jansplaats ten deel aan Jean-Jacques van Outryve de Merckem en betrok Petronilla voortaan een eigendom die haar broer Georges had aangekocht, de Casselberg in de Hoogstraat[52] en die ze zou blijven bewonen tot aan haar dood. Ze investeerde een deel van haar nieuw fortuin in de zaken van haar oom Augustin, met wie haar broers Jean-Jacques en Louis-Emmanuel geassocieerd waren. Het was de tijd dat Jozef Suvée haar portret maakte[53].
Was Petronilla enigszins een buitenbeetje, ze werd zeker niet gemeden in de betere kringen, toch niet in alle. De godvruchtige echtgenote van burgemeester Coppieters ging haar, samen met haar dochter Antoinette, op het Fort van Beieren bezoeken in de zomer van het jaar 1789[54]. In het begin van datzelfde jaar kwam Petronilla wat scherper in beeld, naar aanleiding van een ongeval. In januari had het hard gesneeuwd en daags na Nieuwjaar had ze een wedstrijd tussen sleden gehouden, waarna de deelnemers tot na middernacht bij haar getafeld hadden. Op Driekoningendag was het de beurt aan haar broer Louis-Emmanuel van Outryve om de sneeuwpret te organiseren. De besneeuwde rijweg met de hoge bult van de Dyverbrug was hiervoor ideaal. Een snelheidswedstrijd werd georganiseerd tussen een dozijn sleden. Petronilla van Outryve behoorde tot de deelnemers en nam plaats in een koetsslede samen met Antoine de Peneranda, de algemeen thesaurier van de stad Brugge. Bij het afdalen van de Dyverbrug sloeg het paard plots op hol, met als gevolg dat de slede kantelde en beide inzittenden er werden uitgeslingerd. Petronilla was gekwetst aan het hoofd en had overal kneuzingen en blauwe plekken[55]. 

De revolutietijd.
De volledige zelfstandigheid van Petronilla, na het overlijden van haar oom, liep samen met het inluiden van de revoluties, waarin ze een rol zou spelen. Toen de Brabantse Omwenteling einde 1789 de Oostenrijkers verdreef, stonden de van Outryves aan de kant van de revolutie. In tegenstelling tot hun schoonbroer Marloop, die als opperste vertegenwoordiger van het Oostenrijks gezag in Vlaanderen, net zoals zijn schoonbroer, de Brugse burgemeester Robert Coppieters, de zijde van de Oostenrijkers bleef kiezen, waren de van Outryves homines novi, die meenden dat met die revolutie hun uur gekomen was. 
De drie broers hadden zich aanzienlijk opgewerkt: Jean-Jacques als handelaar, importeur, exporteur en reder, die met zijn oom Augustin de feitelijke leiding had over de familiale vennootschap en die ook de belangrijkste stichter was van de maatschappij voor zeeverzekering in 1782 opgericht onder de naam D’hont de Nieuwburg, van Outryve de Merckem en consorten[56]; op commercieel vlak was Louis-Emmanuel eerder een stille vennoot, en kwam vooral op het voorplan als advocaat en als bekleder van belangrijke openbare functies; Georges, licentiaat in beide rechten, was geen intellectuele hoogvlieger (Bisschop Caïmo schreef over hem, dat hij van goede zeden was, maar dat ondanks zijn dubbele universitaire titel, zijn kennis zowel in theologie als in recht en-dessous du médiocre was)[57] maar volgde niettemin zijn oom kanunnik op als vertegenwoordiger van de geestelijkheid in de Staten van Vlaanderen.
Ze waren in hun sympathie voor de revolutie natuurlijk niet de enigen. Een aanzienlijk deel van de adel en van de geestelijkheid, net zoals het grootste deel van de bevolking was overtuigd dat de Brabantse Omwenteling zou leiden tot een onafhankelijke confederatie van Belgische Staten. De tegenstand hiertegen kwam van een gedeelte van de adel en van het deel van de bevolking (vooral op het platteland) dat trouw bleef aan Oostenrijk. De meeste voorstanders van de revolutie, de Statisten waren gewonnen voor een terugkeer naar de wetgeving en de gebruiken van vόόr Jozef II, terwijl een kleine groep, de Vonkisten, de richting van grotere democratie wilde inslaan (de politiek van Jozef II maar zonder Jozef II), zoals dit ook in Frankrijk op hetzelfde ogenblik werd geëist. De van Outryves schaarden zich bij de grote meerderheid van Statisten.
Louis-Emmanuel, advocaat bij de Raad van Vlaanderen, die in 1779 schepen van het Brugse Vrije was geworden, in 1788 hierin door de Oostenrijkers herbenoemd, liet zich door de leiders van de Brabantse Omwenteling in zijn functie bevestigen, terwijl hij tevens lid werd van het Comité Patriotiek dat werd opgericht om de stad en het Brugse ommeland voorlopig te besturen. 
Jean-Jacques, die tot dan geen openbare ambten had bekleed, tenzij de semi-officiële functie van hoofdman van de Kamer van Koophandel, achtte de tijd rijp om op het voorplan te treden. Eerst werd hij lid van het Comité Patriotiek, in zijn dubbele hoedanigheid van hoofdman van een schuttersgilde en als verantwoordelijke voor het departement ‘militairen en gevangenen’. Samen met Moentack, van het departement ‘patrouilles’ legde hij persoonlijk huisbezoeken af om de samenstelling van de nachtpatrouilles te regelen[58]. Sedert kort hoofdman van de Sint-Jorisgilde geworden, stond hij als chef d’état-major tevens aan het hoofd van de burgermilitie die deze gilde voor de ordehandhaving in de stad had opgericht, waarbij Louis-Emmanuel van Outryve als één van de zes pelotonoversten fungeerde. Die militie bestond uiteraard uit overtuigde Patriotten[59]. Toen op 11 december 1789 een nieuw stadsbestuur door de Patriotten werd aangesteld, werd de Merckem tot algemeen thesaurier van Brugge benoemd, in vervanging van Antoine de Peneranda, de schoonzoon van burgemeester Coppieters en dit tot grote woede van deze laatste[60]. 
Beide broers zouden hiervoor moeten boeten, want toen de Oostenrijkers begin 1791 weer de overhand namen, werden ze van hun ambten ontheven, terwijl Jean-Jacques ook zijn functie van hoofd van de Kamer van Koophandel moest laten varen. De penitentie was evenwel van korte duur, want dankzij de actieve bemiddeling van schoonbroer Marloop, werd Louis -Emmanuel van Outryve in mei 1791 door de Staten van Vlaanderen benoemd in de zeer winstgevende functie van ontvanger van de provinciale rechten. Burgemeester Coppieters was opnieuw woedend en voerde hiertegen binnen de Staten van Vlaanderen openlijk campagne. D’Ydewalle werd benoemd bien malgré moi, zo schreef hij[61]. 
Petronilla en de revolutie
In 1789-1790 liet Petronilla zich niet opmerken, maar er moet niet aan worden getwijfeld dat ze aan de zijde van haar broers en van de Brabantse revolutie stond. Eenmaal de Oostenrijkers terug, ging ze zelfs verder en sloot zich aan bij de jonge edelen en burgers die, na het mislukken van de Belgische Staten, voortaan hun ogen op Frankrijk gericht hielden en in de ban geraakten van de Franse revolutie. Zij die gevlucht waren, complotteerden in Parijs in het Comité des Belges et Liégeois Unis, terwijl geheime agenten over en weer reisden tussen Brugge, Rijsel en Parijs. Enkele gevluchte Patriotten doodden de tijd door het uitdenken van een nieuwe samenstelling van het bestuur, eenmaal de Oostenrijkers weer zouden verjaagd zijn. Ze hadden volle vertrouwen in Jean-Jacques van Outryve voor wie ze de topbenoeming voorzagen van hoogbaljuw[62]. Onnodig te zeggen dat wanneer de Fransen de stad innamen, ze geen oren hadden naar een dergelijk voorstel van bestuur dat op de oude leest was geschoeid.
De lokale Fransgezinden vormden weldra een echte partij, die heel wat onrust zaaide, zodanig zelfs dat begin 1792 de staat van beleg werd uitgeroepen. Onder de hevigste aanhangers bevonden zich onder meer Jean-Antoine van Zuylen de Gaesbeke, Anselme de Peellaert de jonge buurman van Petronilla, haar zoon Louis-Philippe die nog student in de rechten was en ook Valentin Jacoby[63]. Deze handelaar, twaalf jaar haar jongere, die een militaire rol speelde tijdens de Brabantse Omwenteling, was bij haar komen inwonen in de Casselberg. Er bestaat weinig twijfel over dat ze minnaars waren. De tijdgenoten twijfelden alleszins niet, getuige de brutale tekst in een pamflet gedateerd 1793[64]. Petronilla was, zoniet één van de spillen, zeker de gastvrouw van de groep samenzweerders. Ze was niet de enige Brugse dame die zich actief met de revolutie zou bezig houden, maar had onder hen ongetwijfeld de belangrijkste maatschappelijke status.  
Toen kwam 15 november 1792, de eerste dag van een Franse overheersing die slechts tot 25 maart 1793 zou duren, maar hevig was in zijn revolutionaire uitbarsting. Het verhaal hiervan is al in geuren en kleuren verteld, zowel door de tijdgenoten als door de historici[65]. De revolutionairen waren niet te stuiten: de Jacobijnse Club had de pretentie de stad te beheersen, alle besturen werden ‘democratisch’ herverkozen, de beelden van koningen en prinsen op de gevel van het stadhuis en alle attributen van het vroeger gezag werden op de Markt verbrijzeld en verbrand, alle wetten en reglementen werden op hun kop gezet en uiteindelijk werd voor de aanhechting bij de Franse republiek gestemd.
De broers Jean-Jacques en Louis-Emmanuel van Outryve deden mee, hoewel voorzichtig. Ze sloten aan bij het Genootschap der Vrienden van Eendracht, Vrijheid en Gelijkheid, de zogenaamde Jacobijnse club, maar hielden zich eerder op de achtergrond[66]. Jean-Jacques werd tot voorlopig vertegenwoordiger gekozen voor de stad Brugge, maar bij de snel opeenvolgende verkiezingen van nieuwe besturen, deed hij niet meer mee. Hetzelfde voor Louis-Emmanuel die een paar weken tot de voorlopige vertegenwoordigers van het Brugse Vrije behoorde, maar daarna verdween. 
Petronilla, integendeel, kwam op het voorplan, sympathiseerde openlijk met de revolutionairen en schonk een door haar gemaakte blauw-wit-rode vlag aan de Jacobijnse Club en aan zijn voorzitter Valentin Jacoby. Die vlag hing naderhand in de vergaderzaal van de voorlopige vertegenwoordigers van de stad. Ze was, zo zegde Van Hese de heldin van de Jacobijnen. In de schouwburg, waar de meest uitzinnige bijeenkomsten van de revolutionairen plaats vonden, troonde ze in haar loge en moedigde de revolutionaire gezangen aan. Kleedde ze zich ook in tricolore, zoals die andere adellijke dame, Rose de Gheldere, en liep ze zoals zij ook als een furie rond op de Markt om het volk op te hitsen? De kroniekschrijver Van Hese zegt het niet met zoveel woorden, maar als ze de heldin was, zal dit zich toch wel op één of andere manier hebben geuit[67]. Waarschijnlijk was ze ook aanwezig op bijeenkomsten van de Club in de stadshallen, aangezien in de verslagen vermeld wordt dat ook vrouwen hieraan deelnamen en zelfs het woord voerden. Een ‘borgeresse’ verklaarde er uyt den naem van alle de Vrouwenlieden van Brugge, dat zy zullen de Fransche natie voorenstaen, en by-aldien de zelfde Natie een regiment Vrouwlieden begeerde te hebben dat zij zullen optrekken tot verdedinge van de Vrijheyd en Gelijkheyd[68]. Helaas is de naam van de vrouw niet meegedeeld. Men kan dus enkel fantaseren dat het eventueel Petronilla was.

De laatste Oostenrijkse periode
Toen de Oostenrijkers einde maart 1793 de stad heroverden, vluchtten veel van die revolutionairen. Niet Petronilla evenwel, die zich voorzichtig op de achtergrond hield. De menigte trok onder luid gejoel naar de huizen van alle bekende Clubisten. Men had de Frygische muts van de Vrijheidsboom afgerukt, en iedere Fransgezinde die thuis bevonden werd moest die voor straf kussen en aan het toegestroomde volk geld en drank uitdelen. Liep men ook bij Petronilla aan? De kroniek vermeldt het niet[69]. 
Ze kon wellicht op de bescherming van haar schoonbroer Marloop rekenen, die opnieuw de touwtjes in handen had. Haar broer Louis-Emmanuel werd ondanks zijn revolutiesympathieën opnieuw tot schepen van het Brugse Vrije benoemd: vergevingsgezind wilde de nieuwe keizer het verleden uitvegen. Jean-Jacques die door de revolutionairen tijdens de laatste weken van het eerste Frans bewind, kortstondig, wellicht buiten zijn weten en in elk geval zonder praktische gevolgen tot schout was aangesteld, keerde weer helemaal terug naar het zakenleven.  
Petronilla van haar kant, bleef de revolutie trouw. Haar kasteel in Koolkerke, waar ook Valentin Jacoby zich had teruggetrokken, werd een broeinest van Jacobijnse complotten. Uit Brugge vertrok een brief van E. Goubeau aan procureur generaal Maroucx waarin stond: Ik moet u er over inlichten dat in Vlaanderen heel wat geheime genootschappen bestaan, samengesteld uit lieden die contact en briefwisseling onderhouden met hun kameraden die zich in de grenssteden in Frankrijk ophouden. Men verzekert me dat verschillende van die lui regelmatig bijeenkomen op het buitengoed van de genaamde de Stappens geboren Outryve, in een gehucht genaamd Koolkerke; de bijeenkomsten die er plaats vinden zijn des te meer verdacht omdat die dame er van wordt beschuldigd tijdens de revolutie regelmatig bijeenkomsten te hebben gehouden, zowel voor als tijdens de Franse inval. Ik denk, waarde vriend, dat u er goed zou aan doen dit huis te bewaken want het zou goed zijn een voorbeeld te stellen in Vlaanderen, waar naar men zegt de Franse besmetting nog het meest verwoestingen aanricht. Petronilla en haar kasteel stonden dan ook regelmatig onder politiebewaking[70].
Toch was de ‘jacobijnse’ geest niet het enige aspect van de ‘dolle mina van de revolutie’ en behoorde ze niet, noch trouwens haar broers, tot de hevige antiklerikalen die in de Club het hoge woord hadden gevoerd. Een concreet geval leert het ons. Toen de Fransen vanaf april 1794 opnieuw in aantocht waren, Menen hadden platgebrand en Kortrijk ingenomen, arriveerden veel vluchtelingen uit het Zuiden van de provincie in Brugge. Heel wat Bruggelingen sloegen in paniek op de vlucht, meestal richting Zeeland[71]. Ook veel religieuzen ontvluchtten de stad, want men wist voldoende hoe de Terreur in Frankrijk had toegeslagen. Onder hen bevonden zich de Engelse Zusters Franciscanessen van het Prinsenhof en over hen ontfermde zich Petronilla. Het was haar broer Jean-Jacques, van wie de dochter bij de zusters school liep, die hiervoor bemiddelde. In de nacht van donderdag 1 mei 1794, na burgerkledij te hebben aangetrokken, verlieten de zusters twee aan twee hun klooster langs het achterpoortje in de Moerstraat en belandden op het Fort van Beieren. Daar werden ze, evenals de drie priesters die hen vergezelden, avec une bonté extrême ontvangen door Petronilla, sliepen er op slaapzakken in het salon en woonden ’s anderendaags de Mis bij in de parochiekerk. Na de middag verscheen Jean-Jacques met goed nieuws: het bericht had Brugge bereikt dat de Fransen in Landrecies een betekenisvolle nederlaag hadden geleden en het gevaar van een invasie tijdelijk was geweken. Petronilla bood de zusters nog het middagmaal aan en ze vertrokken weer naar Brugge. 
Zes weken later herhaalde zich hetzelfde scenario. Jean-Jacques van Outryve kwam op zaterdag 14 juni de zusters waarschuwen dat het Franse leger in aantocht was en al tot in Torhout was opgerukt. In het holste van de nacht, na eerst nog het officie van Drievuldigheidszondag te hebben gezongen en een middernachtmis te hebben bijgewoond, vertrokken ze opnieuw, gehuld in hun Brugse kapmantel, om langs de Ezelpoort te voet de stad te verlaten. Aangekomen bij Petronilla, waar iedereen sliep, bleven de zusters tot aan het ochtendgloren in de tuin hun brevier bidden. Het ging om een aanzienlijke groep: een veertigtal religieuzen, een aantal (Engelse) meisjes dat bij hen kostschool liep en vier begeleidende priesters. Jean-Jacques van Outryve had voor koetsen en een janplezier gezorgd, waarmee de groep in de loop van de dag naar Ydewalle bij Aardenburg vertrok, waar ze tot einde juni verbleven in de schuren van de hoeve die aan Louis-Emmanuel van Outryve toebehoorde. Jean-Jacques kwam hen de 26ste opzoeken, met de mededeling dat de Franse bezetter blijkbaar nog zou meevallen, zodat hij de zusters aanmoedigde naar hun klooster terug te keren. Hun besluit stond evenwel vast om naar Engeland te emigreren en op 27 juni scheepten ze in op een boot die door van Outryve was gecharterd. Na drie dagen kwamen ze in Engeland aan[72]. De republikeinse en jacobijnse Petronilla en ook beide broers hadden zich hierbij dus ook van een andere kant laten zien.

De Franse tijd
De inname door de Fransen was nu definitief en zonder verdere discussie werd West-Vlaanderen als Département de la Lys bij Frankrijk ingelijfd. Weer was er heel wat volk gevlucht, onder meer de oude oom Augustin, kanunnik Georges en zelfs Louis-Emmanuel en zijn gezin[73]. Na enkele tijd kwamen ze evenwel terug, want er stond veel op het spel: alle goederen van de afwezige personen werden zonder meer staatseigendom. 
De revolutie had ook nog een andere minder plezierige kant, namelijk dat de Franse overheid zware buitengewone belastingen oplegde. Die troffen natuurlijk in de eerste en grootste mate de rijke ingezetenen. De familie van Outryve, waaronder Petronilla, werd zwaar aangepakt. Een eerste buitengewone belasting werd opgelegd in augustus 1794 en moest 4 miljoen Franse guldens opbrengen. De van Outryves stonden bovenaan de lijst: oom Augustin 25.000 guldens, broers Jean-Jacques, Georges en Louis-Emmanuel respectievelijk 20.000, 48.000 en 15.000 guldens (en voor die laatste nog eens 12.000 in méér, op naam van zijn twee dochters uit het eerste huwelijk) en tenslotte Petronilla 15.000 guldens. Hiermee behoorden ze tot  de twintig meest belaste inwoners. Onder de geestelijkheid, was Georges verreweg de zwaarst belaste[74]. 
Anderhalf jaar later, in het vooruitzicht van nieuwe belastingen werd de fortuintoestand van alle inwoners van de stad opgemaakt. Weer stonden de van Outryves bovenaan: Louis-Emmanuel 1 miljoen frank (waarvan 600.000 op naam van zijn twee dochters uit het eerste huwelijk), Jean-Jacques 500.000, Petronilla 250.000 (en 20.000 op naam van haar zoon). Georges kwam op deze lijst niet voor. Schoonbroer Marloop kwam slechts met 40.000 fr. voor, maar zijn zoon (die veel van Augustin van Outryve had geërfd) met 200.000 fr. Deze lijst werd in de volgende jaren bij herhaling gehanteerd om nieuwe belastingen op te leggen[75].
Er zijn tot hiertoe geen documenten opgedoken waaruit zou blijken hoeveel van al die belastingen werkelijk werd betaald en in welke munten (goudfranken of assignaten). Wat vast staat is dat de belastingplichtigen zich erg bij de oren lieten trekken alvorens te betalen en heel wat prominenten als gijzelaars werden opgepakt, omdat de betalingen op zich lieten wachten. 
Aangroei van het patrimonium
Nadat de Fransen in Juni 1794 definitief de Oostenrijkers hadden verjaagd, is van Petronilla publiek geen spraak meer, behalve dan op de belastingrollen. Dat ze evenwel in goede termen was met de nieuwe machthebbers, is zeker. Toen de Franse Sûreté in 1797 haar loge wilde inpalmen in de schouwburg, om van daaruit een waakzaam oog in het zeil te houden, liet ze dit direct ongedaan maken[76]. Wanneer haar broer Georges, de kanunnik, weigerde de eed van trouw aan de republiek af te leggen en werd aangehouden, zorgde ze er mee voor dat hij niet werd gedeporteerd en alleen onder huisarrest werd geplaatst[77]. 
Haar vriend Jacoby bestuurde nu de stad, samen met andere leden van de vroegere Club, die bij haar hadden gecomplotteerd. Zijn veel jongere zus, Petronilla Jacoby, van wie Petronilla de meter was, huwde met de revolutiegezinde François Van Praet die eveneens een politieke rol vervulde. Vrienden die bij haar aan huis kwamen, zoals Jacques Dujardin, de latere bankier, Jacques Devaux, de advocaat en schoonbroer van Louis-Philippe de Stappens, Joseph van Huele, de ontvanger en vriend van Thomas Paine en Patrice de Coninck, de schoonzoon van Jean-Jacques van Outryve, maakten snelle promotie in de nieuwe besturen. 
Haar broers Jean-Jacques en Emmanuel-Louis bleven, ambteloos maar invloedrijk, hun zaken beheren. Bij deze laatste werd op 25 november 1795, de dag waarop het besluit van 8 november werd gepubliceerd dat definitief alle adellijke titels en de adellijke status zelf in de voormalige Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik afschafte, een dansfeest gehouden. Burgemeester Coppieters, van wie de antipathie voor de van Outryves duidelijk was, schreef: On a dansé chez Ydewalle bien mal à propos[78]. Petronilla zal er ongetwijfeld bij geweest zijn. Zoals ze er ook bij was toen Jean-Jacques, op 10 maart 1803, een jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw, opnieuw in het huwelijk trad met de twintig jaar jongere rijke weduwe Anna Peers.
Voortaan kwam Petronilla niet meer op het voorplan en stortte zich vooral in het zakenleven. De zaken van haar twee broers, die na de dood van oom Augustin in 1795 de eigenaars waren geworden van de Compagnie van Outryve, bloeiden, ondanks de woelige tijden. Zij was al een belangrijk deelgenoot in de tijd van Augustin[79]. Toen een deel van de activiteiten in 1799 werd geliquideerd, ontvingen haar twee broers respectievelijk 27.382 en 26.804 franken, terwijl aan haar 58.678 fr. werd uitgekeerd[80].
Vooral werd ze actief in het uitbreiden van haar onroerend vermogen. Net zoals haar broers behoorde ze tot diegenen die geen bezwaar hadden om ‘nationale goederen’, het zogenaamde ‘zwart goed’ te verwerven. Met die aankopen deed men schitterende zaken. Niet alleen gingen de goederen goedkoop van de hand, omdat velen dergelijke aankoop als een kerkvijandige daad beschouwden en er dus niet zoveel liefhebbers waren, maar vooral liet de naïeve Franse republiek toe dat met assignaten werd betaald, wat in grote mate waardeloos papieren geld was. Zoals hierboven vermeld, was het ook aan Van Huerne opgevallen dat de Van Outryves veel van hun aankopen met assignaten hadden geregeld. Het aankopen van kerkelijke goederen hadden de broers en zuster van Outryve al vroeg geleerd bij hun oom, kanunnik Emmanuel-Louis, die in 1773 op het grondgebied Meetkerke, aanzienlijke eigendommen aankocht van de opgeheven Jezuïetenorde[81]. In tegenstelling tot anderen, zag hij hierin geen graten.
Ook de broer kanunnik, Georges, toonde aan dat men in de familie goed het onderscheid maakte tussen gelovig en kerkgetrouw zijn enerzijds, en het afsluiten van een goede zaak anderzijds. Zo werd hij één van de belangrijkste geldschieters voor de aanleg van het algemeen kerkhof in Steenbrugge. De grote meerderheid van de bevolking en van de clerus haatte deze maatregel van Jozef II en ze was één van de belangrijke ontstekers van de Brabantse revolutie. Georges van Outryve trok zich daar niets van aan. Zijn investering (die hem een mooie intrest opleverde) bedroeg méér dan 1.000 pond, hetzij één derde van de totale prijs voor de aankoop en de aanleg van het kerkhof[82]

Samen met haar drie broers en met haar neef en petekind Charles le Bailly, was Petronilla op een bepaald ogenblik eigenares, na beslaglegging, van het klooster van de Brugse minderbroeders, dat in 1809 openbaar werd verkocht en gesloopt[83]. Vooral kocht ze allerhande eigendommen in een aantal West-Vlaamse gemeenten. Het koninginnestuk was ongetwijfeld het kasteel en domein Rooigem dat ze voor het aanzienlijk bedrag van 2.060.000 franken (weliswaar in assignaten) aankocht. Het was in 1797 dat ze dit buitenverblijf van de bisschop van Brugge verwierf en als in sommige middens scheef bekeken inwoonster (van adel maar van recente datum, gescheiden, revolutionair, opkoopster van zwart goed, ongehuwd samenwonend) zal het voor haar ongetwijfeld een grote voldoening geweest zijn, voortaan te kunnen resideren in één van de mooiste kastelen van het Brugs ommeland, dan nog dat waar voorheen de ci-devant bisschop van Brugge de zomer doorgebracht. Haar vriend Jacoby kwam er eveneens wonen en werd in 1803 burgemeester van Sint-Kruis. Ook haar neef en petekind Charles-Joseph le Bailly de Marloop nam er zijn intrek.
Het is duidelijk dat ze in de beste termen bleef met haar broers. Ze was dat trouwens altijd geweest, zoals blijkt uit het samen zaken doen en het aanwezig zijn op mekaars feesten en feestjes. Petronilla was in de familie ook populair als meter. Niet alleen was ze de meter van Charles le Bailly junior, maar ook van Françoise (1777), dochter van Jean-Jacques en van Colette (1778) en Louis (1793), kinderen van Louis-Emmanuel. Georges, de kanunnik (overleden in 1819), leefde zijn gezapig leven verder, en zou bij de testamentaire toewijzing van zijn aanzienlijk fortuin, de kleindochters van Petronilla ruim hun deel geven. Jean-Jacques (overleden in 1815), die onder het Empire helemaal weer op het voorplan trad, als voorzitter van de Kamer van Koophandel en als hoofdman van de Sint-Jorisgilde, bleef haar nabij. Hij had zich ondertussen verzoend met zijn dochter die in de revolutietijd, tegen zijn zin was getrouwd met Patrice de Coninck, die uit een niet zo rijke familie kwam, maar ondertussen aan een schitterende carrière was begonnen. Louis-Emmanuel (overleden in 1827) was, net zoals zij, vooral bezig met de uitbreiding van zijn vermogen, aanvaardde een bescheiden functie als raadslid van Brugge en droeg zorg voor de opvoeding van de talrijke kinderen uit zijn tweede huwelijk.
Wat was daarentegen de verhouding met haar schoonbroer Marloop (overleden in 1807)? Na de dood van zijn schoonbroer Robert Coppieters, bij wie hij zijn Brugse pied-à-terre had, ging hij in een bescheiden huis wonen op de Mallebergplaats, schuin rechtover de Casselberg. Wat dacht hij over zijn schoonzus? Scheerde hij ze over één kam met de revolutionairen die hij grondig verwenste? Nog in zijn testament opgesteld begin maart 1801 luchtte hij zijn woede. In Brugge was de meerderheid van de bevolking tijdens de revoluties, volgens hem, impatiemment enflammée par le délire occasionné par le venin d’un faux patriotisme excité et exalté, en même temps par un fanatisme bien répréhensible. En ze hadden dit volgehouden want, la pluralité des citoyens de cette ville avant l’invasion des français et depuis leur entrée dans la province de Flandres, se sont constamment mal conduit au grand scandale des honnêtes gens qui y habitent encore. Zo verbolgen bleef Marloop dat hij niet in Brugge wilde begraven worden: je ne veux donc point y laisser mes os, quoique ce soit le lieu de ma naissance[84]. Of dit ook een blijvende verkilling in de relaties met zijn schoonzuster betekende, is niet meer te achterhalen. Het valt alvast op dat hij in een lange brief in juli 1801 gericht tot keizer Frans II, in het vooruitzicht van de terugkeer van de Oostenrijkers – waar hij rotsvast in geloofde – hoge ambten solliciteerde voor zijn zoon, voor zijn neef Renon le Bailly, voor zijn schoonbroer Louis-Emmanuel van Outryve d’Ydewalle en voor de schoonzoon van Robert Coppieters, Jacques Lauwereyns de Diepenheede, maar met geen woord repte over Louis-Philippe de Stappens, die als licentiaat in de rechten toch ook voor een functie had kunnen in aanmerking komen[85].
Laatste levensjaren
Petronilla evolueerde alvast mee met haar tijd. Ook bij haar kwijnden de revolutionaire ideeën ongetwijfeld weg, of vond ze wellicht dat er van de revolutie toch een en ander was overgebleven.  Ze werd natuurlijk ook een dagje ouder. Ze liet de Casselberg volledig herinrichten in Empirestijl en leefde er in grote stijl, omringd door Jacoby, zes inwonende knechten en meiden en een privé-kapelaan[86]. Twee paarden en twee koetsen stonden ter beschikking voor het heen en weer rijden tussen de Hoogstraat en Rooigem. 
Het jaar 1810 betekende een apotheose: Napoleon en Marie-Louise bezochten Brugge met een talrijk gevolg en Petronilla nam natuurlijk deel aan de feestelijkheden. Bij haar, in de vroegere Hoogstraat, na 1806 omgedoopt in Rue Jéna, kwamen de minister van Binnenlandse Zaken, graaf de Montalivet en zijn vrouw hun intrek nemen, samen met prefect Chauvelin en zijn vrouw, aangezien hij zijn residentie ter beschikking had moeten stellen van het keizerlijk paar. Of ze, zoals haar broer Jean-Jacques, mee aanzat aan het diner dat Napoleon aanbood in zijn residentie, is niet zeker. Tijdens dit diner kreeg Jean-Jacques het ereteken van de Légion d’Honneur opgespeld. Waarschijnlijk nam ze deel aan het avondfeest op het stadhuis, waar een paar dochters van Louis-Emmanuel een prominente onthaalrol vervulden[87].
De tijd tot afscheid nemen van het leven begon te naderen. Eerst verdween Valentin Jacoby. Hij had zijn laatste levensjaren vooral gevuld met het besturen van de gemeente Sint-Kruis en dat hij Rooigem bewoonde voegde uiteraard toe aan zijn prestige. In april 1811 werd hij ziek en op 22 juli overleed hij op het kasteel. Hij was 52 geworden. 
Het jaar daarop was het de beurt aan haar enige zoon, Louis-Philippe de Stappens. Hoewel nog geen twintig bij de eerste Franse inval, had hij als lid van de Jacobijnse Club actief deelgenomen aan de revolutie en werd net als zijn moeder door de Oostenrijkers als verdacht beschouwd en door de politie in het oog gehouden. Hij was nadien in het gezelschapsleven aanwezig. Natuurlijk in de Sint-Jorisgilde waarvan hij, hoogst uitzonderlijk, lid was geworden toen hij nog geen twaalf was, onmiddellijk na de dood van zijn vader. In 1794 was hij met zijn revolutiekompaan Anselme de Peellaert, lid van de Sint-Sebastiaangilde geworden. Hij was in 1797 gehuwd met Julie De Brouwer (1775-1842), dochter van de aanzienlijke Brugse zakenman Dyonisius de Brouwer (die één van de oudste leden was geweest van de Jacobijnse Club), met wie hij twee dochters had, Eulalie en Adèle[88]. Het Fort van Beieren, toneel van heel wat gebeurtenissen tijdens de revolutietijd, was nu zijn zomerverblijf, terwijl hij in de stad eerst in de Spanjaardstraat woonde, nadien in de Florentijnse Loge op de hoek van Vlamingstraat en Academiestraat. Soms vond men hem in de Société Littéraire, waar hij sedert 1792 lid van was en in de schouwburg waar hij medehuurder was geworden van zijn moeders loge. In 1808 trad hij toe tot de Brugse vrijmetselaarsloge La Réunion des Amis du Nord. Aangezien hij als Rozenkruiser (18de graad) werd ingeschreven, is het duidelijk dat hij al vroeger in een andere loge was ingewijd[89]. 
Natuurlijk was hij ook, samen met zijn vrouw die in 1802 lid werd, aanwezig op de feesten van de Sint-Jorisgilde. Zijn oom Jean-Jacques, de laatste hoofdman van de gilde voor de opheffing, had de genationaliseerde gebouwen van het Oudhof aangekocht en bracht de werking weer op gang. Hij was uiteraard opnieuw hoofdman geworden, terwijl de vriend van de Stappens’ moeder, Valentin Jacoby, stadhouder werd. De ganse familie vond zich daar trouwens terug, want naast Petronilla, naast kanunnik Georges, naast de dochter van Jean-Jacques en naast Louis-Emmanuel, werden ook die zijn tweede vrouw en zijn dochters lid. Onder het keizerrijk vervulde de Stappens, hoewel hij licentiaat in de rechten was, geen ambten en beheerde hij zijn eigendommen: hij had het beroep par excellence aangenomen van de gearriveerde burgerman, dat van rentenier. Hij overleed op 23 mei 1812, amper achtendertig geworden, laatste naamdrager in een lange reeks voorname Brugse edellieden[90].
Petronilla maakte nog net het debacle mee van het Franse keizerrijk. Begin maart waren Franse militairen bij haar ingekwartierd[91]. Op 12 maart 1814 werd de stad door kanonnen van het terugtrekkende Franse leger beschoten, waarbij een obus de salons van Louis-Emmanuel van Outryve trof, die grondig vernield werden[92]. Dit waren de laatste stuiptrekkingen van het Franse leger in onze gewesten. Op 6 april 1814 deed Napoleon afstand van de troon en vertrok in ballingschap naar Elba. Op 11 mei werd Petronilla zes en zestig, op 20 mei liet ze notaris De Busschere bij zich komen om haar laatste wilsbeschikkingen te acteren[93] en op 21 mei, om 10 uur ’s morgens, overleed ze in de Casselberg. Aangifte van haar overlijden werd gedaan door haar broer Jean-Jacques en door een kompaan uit de revolutietijd, de lakenhandelaar Antoine Wemaer (1763-1837)[94], aan wie Petronilla mits vergoeding de opdracht had gegeven in te staan voor de verkoop van haar roerend bezit. De  plechtige uitvaart vond plaats in Sint-Donaas (de huidige Sint-Walburgakerk), gevolgd door de begrafenis naast de kerk van Sint-Kruis[95] en een tweede dienst in deze kerk. 

De nalatenschap
Zes maanden later werden haar kunstverzameling en bibliotheek openbaar geveild. Het ging om een aanzienlijke verkoop die bestond uit méér dan duizend nummers en drie volle verkoopdagen in beslag nam. De totaliteit behelsde voor de boeken 436 nummers in-8°, 33 in-4° en 32 in-folio; 117 ingelijste en 450 niet-ingelijste gravures; 61 schilderijen; een vijftigtal nummers meubelen en varia. Helaas is het niet mogelijk erg ver te gaan in de ontleding van de catalogus, aangezien behalve de prominent vermelde naam van Petronilla, aangegeven werd dat de te verkopen stukken ook uit andere sterfhuizen afkomstig waren[96]. Het blijft dus riskant met zekerheid sommige boeken en kunstwerken als haar eigendom te beschouwen. Laten we toch een poging wagen.
Wat de boeken betreft mag men wellicht aannemen dat, gelet op het prominent aankondigen van de veiling onder haar naam, eerst werd geveild wat haar had toebehoord. In dit eerste deel kwamen heel wat boeken voor, gewijd aan godsdienstige onderwerpen. Het waren praktisch alle edities van voor 1760, zodat men mag aannemen dat, als ze tot de bibliotheek van Petronilla behoorden, ze die geërfd had van haar ooms kanunniken. Een aantal andere, van recente publicatie, kan men zich dan wel goed voorstellen als tot haar belangstellingssfeer behorend, zoals La femme infidèle, Les mille et une folies, Les nuits parisiennes, Le nouvel Abélard ou lettres de deux amants qui ne se sont jamais vus. Gemengd met deze en gelijkaardige werken, kwamen ook talrijke recente werken voor, gewijd aan de politiek van Jozef II, aan de Brabantse en de Franse revolutie, aan het Franse keizerrijk. Hier kan men ongetwijfeld de lectuur in ontdekken van iemand (van Petronilla?) die in de revolutieperiode actief optrad. Dit eerste deel van de veiling, werd gevolgd door een uitgebreid aantal boeken dat duidelijk van een beoefenaar van de geneeskunde afkomstig was, zodat men dus wellicht daar de lijn kan trekken tussen wat wel en wat niet aan Petronilla behoorde. Een volgend aantal boeken bestond uit gespecialiseerde juridische werken. Daarop volgde een uitgebreide reeks literaire werken, meestal van de grote auteurs van de 17de en 18de eeuw, vervolgens een aantal reisverhalen (waaronder recent werk van François de Chateaubriand), geschiedenisboeken en brievenboeken. Vervolgens een reeks boeken gewijd aan botanica, vermengd met nog heel wat boeken over meer frivole onderwerpen. Tenslotte was er nog een kleine reeks die duidelijk van een Engelstalige afkomstig was. 
Bij sommige nummers kan men de nieuwsgierigheid niet onderdrukken over wat er met de werken zou kunnen gebeurd zijn, zoals met de Dix-huit volumes de pièces fugitives, la plupart ayant rapport aux événements de la Belgique et de la révolution de France. Behoorde het gebonden handschrift van de Cronycke van Vlaenderen tot de bibliotheek van Petronilla? En de verschillende in-folio werken van Antonius Sanderus? We zullen het nooit weten. Een laatste bemerking: in het geheel van de geveilde boeken was slechts een gering aantal in het Nederlands (95, waarvan de meeste over geneeskunde) en daaronder maar een paar die op Brugge betrekking hadden. 
Het zou ons te ver leiden de bijna zeshonderd gravures te ontleden, opnieuw ook omdat het onmogelijk is te weten wat hiervan aan Petronilla van Outryve toebehoorde. Hetzelfde geldt voor de 61 schilderijen, waar geen grote namen in te ontdekken zijn, noch onderwerpen waarvan men zou denken dat ze speciaal  Petronilla zouden kunnen aanspreken hebben. 
Tot de verkochte voorwerpen behoorden onder meer een gitaar, een viool, een dwarsfluit, een geborduurd avondkleed in oranje satijn, een blauw dameskleed, een reiskoffer, een jachtgeweer en pistolen, een paar schaatsen, commodes en secretaires. We zouden het wel graag weten wat aan Petronilla had behoord, teneinde haar dagelijkse levenssfeer beter te kennen, maar het zal bij een wens blijven.
Een conclusie
Voor haar tijd was Petronilla van Outryve ongetwijfeld een geëmancipeerde vrouw. Zelfstandige vrouwen waren opvallend, ook al waren ze geen absolute uitzonderingen. Haar groottante Marie-Anne van Outryve had haar al decennia vroeger de weg getoond door haar eigen zaken tot bloei te brengen als ongehuwde vrouw. Vaak ook zetten weduwen met succes de activiteiten van een vroegtijdig overleden echtgenoot verder. Petronilla werd als het ware tot zelfstandige activiteit gedwongen, na de mislukking van haar huwelijk. Ze had hiertoe de middelen want, dankzij de verschillende erfenissen, behoorde ze tot de meest gefortuneerde inwoners van de stad. Om haar fortuin verder te laten gedijen kon ze gelden toevertrouwen aan haar broers die actief zaken bleven doen. Haar levensloop en vooral ook de houding die ze aannam in de revolutietijd is trouwens slechts te begrijpen in het kader van haar nauwe betrekkingen met haar broers en andere leden van de familie.
Aan haar adellijke status hechtte ze ogenschijnlijk weinig belang. Enerzijds was ze pas recent in de adel opgenomen en had ten aanzien van deze status niet de betrokkenheid die bij oudere adel aanwezig was. Anderzijds had ze door haar huwelijk kunnen kennis maken met het soort fin de race jonkers, waarvan er in Brugge enkele specimens rondliepen[97]. Ze had dan ook geen moeite om zich te laten inlijven in het kamp van diegenen die een einde aan de adellijke privilegies wilden stellen en om voortaan opnieuw citoyenne of borgeresse te worden. Haar broers deelden in grote mate dezelfde zienswijze en in deze optiek is haar optreden minder uitzonderlijk dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken. We beschikken helaas niet over gegevens die ons, behalve de algemene tijdsgeest, dieper in haar motivaties kunnen doen binnendringen. Had ze de invloed van ‘verlichte’ lectuur ondergaan, of was het eerder omwille van Jacoby en andere vrienden dat ze zich in het revolutionaire avontuur liep meeslepen? Ook dit zullen we waarschijnlijk nooit weten.
 

Haar levensstijl was zoals men die van een rijke dame kon verwachten. Ze leefde in weelderige omstandigheden, zowel in haar stadswoning, als in het Fort van Beieren, later op het kasteel Rooigem, waar ze omringd was door kostbaar meubilair en kunstwerken en gediend werd door een talrijk personeel. Ze bleef ongetwijfeld gelovig en had zelfs haar eigen privé-kapelaan in huis. Anderzijds was ze genoeg vrijgevochten om ongehuwd met een veel jongere man samen te wonen. Ze was voldoende diplomatisch, en rijk zijn hielp daarbij natuurlijk, om alle regimes te overleven en steeds voldoende zelfzeker om niet, bij het wisselen van de regimes, zoals vele anderen, op de vlucht te slaan. Zodra de rust was teruggekeerd, stortte ze zich verder op wat ongetwijfeld haar voornaamste activiteit was: het uitbreiden en beheren van haar vermogen. Scrupules over het aankopen van ‘zwart goed’ waren haar vreemd. Hierin stond ze uiteraard niet alleen, zeker niet binnen haar familie, daar waar dit in de oude adellijke kringen erg slecht gezien was.

De van Outryves zochten trouwens geen aansluiting meer bij de adel. De naamtoevoegsels uit het Ancien Regime, de Merckem en d’Ydewalle lieten ze achterwege en tekenden voortaan als van Outryve-Peers en van Outryve-Lespée. Ze werden niet, zoals een paar andere Bruggelingen, door Napoleon in de adelstand verheven. Jean-Jacques die zowel consul Bonaparte als keizer Napoleon had rondgeleid in de haven en de handelskom van Brugge en op hem indruk had gemaakt, kwam hier normaal voor in aanmerking. Het gebeurde dus niet.

Jean-Jacques, Georges en Petronilla stierven als burgers en het is pas laattijdig, in 1822, dat de enige overgeblevene, Louis-Emmanuel, - bij wie men had gedanst de dag dat de adel werd afgeschaft - opnieuw erkenning van zijn adellijke titel aanvroeg, meteen postuum zijn twee broers en zijn zuster hierbij betrekkend[98]. Zou Petronilla, in de Hollandse tijd, zelf ook die wederopname in de adelstand hebben aanvaard, al was het maar omwille van haar zoon? De zoon trouwde alvast niet met een meisje uit de adel. Aangezien zowel zij als haar zoon nog vόόr het einde van het Franse Keizerrijk overleden waren, zal de vraag voor altijd zonder antwoord blijven.

Andries Van den Abeele

(Gepubliceerd in: Brugs Ommeland, 2003, p. 99-140)

Bijlage I

De aankopen van “zwart goed” of “nationale goederen”

door Petronilla van Outryve[99]

Volg-nr.

oppervlakte

aard

ligging

oorsprong

prijs

Jaar VI

 

 

 

 

 

009

03.00.40

landbouw

Koolkerke

Kerk. Koolkerke

        755

010

64.00.00

kasteel, hoeve, dreef, gronden, etc

Sint-Kruis

Bisdom Brugge

2060000

013

02.02.44

landbouw

Koolkerke

St.-Walburga

         405

016

05.01.04

landbouw

Sint-Kruis

Sareptaklooster

     86200

Jaar VII

 

 

 

 

 

002

15.02.45

weide

Wenduine

Bisdom Brugge

       4000

015

06.00.00

landbouw

Oostkerke

Eekhouteabdij

       1136

017

07.00.89

landbouw

Uitkerke

Kartuizers

         905

018

11.01.33

weide

Houtave

O.L.Vrouwkerk

       2025

020

08.00.46

landbouw

Lissewege

Kapit. St.-Salvators

       1025

021

19.02.13

hofstede

Merkem

Dominicanen Ieper

       4425

023

07.01.59

landbouw

Dudzele

Sint-Donaas

       1575

024

05.02.50

landbouw

Sint-Kruis

pastorie St.-Kruis

       2025

025

06.01.82

landbouw

Dudzele

Sint-Donaas

       1040

030

04.01.54

weide

Dudzele

Sint-Donaas

       1175

033

04.00.25

landbouw

Sint-Kruis

pastorie St.-Kruis

         700

036

02.02.23

kl. hoeve

Dudzele

Duinenabdij

       2000

038

06.00.10

landbouw

Dudzele

Rijke Klaren

         765

039

04.02.07

weide

Dudzele

Sint-Donaas

       1300

041

05.00.74

landbouw

Dudzele

Seminarie

         560

061

03.00.00

weide

Dudzele

Seminarie

         485

072

01.32.71

landbouw

Dudzele

Duinenabdij

         400

Jaar VIII

 

 

 

 

 

009

01.50.00

landbouw

Stene

St.-Katarinakerk Oostende

       1600

046

06.01.96

landbouw

Moerkerke

Sint-Donaas

         800

047

01.02.15

huis en landbouw

Sint-Kruis

Kerk Sint-Kruis

       1025

063

02.00.60

landbouw      

Uitkerke

Kerk Uitkerke

         435

066

03.01.25

weide

Dudzele

Kerk St.-Walburga

         855

079

01.02.09

weide

Uitkerke

Kerk Uitkerke

         305

082

01.01.00

landbouw

Sint-Kruis

Kerk Sint-Kruis

         335

082B

11.02.25

landbouw

Uitkerke

Jacobines. Brugge

       2225

083

06.00.06

landbouw

Uitkerke

O.L.Vrouw Brugge

         600

084

02.00.86

landbouw

Uitkerke

Kerk Uitkerke

         300

099

04.00.10

landbouw

Uitkerke

Jacobines. Brugge

       1525

104

02.00.08

weide

Dudzele

Sint-Donaas

       1408

105

02.00.00

bos

Lissewege

Kerk Lissewege

       1475

106

03.00.00

bos

Lissewege

Kerk Lissewege

       2075

112

03.00.47

landbouw

Lissewege

Bisdom Brugge

         805

114

04.00.00

bos

Uitkerke

Duinenabdij

         440

116

02.01.07

bos

Uitkerke

Duinenabdij

         495

117

02.02.12

bos

Uitkerke

Duinenabdij

         306

118

01.00.00

landbouw

Lissewege

Bisdom Brugge

         165

123

01.01.78

landbouw

Lissewege

Kerk Dudzele

         165

124

03.01.25

weide

Dudzele

Kerk St.-Walburga

         170

126

14.01.04

landbouw

Dudzele

Sint-Donaas

       3125

143

01.00.00

weide

Dudzele

Kerk Dudzele

         255

Jaar IX

 

 

 

 

 

008

03.01.50

landbouw

Schoore

Kerk Zande

         350

011

01.13.23

landbouw

Schoore

Pastoor van Leke

       1325

093

00.01.50

bebouwd

Sint Kruis

Kerk St.-Kruis

         100

126

02.00.05

bos

Lissewege

Kerk Lissewege

         270

153

01.00.80

weide

Dudzele

Confr. H. Sacram. Dudzele

         665

157

00.20.71

weide

Dudzele

Kerk Westkapelle

         125

162

00.39.96

weide

Dudzele

Pastoor Westkapel.

         225

1806

 

 

 

 

 

137

00.33.18

landbouw

Uitkerke

Duinenabdij

         255

1807

 

 

 

 

 

079

00.91.13

landbouw

Zuien-kerke

Jacobines. Brugge

         610

145

00.56.84

bos

Uitkerke

Jacobines. Brugge

         950

146

00.67.45

bos

Uitkerke

Jacobines. Brugge

         855

 

De totale aankoop aan ‘zwart goed’ bedroeg nagenoeg 268 gemeten of 120 ha, met inbegrip van Rooigem en bijgebouwen en nog enkele andere hoevegebouwen.

Bijlage II

De nalatenschap van Petronilla van Outryve[100]

De totale waarde van de erfenis van Petronilla van Outryve bedroeg 653.509 franken.

1. Meubelen: inventaris op 27 mei 1814                                           66.933,-

2. Obligaties, nog verschuldigde pachten, schulderkenningen        273.789,-

3. Onroerende goederen                                                                 312.787,-        

Volg-nummer

oppervlakte

ligging

waarde

(franken)

01

44 ha 65 a

hofstede

Dudzele

    47.000

02

33 ha

hofstede

Lissewege

    30.471

03

05 ha 67 a

Uitkerke

    10.500

04

04 ha 24 a

Klemskerke

    10.500

05

04 ha 23 a

Uitkerke

      7.836

06

01 ha 84 a

Lissewege

      3.842

07

04 ha 74 a

Houttave

      4.789

08

05 ha 64 a

Uitkerke

      4.789

09

00 ha 37 a

Uitkerke

      2.707

10

32 ha 35 a

hofstede

Moerkerke/

Lapscheure

    26.884

11

01 ha 43 a

huis

Sint-Kruis

      3.300

12

12 ha

hofstede

Nieuwmunster

    10.884

13

02 ha 74 a

Uitkerke

      4.393

14

03 ha 10 a

Koolkerke

      1.545

15

11 ha

hofstede

Sint-Kruis

    13.878

16

02 ha 65 a

Oostkerke

      3.918

17

00 ha 58 a

Sint-Kruis

         436

18

01 ha 10 a

Sint-Kruis

      1.740

19

05 ha 80 a

Koolkerke

      5.143

20

12 ha 03 a

Dudzele

      4.000

21

53 ha 31 a

hofstede

Lapscheure

    42.332

22

01 ha 13 a

Lissewege

      1.160

23

28 ha 91 a

kasteel en hofstede

Sint-Kruis

    20.000

24

07 ha 63 a

Uitkerke

      7.619

25

12 ha 25 a

Uitkerke

    10.900

26

11 ha 23 a

Dudzele

      8.163

27

00 ha 54 a

huisje

Sint-Kruis

      2.176

28

02 ha 10 a

Oostkerke

         800

29

00 ha 88 a

Lissewege

         870

30

01 ha 76 a

Uitkerke

      1.741

31

01 ha

huis

Sint-Kruis

      1.523

32

03 ha 74 a

Varsenare

      6.095

33

02 ha 67 a

hofstede

Houttave

      1.632

34

00 ha 32 a

Sint-Kruis

         190

35

02 ha 24 a

Sint-Kruis

      2.612

36

huis Cordoua-nierstraat

Brugge

    10.000

37

huisje Cordoua-nierstraat

Brugge

      1.600

 

            De totale oppervlakte bedroeg circa 320 ha en de totale waarde 312.787 franken.

Bijlage III

De horoscoop van Petronilla van Outryve

In mei 1982 maakte ik kennis met mevrouw Nandy Vermeulen uit Ruddervoorde. Onder de naam Nashira Makara was haar hobby het opstellen van horoscopen. Ik wist toen nog maar weinig over de levensloop van Petronilla van Outryve, terwijl die aan mevrouw Vermeulen volkomen onbekend was. Ik gaf haar als enige inlichting dat het om een vrouw ging die geboren was op 11 mei 1748 om 19 uur. Met deze gegevens maakte ze een horoscoop, op basis van een berekening uitgevoerd door de heer Luc De Marré, secretaris van het Vlaams Astrologisch Genootschap.

Ik had in die tijd de bedoeling om over het leven van Petronilla van Outryve een roman te schrijven. Ik dacht die in briefvorm te maken, met als bestemmeling van de brieven, Joseph-Basile Van Praet, de bibliothecaris van de Bibliothèque Nationale in Parijs, met wie ik me inbeeldde dat ze in haar jeugd een romantische liefde kon gehad hebben. De historische gegevens zouden zo juist mogelijk verwerkt worden, maar over de personaliteit van de heldin van het verhaal, tastte ik in het duister. Misschien zou de horoscoop inspiratie geven om voor haar een coherent karakter en gemoedsleven uit te werken.

 

Ik had in die tijd de bedoeling om over het leven van Petronilla van Outryve een roman te schrijven. Ik dacht die in briefvorm te maken, met als bestemmeling van de brieven, Joseph-Basile Van Praet, de bibliothecaris van de Bibliothèque Nationale in Parijs, met wie ik me inbeeldde dat ze in haar jeugd een romantische liefde kon gehad hebben. De historische gegevens zouden zo juist mogelijk verwerkt worden, maar over de personaliteit van de heldin van het verhaal, tastte ik in het duister. Misschien zou de horoscoop inspiratie geven om voor haar een coherent karakter en gemoedsleven uit te werken.

Afgezien van dit doel, was (en is) mijn scepticisme groot over de waarde van dit soort opzoekingen. Toch was ik nogal verrast en verbaasd over hetgeen mevrouw Vermeulen te voorschijn haalde. Vooral enkele heel precieze gegevens die ze vermeldde, zoals het vroegtijdig overlijden van één van de ouders, de opvoeding in een beschermd milieu,  een spaak lopend huwelijk, het laattijdig tot stand komen van een bevredigende relatie, kwamen inderdaad in de levensloop van Petronilla te voorschijn. Dat ze doordringende ogen had, werd door haar portret niet tegengesproken. Ook voor het overige bleek weinig of niets in tegenspraak te zijn met wat ik toen wist of naderhand heb gevonden over het leven van Petronilla. Hierna, voor de petite histoire volgt deze horoscoop.

·          

Sterk disciplinair opgevoed – Traumatische ervaringen met de ouders in haar jeugd – Van in haar jeugd een diep begrip voor moeilijke zaken – Haar relatie tot de moeder is de sleutel voor haar latere agressiviteit en tezelfdertijd voor het zelfvertrouwen in haar optreden – Reeds van in haar jeugd grote behoefte aan vrijheid, met vele problemen tot gevolg – Veel moeite om de eisen die men haar stelde en de eigen groei met elkaar te verzoenen – Door de dood van een van de ouders, belangrijke invloed op de huiselijke omgeving, maar ook in haar later leven is die invloed in haar gedrag terug te vinden – Daar ze in een beschermd milieu is grootgebracht, ging het rijpingsproces trager – Van in haar jeugd kon ze moeilijk kritiek verdragen – De eerste twee derden van haar leven zijn moeilijker dan het laatste deel – Heeft waarschijnlijk donkere, zeer sprekende ogen – Komt over als evenwichtig, vlot en gezellig – Innerlijk zijn echter grote spanningen, wat vaak momenten van depressie en moedeloosheid geeft – Grote sensibiliteit, overgevoelig zelfs – De ervaringen kunnen innerlijk erg moeilijk verwerkt worden – Soms neiging zich te laten gaan – Momenten van sterke angstgevoelens – Emotioneel en gepassioneerd – Ze wil graag helpen en verdraagt het niet wanneer aangeboden hulp wordt afgewezen – Kan zeer goed met mensen omgaan – Heeft een afkeer voor slechte smaak en vulgariteit – Komt rustig en gereserveerd over, maar bij nadere kennismaking bemerken anderen dat ze diepe emoties en gevoelens heeft – Vindt het moeilijk om zichzelf aan anderen duidelijk te maken – Neemt slechts weinigen in vertrouwen – Dwingt eerder respect af dan sympathie – Aanvankelijk gereserveerd, maar zet zich totaal in wanneer die reserve eenmaal is overwonnen – Loopt niet te koop met eigen gedachten en gevoelens – De grond van het karakter is zelfopoffering, zelfs devoot – Toch houdt ze niet van dogma’s en voorschriften, alhoewel een grote mystieke inslag in haar karakter aanwezig is – Ze ziet het belang in van geloven maar is zelf erg liberaal onder dit opzicht – Bezit een onverzadigbare drang naar kennis – Deze houding werd direct of indirect tijdens haar jeugd gevormd – Een echte waarheidszoeker, die in alles een betekenis ontdekt – Zeer aangetrokken tot mensen met een sterke eigen identiteit – Visionair, ziet mogelijkheden die anderen ontgaan – Wil de opgedane kennis ook concreet gaan toepassen – Waarschijnlijk sterke taalbeheersing – Is niet zelfzuchtig met de eigen kennis, maar heeft vrijheid nodig om die kennis op eigen wijze tot resultaat te laten komen – Sterke drang om te slagen – Leiderstalent – Ze heeft veel bittere ervaringen in het leven – Ze heeft steeds veel waar ze moet voor zorgen, mensen en zaken – Geliefde personen worden door haar zeer goed aangevoeld en begrepen – Ze beschikt over een zorgende, koesterende aard in de liefde, maar verwacht er wel dankbaarheid voor – Zeer vlug gekrenkt en tegenvallers worden overdreven zwaar aangevoeld – Verdedigt zich niet als ze wordt misbruikt (wat vaak voorkomt) maar wordt er wel door verbitterd – Heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel, voelt zich machteloos tegenover onrechtvaardigheid, niet alleen op het persoonlijk vlak maar ook op religieus en politiek vlak – Ze gelooft in de mogelijkheid van samenwerking om de wereld te verbeteren – Heeft een te groot vertrouwen in de doelstellingen van de mensen en in de mensen zelf – Heeft hoogstaande motieven, wat niet belet dat ze bezeten is door het verlangen erkenning van anderen te krijgen – Ze is zeer moeilijk van een eenmaal gesteld doel af te brengen, zelfs tegen alle regels in wil ze haar zin doordrijven, met als gevolg dat ze vaak met de maatschappij overhoop ligt – Haar sociaal leven verloopt goed wanneer ze een gezelschap van gelijkgezinden kan vinden – Heeft snelle onafhankelijke geest en zet die in op de gebieden die haar interesseren – Houdt van uitdagingen – Soms verwaand – Heeft lak aan conventies en autoriteit, is vaak een echte rebel – Droomt van succes en van pracht en praal – Kan niet relativeren, laat staan om zichzelf lachen – Is gemakkelijk te kwetsen – Als dat gebeurt, reageert ze met sarcasme en zelfs met enige mate van wraakzucht – Enthousiast te krijgen voor nieuwe interessen, vooral culturele en sociale activiteiten – Hiervoor kan ze zich aanpassen als een kameleon, teneinde haar doel te bereiken – Extreem individualistisch en eigenzinnig, neiging zelfs tot principeloosheid – Beschikt over een sterk talent om op subtiele wijze te intrigeren – Kan woedend worden over onbenullige zaken – Houdt van risico’s maar berekent ze eerst wel – Straalt op anderen kracht uit, vooral door de ogen – Hoopt een bijdrage te kunnen leveren aan de oplossing van sociaal onrecht – Sterke belangstelling iets te doen in groepsverband. Heeft daar zeer goed organisatietalent voor – Manipuleert groepen en binnen groepen – Door met een zekere arrogantie op te treden maakt ze zich machtige mensen tot vijand – Bezit het gezichtspunt van de criticus, wil het goede van het slechte scheiden, maar is meestal verkeerd begrepen – Haar geest is standvastig en onwankelbaar, zo zelfs dat ze  stijfhoofdig en ontoegeeflijk kan worden – Als iets echt niet lukt, verliest ze er alle belangstelling voor – Ze kan er niet tegen verantwoording te moeten afleggen – Ze verlangt altijd een snelle beloning voor elke inspanning - Sterke behoeft aan genegenheid – Zit met ongemotiveerde schuldgevoelens, die emotionele banden in de weg staan – Haar succes in het beroepsleven of in het sociaal contact zijn mogelijk zolang er geen emoties bij betrokken zijn – Zoekt emotioneel contact met rijpe serieuze mensen – Is in persoonlijke relaties zeer genereus – Wil leven met partner volledig delen – Behoefte aan partner die eveneens door het nieuwe gefascineerd wordt en de toekomstplannen en doelstellingen deelt – Eist zeer veel in een liefdesrelatie: toewijding, goedkeuring en zelfs verering; de partner moet haar in alle omstandigheden bijstaan – Wenst een ideale liefdesrelatie en wordt daardoor gemakkelijk het slachtoffer als de andere niet werkelijk van haar houdt -– Houdt van oprechtheid in een relatie – Bemoeit zich niet met andermans privé-leven en dringt haar eigen privé-leven niet aan anderen op – Affecties zijn diep maar idealistisch – Heeft een sterke behoefte aan opoffering voor gezin en familie – Is impulsief in de liefde – Wil de dominerende partner zijn – Huwt waarschijnlijk te haastig en te jong – Komt tot scheiding, met veel problemen in dit verband, met familie en omgeving, waarschijnlijk ook erfenisproblemen – Is een hartstochtelijke en vurige minnares – Zal pas op latere leeftijd met partner in contact komen bij wie ze zich volledig kan ontplooien – Zal waarschijnlijk vredige dood sterven – Een tijdlang is ze een gewaardeerd persoon en dan weer verguisd – Nerveuze gezondheidsproblemen – Kunstzinnig van aanleg – Veel hulp van familieleden in het opbouwen van fortuin – Vlug scherp verstand, vasthoudend, koppig, handig, origineel, soms excentriek, warm en hulpgevend hart. 


[1] De meeste familiegegevens hierna komen uit de nauwkeurige nota’s die werden opgesteld door Dom Jean-Baptiste De Meester o. s. b. in het vooruitzicht van een genealogie van de familie van Outryve (in twee koffers bewaard in Rijksarchief Brugge), door hem voorlopig geordend in het handschrift: Liasses de notes ayant été groupées pour la rédaction défintive (Kon. Bibliotheek, Brussel, Handschriften n° 111.892)  en benut door A. VAN HOUTRYVE, Genealogie van de familie Van (H)Outryve, Roeselare, 1985, blz. 265-382. Ook: J. GAILLIARD, Bruges et le Franc, Tome IV, 166-182.

[2] Op een parochieregister staat hij vermeld als “ex Germania”. Het kan natuurlijk, en dan zou hij wellicht oorspronkelijk Krieger geheten hebben. Een parochieregister is op dit stuk natuurlijk geen Evangelie. Vast staat dat na de inname van Damme in 1706 door de Engelse generaal Marlborough (Successieoorlog), Hollandse troepen in Damme gelegerd lagen.

[3] Het echtpaar, net als zoveel andere in West-Vlaanderen, behoort tot de rechtstreekse voorouders van prinses Mathilde van België.

[4] L. DEVLIEGHER, Damme, Tielt, 1971, blz. 93. Zijn echte naam was Depuydt, maar hij liet zich De Puis noemen, omdat de lokale jeugd de spot dreef met zijn naam.

[5] Dom DE MEESTER, a. w. t. XIV, blz. 14-21, uittreksel uit parochieboek: “Contraxerunt matrimonium Johannes Krijger et Anna Deyne, urgente mortis periculo, coram me infrascripto pastor Ignatius De Puydt et testibus RR. DD. Johanne Arnoldo Beckers et Petro Claeys, vice pastore Damensi et pastore in Moerkerke, quod ante aliquos annos contraxerunt coram ministro acatholico in Hollandia”

[6] K.VERSCHELDE, Geschiedenis van Middelburg in Vlaanderen, Brugge, 1867. Tenware hij dit ambt  pas na de dood van zijn vrouw bekleedde, toen hij dus katholiek was geworden.

[7] Voor Petronilla was de peter Pierre Van de Putte en de meter Johanna Van Houcke.

[8] SAB, in het archief Corps de cavalerie volontaire berust een schotschrift of pasquille tegen de deugnieten van het Comité Patriotique waarin men zegt over van Outryve de Merckem: “Ook die slegte valse van Outryve, arme inwoonder van Damme, eene sone van een dobbel banqueroutier, zijne moeder was Pieternel de Krijger, dogter van de peerdesmit van Damme”.

[9] DE MEESTER, a. w., t. XIV, blz. 34; A. VANHOUTRYVE, a. w., blz. 291

[10] Het portret door Suvée is thans in het bezit van graaf Henry d’Udekem d’Acoz, in Proven.

[11] Nota’s Dom De Meester, Hoofdstuk XIV.

[12] ‘vrienden’ in de betekenis van ‘familie’

[13] in de betekenis van  ‘hebben zich opgewerkt’

[14] in de betekenis van ‘op straat’

[15] Familiearchief Gillès de Pelichy, notities Van Huerne. Met mijn dank aan Baudouin D’Hoore.

[16] P. BEAUCOURT DE NOORTVELDE, Beschrijving van den opganck en onderganck der Brugsche Koophandel, Brugge, 1775.

[17] Over Marloop, waarschijnlijk samen met zijn ambtelijke voorganger Villain XIV de belangrijkste Vlaming in de Oostenrijkse Nederlanden tijdens de tweede helft van de 18de eeuw, bestond tot hiertoe geen betrouwbare biografie. Dit is thans gerealiseerd in: Baudouin D’HOORE, De familie Le Bailly, studie van een ambtsadellijke familie in de 18de eeuw (1718-1807),  Rijksarchief, Brussel,  2002 en Idem, De familie Le Bailly in het bestuur van het Brugse Vrije en van de stad Brugge in de 18de eeuw, in: Brugs Ommeland, 2002, blz. 5-31.

[18] L. DUERLOO & P. JANSSENS, Wapenboek van de Belgische adel, Brussel, 1992, Deel N-Z, blz. 107-108.

[19] De patentbrief van 1771 vermeldt duidelijk, voor wat de riddertitel betreft, “pour leurs personnes seulement” en derhalve niet erfelijk. De erfelijkheid kwam er, in hoofde van Louis-Emmanuel van Outryve d’Ydewalle pas in 1822.

[20] Rijksarchief Gent, Raad van Vlaanderen, Fiskaal, 3593, brief van schout F. Simon van 11 januari 1785.

[21] SAB, Handschrift 50, Confrérieboek H.-Dorothea. Kanunnik van Outryve werd lid in 1765 en was proost in 1767.

[22] A. VAN DEN ABEELE, Een jaargetijde voor François de Stappens, in: Biekorf, 1982, blz. 168-171.

[23] A. VAN DEN ABEELE, In Brugge onder de acacia, Brugge, 1987, blz. 227-238.

[24] H. GODAR, Histoire de la gilde des archers de Saint Sébastien de la ville de Bruges, Brugge, 1947, blz. 362.

[25] D. DENDOOVEN, De Brugse academie in de achttiende eeuw, onuitgegeven licentiaatverhandeling, RUG, 1994.

[26] A. SCHOUTEET, De Sabbatine. Een Brugse vereniging van rechtsgeleerden in de 18de eeuw, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis, Brugge, 1981, blz. 108.

[27] SAB, Rekeningboek Klerken van Sint Ivo. (inventaris 507).

[28] A. VANHOUTRYVE, De Brugse kruisbooggilde van Sint-Joris, Handzame, 1968, blz. 240.

[29] A. VAN DEN ABEELE, De Confrérie van het Heilig Bloed in de 18de eeuw, in: Het Heilig Bloed te Brugge, Brugge, 1990.

[30] SAB, Confrerie van de Drogen Boom, doodschuldenboek 1718-81 (inventaris 505).

[31] A. DE WITTE, 500 jaar vrije archiers (…) te Sint-Kruis-Brugge, Brugge, 1975.

[32] SAB, Staten van Goed, 2de reeks, 13452. Dit nummer dient te worden aangevuld met de gegevens in de aanvullende boedelbeschrijving 16878 (1785) en de rekening 13731 (1788). Van deze laatste is er ook nog een kopie onder nummer 17478.

[33] SAB, Trouwregister Sint-Donaas: 1773, 16 februari: “matrimonio juncti sunt praen. dom. Philippus de Stappens de ter Walle et praen. Domicella Maria Petronella van Outryve, coram me infra signato et testibus praen. Philippe de Stappens, burgemagistro franconatus brugensis et praen. dominus Pelichy, juriscon. pensionarius ejusdem franconatus brugensis”.

[34] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 13452

[35] Volgens oud gebruik, zolang zijn vader de titel ‘de Harnes’ voerde, nam hij de naam aan van één van de lenen toebehorende aan de familie. Het goed Ter Walle was een hoveniersland gelegen tussen de Langestraat en de Koopmansstraat in Brugge, naast het Kartuizerklooster.

[36] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 13452

[37] A. VAN DEN ABEELE, De stadhouder sterft…maar de gilde viert, in: Brugge die Scone, 1981, n° 4, blz. 16.

[38] SAB, Archief Sint-Jorisgilde, resolutieboek 1772 – 1805, blz. 17-27 (inventaris 385).

[39] A. VAN DEN ABEELE, Het “Concert”, in: Brugs Ommeland, 1994, blz. 194-195.

[40] Idem, blz. 237.

[41] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 13452. Raadslid J. de Bie had van het sterfhuis nog 3 p. 4 sch. tegoed en schepen R. van de Wouwere nog 21 p. voor “observeren de ferie ende continuatieën voor de overledene”

[42] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 13452.

[43] Thans als Arentshuis of Museum Brangwyn bekend.

[44] Stadsbibliotheek Brugge, Dagboek Robert Coppieters (handschrift), 26 december 1783.

[45] SAB, Archief Sint-Jorisgilde, verslagboek.

[46] SAB, Staten van Goed, 2de reeks, 13452 – 16878 – 13731 – 17487; A. VAN DEN ABEELE, Brugse bouwvakkers rond 1780, in: Biekorf, 1982, blz. 85.

[47] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 13452

[48] SAB, Archief Sint-Jorisgilde, resolutieboek 1772 – 1805, blz. 76-77.

[49] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 13610.

[50] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 13744 en 17810

[51] SAB, Staten van goed, 2de reeks, 13452

[52] SAB, Registers van de sestendelen, Sint-Donaas, folio 133, etc.: aankoop van de Casselberg op 12/12/1771 door kanunnik Johannes Georgius van Outryve, verkocht door de erfgenamen van het echtpaar Louis van Borsele en Johanna d’Henrard de Ramelos. Jan Georges, van zijn kant, ging wonen in de Cordouanierstraat, in een huis dat aan Petronilla toebehoorde.

[53] Dit portret is eigendom van de familie van Outryve en meer bepaald van de erfgenamen van eregouverneur Pierre van Outryve d’Ydewalle. Dat het bij hen berust en dat het destijds niet bij de (thans uitgestorven) erfgenamen van de familie de Stappens is terechtgekomen, doet me de veronderstelling opperen dat dit portret door haar broer Louis-Emmanuel werd besteld en dat het in zijn woning hing. Louis-Emmanuel liet ook zichzelf en nog andere leden van de familie portretteren door Suvée met wie hij vriendschappelijke betrekkingen onderhield.

[54] Stadsbibliotheek Brugge, Dagboek Robert Coppieters (handschrift) op datum 21 juli 1789.

[55] R. COPPIETERS, Journal d’événements divers et remarquables, Brugge, 1907, blz. 140; J. VAN WALLEGHEM, Dagelijksche gevallen 1789, f° 67.

[56] L. COUVREUR, De zeeverzekeringsmarkt der Oostenrijksche Nederlanden, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1937, blz. 58-86; L. VAN ACKER, De Westvlaamse zeeverzekeringsmaatschappijen, laatste jaren en liquidatie, 1807-1812, in: Biekorf, 1966, blz. 257-265: Y. VAN DEN BERGHE, Jacobijnen en traditionalisten, Brussel, 1972, blz. 28

[57] Archief Bisdom Brugge, Acta Caïmo, T. 68, fol. 91-96; Nota’s Dom De Meester; A. VANHOUTRYVE, Familie Van (H)Outryve, a. w., blz. 303.

[58] R. COPPIETERS, a.w., blz. 164.

[59] SAB, Plakkaten en ordonnanties, Reg. 34/2, Tableau des volontaires de St.-Georges à Bruges en ordre de parade dans l’année 1790; E. N. [A. VIAENE], Het korps volontairen van de St.-Jorisgilde, Brugge 1790, in: Biekorf, 1972, blz. 366.

[60] R. COPPIETERS, a.w., blz. 166

[61] R. COPPIETERS, a. w., blz. 194-195.

[62] Rijksarchief Gent, Raad van Vlaanderen, Fiscaal, 3650; Y. VAN DEN BERGHE, a. w., Deel 2, blz. 48-54.

[63] A. VAN DEN ABEELE, Valentin Jacoby, burgemeester van Sint-Kruis, in: Brugs Ommeland, 1992, blz. 37-53.

[64] A. VAN DEN ABEELE, De Jacobijnse club, voorwerp van spot in Brugge, in: Biekorf, 1996, blz. 226-230. Het versje over het koppel luidde als volgt:  Madame Stappens a mal au cul / c’est Jacoby qui l’a foutu / mais nous la guérrirons / à grands coups de bâtons.

[65] R. COPPIETERS, a. w., J. VAN HESE (ed. E. HOSTEN & E. STRUBBE, Journal contemporain, Brugge, 1931; J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdisgte voorvallen 1792 en 1793; Y. VAN DEN BERGHE, a. w.

[66] Stadsbibliotheek Brugge, 1405-8, Handschrift van alle de members uytmaekende het Genoodschap der Vrienden van Eendragt, Vrijheijd en Gelijkheijd.

[67] J. VAN HESE, a. w., blz. 15.

[68] Stadsbibliotheek Brugge, Het Vaderlandsch Nieuwsblad, 1 maart 1793.

[69] J. VAN WALLEGFHEM, Merckenweerdigste voorvallen, 1793, folio 77.

[70] Rijksarchief Gent, Raad van Vlaanderen, Fiskaal 3655, brief van E. Goubeau van 5 mei 1793 aan Maroucx; Idem, Fiskaal 3659, Liste des principaux clubistes van 2 december 1793.

[71] J. VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste voorvallen 1794, f° 28.

[72] W. ROBINSON, Notice sur le couvent des Franciscaines anglaises à Bruges, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis, Brugge, 1890, blz. 42-64.

[73] SAB, Epoque intermédiaire, Lyste der absente persoonen van de stad Brugge.

[74] SAB, Plakkaten, Plakkaatboek 35, Plakkaat 68, deel I, Kort verhaal van de Contributie van 4 millioenen in guldens.

[75] RAB, Frans Fonds, n° 546, Résumé des cahiers contenant l’évaluation en numéraire métallique du capital de la fortune des habitants (…), 17 Nivôse An IV.

[76] A. VAN DEN ABEELE, Het Concert, a. w., blz. 212.

[77] Besluit van het Directoire Exécutif dd. 30 augustus 1799, ondertekend Seyes en Fouché. (RAB, Archief departement van de Leie).

[78] R. COPPIETERS, a. w., blz. 347.

[79] Archief familie van Outryve d’Ydewalle de Diest, Grootboek Société Augustin van Outryve

[80] Archief familie van Outryve d’Ydewalle (vroeger op kasteel Tudor), Grootboek 1796 – 1801.

[81] Nota’s Dom De Meester.

[82] Nota’s Dom De Meester.

[83] SAB, Frans fonds, Vente de biens nationaux. Zie: J. A. VAN HOUTTE, De geschiedenis van Brugge, Tielt, 1982, blz. 470.

[84] B. D’HOORE, a. w., blz. 394.

[85] R. COPPIETERS, a. w., Voorwoord, blz. XII.

[86] SAB, bevolkingsboeken 1792-1810.

[87] A. VIAENE, Napoleon en Marie-Louise te Brugge, Brugge, 1958.

[88] Eulalie de Stappens (1799-1868) huwde met baron Henri Mortier (1804-1854). Ze hadden drie kinderen. Adèle de Stappens (1808-1854) huwde met Georges Chantrell. Zie: A. VAN DEN ABEELE, Negentiende-eeuwse ondernemers te Brugge: Georges en William Chantrell, in: Driemaandelijks Tijdschrift van het Gemeentekrediet van België, 1983, blz. 241-268.

[89] Archief Bisdom Brugge, archief La Réunion des Amis du Nord, ledenlijst 1808.

[90] Hoewel zijn echtgenote hem overleefde, waren het zijn twee dochters die erfden. Ze aanvaardden de erfenis onder voorbehoud, zodat ze wellicht enige vrees hadden voor mogelijk opduikende schulden. In totaal beliep de erfenis 150.000 franken. De helft hiervan vertegenwoordigde de waarde van het kasteel, de hofstede en 40 ha landbouwgrond in Koolkerke. Het overige vertegenwoordigde de eigendom Ter Walle in de Koopmansstraat, gronden in Zuienkerke, Ramskapelle, Houttave, Lissewege en Dudzele (Rijksarchief Beveren, Registratie en Domeinen, Successies Brugge, 438, n° 100)

[91] Ze diende hiervoor een factuur in bij het stadsbestuur (zie voetnota 89)

[92] Jan-Karel Verbrugge, Gedenckweerdige aenteeckeningen (uitg. A. SCHOUTEET), Brugge, 1958, blz. 54

[93] Rijksarchief Beveren, Registratie en Domeinen, Successies Brugge, n° 185.

[94] Antoine Wemaer en zijn echtgenote Marie Heene waren de ouders van o.a. Antoine Wemaer (1812-1875), vicaris-generaal van het Bisdom Brugge, vriend en steunpilaar voor Guido Gezelle, tijdens zijn Brugse periode van actieve politieke journalistiek.

[95] Het grafmonument is verdwenen. Alleen de grote grafsteen is nog aanwezig, waarop de letters DS VO het identificeren.

[96] Catalogue d’une belle collection de livres en plusieurs langues et facultés, la plupart bien conditionnés et proprement reliés, suivi d’une belle collection d’estampes sous glaces et en feuilles, tableaux, objets divers et meubles en acajou, délaissés par feue Madame Marie-Pétronille van Outryve, douairière de Monsieur Philippe de Stappens d’Harnes, et par d’autres défunts, dont la vente se fera publiquement par le greffier Verhaeghe, dans la salle ordinaire des ventes dans la Maison de Ville à Bruges,  (…), les mardi, mercredi et jeudi 8, 9 et 10 novembre 1814, le matin à 10 heures et l’après-midi à 2 heures, sous la direction de J. Bogaert et Fils, imprimeurs-libraires. A Bruges, de l’imprimerie de J. Bogaert et Fils, rue des Tonneliers n° 16. Een exemplaar van de catalogus, bewaard in de bibliotheek van het kasteel van Marke, draagt de naam van Pieter de Melgar – Coppieters. Veel verkoopprijzen en namen van kopers worden er in vermeld. Met mijn dank aan baron Emmanuel de Bethune.

[97] Men zal enkele voorbeelden aantreffen in mijn studies In Brugge onder de Acacia, a. w. en De Confrerie van het H. Bloed in de 18de eeuw, a. w.

[98] Annuaire de la Noblesse, 1896; L. DUERLOO & P. JANSSENS, a.w., blz. 108. Bij die gelegenheid werd de riddertitel op alle mannelijke afstammelingen van Outryve d’Ydewalle overdraagbaar gemaakt. In de adelserkenning van 1822 is er enige verwarring geslopen tussen de drie broers. Het is wel opvallend dat Louis-Emmanuel van Outryve zo lang wachtte alvorens zijn vroegere adellijke status door Willem I te laten bevestigen, zoals vereist was. Dit gebeurde pas op 29 juli 1822, en dit zowel voor de overleden Jean-Jacques, Jean-Georges en Maria-Petronilla (retroactief en zonder te vermelden dat ze ondertussen al overleden waren) als voor de nog in leven zijnde Louis-Emmanuel. Op het ogenblik dat hun adellijke kwaliteit aldus werd bevestigd, was de schoonzoon van Jean-Jacques van Outryve, Patrice de Coninck de Merckem, minister van Binnenlandse zaken van het Verenigd Koninkrijk. Hij was zelf in 1816 in de adelstand opgenomen.

[99] Rijksarchief Brugge, Frans Fonds, nr. 623 t/m 626.

[100] Rijksarchief Beveren, Registratie en Domeinen Brugge, Successies, n° 184.

In het Stadsarchief te Brugge vinden we het volgende onder SAB. 787 volgende akte verleden bij Not. Ch. Eug. De Busscher.

Is gecompareerd
Dhr. Judicus van Cleemput, meyer van Ste Cruys, als president van het “Bureau van Weldadigheid der Armen” en,
Dhr. Antoine Wemaer-Heene, négociant te Brugge als excecuteur van het testament van wijlent Mevr. Marie-Petronelle van Outryve, douarière van wijlent J° Philippe de Stappens- d’Harnes, overleden 21.05.1814.
Ende in uitvoering van het consentement van de executie van het testament en van de afleveringen van delegaten gegeven door Mevr. Julie Debrauwer, douarière van J° Louis de Stappens-d’Harnes, rentenieringe tot Brugge in haere qualiteyt van legale voogeresse van de Juffr. Adèle en Ulalie de Stappens-d’Harnes, haere minderjarige dochters bij acte gepasseert voor Meester Delarue.
Eene behuysde, beschuerde ende betimmerde hofstede met de landen groot 11ha 27a 73ca of 25-1-48R noort-oost van de kerke nevens het kasteel van de overledene in gebruyck door Joannes Broucke 693,87 fr ofte 63p. 15sch. courant sjaers.

Tytel van proprietye
1 d’hofstede aan de overledene 3ha 56a 72ca bij koope van dheer Charles Huyghe, prop tot Ypres, volgens erfvenisse 24 prairal 13°jaar of 10.06.1805.
2. 162a 96ca zaeyland bij koope met andere goederen jegens Mevr. Vanden Bogaerde en consorten volgens erfvenisse 11.02.1803
3. 481a 72ca zaeyland bij koope jegens het gouvernement 12.03.1798
4. 115a 30ca zaeyland bij koope jegens het gouvernement vootkomende van de pastorije van Ste Cruys.
 
Vier diensten van 1° klasse met uitdeling van brood op de vier verjaardagen van het overlijden van oom Louis-Emanuel van Outryve, kaneunnik, de mon fils Louis de Stappens en de Mr. Valentin Jacoby.

Bijvoegsel.
22.07.1811 is overleden Valentin Jacoby, prop et maire de la communauté de Sainte Croix, agé de 52 ans, né à Bruges et domicilié en cette commune, fs de Jacques et Marie du Bois, décédé dans la maison de campagne de Mme de Stappens, née van Outryve