Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Baan Brugge-Gent.

Daar nagenoeg alle steden van betekenis met elkaar verbonden waren, met uitzondering van Brugge en Gent, gebood de regering alle bestaande wegenwerken stil te leggen tot de steenweg Gent-Brugge voltooid zou zijn. Dit werd in 1782 voor geheel het Brugse Vrije bevolen.
Er bestond een decreet die verbood een nieuwe steenweg als een soort jaagpad naast een bestaand kanaal te leggen. Daarom ging het tracé van de ontworpen weg over Eeklo en Maldegem.
De gemiddelde breedte van het plaveide gedeelte bedroeg net als bij ongeveer alle geoctrooide wegen, 5 meter. daarbij kwamen aan weerszijden een zomerweg van ruim 3 meter en een sloot van ruim 1m, alles samen dus 13 à 15 meter. Net als overal in Vlaanderen werd ook deze weg in karwei uitgevoerd. Het is begrijpelijk dat de meesten met tegenzin werkten, inzonderheid personen die op de eigen hoeve bergen werk te verzetten hadden. De gevolgen bleven niet uit, het werk vorderde langzaam, er werd slecht werk geleverd, materiaal werd gestolen en men moest drastisch optreden tegen werkweigeraars en opstokers.
Het tracé van de weg was nu ook niet geschikt om de karweimannen gunstig te stemmen. Te Brugge werd gestart aan de Vossesteert, een herberg te St. Kruis juist buiten Brugge, verder ging het door het bos- en heidegebied rondom Sijsele via Adegem naar Eeklo. Dat was nu eens een streek om voor het rooien van bossen en het ontginnen van de hei talrijke karweimannen in te zetten. Over het algemeen was het een rechttrekken van de oude Antwerpse Heerweg.
Het bevel deze weg tegenover andere in aanleg of in het vooruitzicht gestelde wegen voorrang te verlenen doet vreemd aan. Het Oostenrijks bestuur had immers vanaf 1715 als algemene regel aangenomen zelf geen wegen aan te leggen. In dit geval zag de regering te Brussel evenwel verder en oordeelde ze anders, omdat ze het algemeen belang van het land op het oog had.
De eer daarvoor komt evenwel toe aan Karel van Lorreinen, maar evenzeer aan de gemachtigde ministers Botta-Adorno en Cobenzl. De benaming “Theresiaanse wegen” is bijgevolg niet helemaal juist

Straatgeschiedenis

Volgens A. Schouteet werd de staatsbaan Brugge-Gent in 1769 aangelegd en in 1778 in gebruik genomen. .
Brugge bezat toen nog de paallanden. Maar op het einde van de 18e  eeuw werd ons land bij Frankrijk aangehecht en werden de paallanden van Brugge afgenomen en onder beheer van de randgemeenten gesteld. De verschillende eigenaars van gronden in die paalanden behielden echter dat eigendomsrecht zoals bv. ook de stad Brugge behield haar eigendom over haar wegen in dit gebied. De grote wegen echter, de routes impériales (staatsbanen), althans het besteende rijvak, werden eigendom van de Franse staat. De zijkanten (of zomerweg) en het plantrecht bleef aan de stad.
Voor het jaar 1769 liep vanaf de Kruispoort een heerweg richting Antwerpen. Tussen de Kruispoort en de paalsteen bij de herberg "Het Schaek”, liep de weg niet zo recht als op vandaag, en verder tot aan de Vossesteert lag de heirweg op de plaats van de huidige Veltemweg. Van de Vossesteert : "alwaer de Male dreve begint", en over de huidige Pelderijnstraat en de Antwerpse heirweg, liep de weg naar Sysele.
 
In 1737 moet Brugge eraan gedacht hebben de weg op haar grondgebied te kalsijden. (zie plan 1 van de gezworen landmeter Jan d'Herbe, (april 1737) Hierover zegt het raport van de bevoegde diensten aan het schepencollege: "... dat de lieden van de parochie Sijsseele en de van meer andere gelegen buyten de Cruyspoorte van dese staat, verscheyde mael aen hun hadden geclaeght dat den toeganck van buyten naer de voorseide poorte ts winters binnen de palen, soo ongebruyckbaer was geworden, dat het seer moeyelijk vielt om met waghens ende peerde door den selven wegh te connen passeren ende met geladen waghens hunne vraghten ende andere buyten waren te brengen ter marckt van dese stadt, oock niet jegenstaende dat den voorseide wegh binnen paele van tijt tot tijt is vermaeckt geweest ten grooten coste van de stadt soo bij middel van het legghen van rameyen ende aerdewerck als oock wel met het invoeren van eene groote quantitett van greys, daerom sij te kennen gaven, dat sij ter presentie van experte hadden genomen veue de lieu ter plaetse nopende de gelegenheyt ende staet vanden selven wegh, ende dat sij naer behoorlijcke visitatie ende examinatie, voor het toecommende, om den gemelden wegh te stellen in eenen goeden staet, geenen beteren middel en hadden gevonden, als den gemelde wegh te calseyden, soo  verre als het den meesten noodt jeghenwoordigh verheesschen mach, ten welcken eynde sij rapporteerden, te hebben laten maecken eene figuratieve caerte van den voorschreven wegh, te beginnen van den baillie van den rampaerden van den stadt ter Cruyspoorte naer de herberghe genaempt het Schaeck waaerjeghens den paelsteen van den stadt abouteert ende geplant is, doch alsoo sij seyden dat den meergeseyden wegh light met bochten ende canten ende dat behooren soude van die te legghen soo rechte als het doenlyck is tot cieraet vande stadt ende voor den toevoer van alle buytenwaeren haer dese stadt tot aen het voornoemde Schaeck... (SAB, Resolutieboek 1736-1740, fol 26v dd 27.04.1737)

De tekst gaat verder over de nodige onteigeningen voor de rechttrekking van de weg tot aan de paalsteen. Of de stad deze werken heeft uitgevoerd was niet te achterhalen. Eigenaardig is wel dat op het plan uit 1737 van de gezworen landmeter J.d'Herbe, het tracé van de ontworpen rijksweg reeds is aangegeven, een weg dat pas veertig jaar later werd uitgevoerd. 

Met de ingebruikneming van de rijksweg Gent - Brugge in 1778 had St.-Kruis meteen een weg die, op gans de lengte op haar grondgebied, van kasseien voorzien was. En, gezien we in het duister tasten naar de allereerste aanleg van de "calsye" op de buurtweg nr 1, was de staatsbaan wellicht de eerste steenweg op Sint-Kruis.

Volgens de profielschets op plan Nr 1 bestond de rijksweg uit een rijvak van 12 voet breed (3,30m) met aan weerszijden een zandige zomerweg van 16 voet (4, 40m en eveneens aan weerszijden een gracht van 8voet (± 3,20m) In totaal dus 60 voet of 18,50m breed. (In de kasselrij van het Brugse Vrije kwam 1voet overeen met 27,42 cm.)

Dat deze breedte niet overal werd aangehouden was al duidelijk op de wijk Male. Oud St.-Kruisnaars zullen zich nog wel herinneren dat, in het binnenkomen van dit gehucht uit de richting Brugge, de staatsbaan tussen de omheiningsmuur van het kasteel van Baron Eug. de Peellaert (thans Hotel Lodewijk van Male) en de muur van de daar tegenoverliggende hoeve liep. Ter hoogte van de "kapel de Peellaert" was de rijksweg amper 9m breed (zie plan nr 3) En verder in het dorp Male liep de steenweg in de zate van de huidige Pelderijstraat, die wellicht nog smaller was.

De auto moest nog uitgevonden worden en dus zal de nieuwe rijksweg nog enkele jaren er vrij rustig en onveranderd bij gelegen hebben. Dit neemt niet weg dat er, hoe onwaarschijnlijk ook, er "verkeersongevallen" plaats hadden. In 1832 werd aangifte gedaan van een dodelijk ongeval.

Ten jaere achttien honderd tweeendertig den 25 april ten 2 ueren naer middag voor ons Goupy de Beauvolers, burgemeester van den gemeente St Cruys, distrikt Brugge, provincie Westvlaanderen is gecompareerd Jacobus Lagart, oud 32 jaeren, werkman woonende op het gehugt Maele in deze gemeente den welke ons verklaerd heeft dat op heden ten 10 ½  ueren in de voormiddag zijn kind genaemd Franciscus, Johannes Lagart, oud 3 jaeren zig bevond met een ander kind spelende op den aerden weg langst de calsijde van Brugge naer Gend. Dat aldaer zekeren Bernard van Maele, wonende bij Pieter v. Mullem, brouwer te Maldeghem is aengekomen conduiserende eenen waegen bespannen met twee paerden het gezegd kind Franciscus, Jahannes Lagart dwaers over het hoofd met den agterwiel van den waegen overreden heeft zoodaenig dat door deze wonde het gemeld kind overleden is. Naer genoeg onderzoekingen en informatien schijnt dat dat dit bij ongeluk plaets gehad heeft. Getuygen te hooren Francisca, huysvrouw van Josephus van Dierendonck en Rosalie Vandierendonck oud 30 jaeren beyde wonende op het gehugt Maele. Van al hetwelk wij opgesteld hebben het tegenwoordig proces-verbael om gezonden te worden aen den procureur des konings. Gedaen te St Cruys den daege, maende en jaer als boven. Geteekend Goupy de Beauvolers
Zoals hoger gezegd. hebben we weinig gegevens in ons gemeentelijk- of stads
archief over de evolutie van de rijksweg, vooral uit de vorige eeuw. Toch mogen
we veronderstellen dat de eerste aanpassingen erin bestonden, waar nodig en mogelijk, de rijksweg te verbreden door het verharden van de aan weerszijden liggende zandstrook of zomerweg. Dit moet althans zo zijn geweest op het grondgebied St.-Kruis met de zuidelijke zomerweg die van kasseistenen werd voorzien. Tot dit besluit komt men na het lezen van het politievoorschrift op het verkeer langs de staatsbaan, die in zitting van 21.9.1906 werd goedgekeurd: het is verboden op straf door de wet bepaald, op het grondgebied van deze gemeente met wagens en geladen voertuigen te rijden op de besteende weg liggende nevens en op de zuidzijde van de steenweg van de Staat van Brugge naar Donck. Deze besteende weg is alleenlijk bestemd voor voetgangers, de wielrijders en de hangende rijtuigen.

Anderzijds kwam reeds in raadszitting van 21.8.1897 te Brugge een raadslid met de vraag naar voor "waarom het rijwielpad van Gent naar Brugge stopt aan de herberg "Het Schaak" en niet doorgetrokken werd tot aan de Kruispoort, een einde wegs dat men zegt aan de stad Brugge toe te behooren. De burgemeester antwoordt: Je crois que primétivement, hors de la ville et jusqu'a une certaine distance, ce terrain appartenait à la ville mais à présent il fait partie de la grande voirie et la ville de Bruges n' a concervé que le droit de plantation. Il en est de même le long de l'avenue de Steenbrugge, hors la porte St Croix et de celle des Baudets, du Maréchal et de Gand. Er zou dus, eind de vorige eeuw, al een fietspad langs de rijksweg gelegen hebben.

We blijven nog even in de raadzaal te Brugge waar raadslid Baron Van Caloen in zitting van 15.2.1902 met volgend voorstel op de proppen komt "Langs de steenweg van Brugge naar Gent, tussen de poort en het gebouw toebehorende aan Mr Van Oost, staan nog omtrent 50 oude linden van geringe waarde. De eigenaars van de gronden al beide kanten van de kalsijde gelegen, vragen dat de stad die bomen zou doen vellen. Zij verbinden hen, indien de bomen weggenomen worden, van op beide kanten van de weg omtrent 5 m. van de kalsijde te bouwen. Er zou daar gevolgelijk een schoone wandeling kunnen gemaakt worden in de zin van de Steenbrugse wandeling. De stad zou natuurlijk nieuwe bomen moeten planten. De raad gaat hierop in en is bereid: "de bomen wassende langs beide kanten des wegs naer Male op eene lengte van tweehonderd meter, te rekenen van af de straet die naer de kalsijde van St Kruis leidt (NB dat is de Pr. Albertstraat) te verkopen. Dit op voorwaarde dat de eigenaars van gronden van beide kanten bereid zijn de erfdienstbaarheid af te staan en van niet meer te bouwen dan op het alignement van het huis Dieperinck aan de noordkant en het huis Dutho aan de zuidkant."

Maar een drietal jaar later komt een ander oplossing. In raadzitting van 14.1.1905 staat de stad, op vraag van Bruggen en Wegen, het plantrecht af aan de Staat. De Staat verbindt er zich toe de steenweg op een breedte van 5m. te brengen met aan weerszijden een macadam van 2,50m en voetpaden. Aan weerszijden van de weg komt een nieuwe bomenbeplanting. De keus van de bomen zal geschieden in overeenstemming met de stad.

Een volgende ingreep komt er pas na WO, I toen er na het onderzoek van commodo en incommodo van eind 1920, geen bezwaren binnen komen om de bocht van de rijksweg te Male recht te trekken, een werk dat in 1921 of 1922 werd uit gevoerd. En in 1923 wordt tussen de Pr. Albertstraat en het Zuidervaartje "in een eindje stinkende gracht" (200m) door aannemer Arthur Van den Dorpe een riool gelegd voor de prijs van 26.195 fr.

WO I had ook in Brugge zijn sporen nagelaten. In 1924 vraagt Ernest Stevens, raadslid te St.- Kruis, in een zitting om de brug over het Zuidervaartje aan café Den Arend te herstellen en te verbreden. Het zal nog vier jaar duren maar de brug werd wel aanzienlijk verbreed.

Begin 1930 bestonden plannen om de bocht in de rijksweg ter hoogte van de Vossensteert enigzins recht te trekken. Het was geen spectaculaire ingreep waarbij praktisch geen onteigeningen bij te pas kwamen. De herberg "In de Vossesteert" bleef toen nog gespaard.

Juist voor WO II zag de staatsbaan, op het grondgebied St.-Kruis, er als volgt uit. Naast het rijvak van 5m breed was de zuidelijke zomerweg op gans de lengte gekalsijd met er naast een fietspad en een bomenrij. De noorderlijke zomerweg was slechts gekalsijd vanaf Brugge tot juist voorbij de Schaakstraat. Verderop bleef dit een zandstrook met eenzefde boomenrij aan de noordkant van de weg.