Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

De "Gemene Weiden" op het Sijseelse.

    "Dat was hier vroeger één wildernesse van krakke en brem en busch en zompelinge...",aldus beginnen zij - de oudere onder de tegenwoordige rechthebbenden van Maleveld. Sijseleveld, Beverhoutsveld. Looweide en Gemene Weide - hun vertelling van de bekende legende van «Ieffrouw van Beveren ».
    Deze legende. die zich oorspronkelijk tot het Beverhoutsveld beperkte, hebben zij als gemeengoed overgenomen; zij zijn allen evenzeer overtuigd dat de weide de arme "gemeente" werd toebedeeld als voedsel voor haar beesten.    
Zonder aarzelen wijzen dezelfde zegslieden u ook de oude  "t'Minneweestraat naar de zee". Dit is een eigen landweg van de Gemene Weide van Assebroek die zuidwaarts uitweg gaf naar het Beverhoutsveld. en noordwaarts, over de Gentse heerweg, het oude Velthem dwarst om langsheen de Warande van Male, het « Park » op de westzijde af te sluiten; die dan verder
de Aardenburgse heerweg kruist bij Rooigem om, dwars doorheen het land van de watering van de Broek en de (huidige) Damse vaart, naar Koolkerke te lopen.
    Eeuwen lang hebben zij « die ghearvet waren an den grond... die men heet te meenewede », hun rechten verdedigd; in elke omstandigheid hebben zij zich steeds beroepen op de aloude overlevering « daer geen memorie en is van der contrarien ».
Zij die oudere rechthebbenden hebben nog brokstukken van dit wilde landschap gekend: één uitgestrekte vlakte waartussen purpere heide en geelbloeiende bremstruiken vlekten en waterwerf en lis weelderig in zompige waterplassen tierden.
    De oude oorkonden zijn ook welsprekend: veld of . wastine. zo heet het gehele gebied op de zuidoostgrens van het «park van Male»; meer zuidwaarts zijn het ackers: Couteracker, Praetacker. Bekeracker ; naar de Sint- Trudoleye toe is het mersch en broek.
Al deze velden. akkers. weiden en broeken behoorden tot het gebied van het aloude ambacht van Sijsele langs de zuidoostelijke oever van het Zwin. Zo dat we mogen aanvaarden dat zij oorspronkelijk een geheel gevormd hebben en weleer een deel uitmaakten van het onmetelijk Bulskampveld dat zich langsheen de Vlaamse kust uitstrekte.    
Het is moeilijk te aanvaarden dat een verschillend gewoonterecht het gebruik van de onbebouwde velden van een en hetzelfde gebied zou hebben beheerd.
Verschil zal eerst later ontstaan zijn. toen dichtere bevolking en splitsing van heerlijkheden een nauwkeuriger omschrijving van bepaalde gebieden als « gemene weide» voor gevolg hadden.    .
Wat er van zij. de opeenvolgende keuren of reglementen van de verschillende gemene weiden hebben talrijke kenmerken van onderlinge verwantschap en gemeenschappelijke afstamming behouden.
Het zal wel geen toeval zijn dat de actuele gemeneweiden op de grensscheiding van de aanpalende parochie liggen. (I)Maleveld en Sijseleveld. die hoeksgewijs elkaar raken.vormen
tevens de grens van de parochie Moerkerke, die in het gebied van de Wateringen ligt, Meer noordwaarts op.over de Maleleie. paalde het park. aan de Watering van de Broek (ook
Sijseelsche). De Looweide ligt op de scheidingslijn van Assebroek en benoorden de heerlijkheid van het Maandagsche. (2)
Over de Gemene Weide en het Beverhoutsveld. die topsgewijs naar elkaar toe reiken, ligt de parochie Oostkamp. Aan de zuidwestzijde van de Gemene Weide paalt het oude Odegem
(met St. Trudoklooster). Ten zuiden vormt het Beverhoutsveld de grens met Beernem.
Het is evenmin toevallig dat het grafelijk kasteel en bos grenst aan de gemene weiden van Male en Sijsele,
en dat het Maleveld een blok vormt met het grafelijk domeingoed tot tegen Maleleie. Het «bevanc» en de meersen rondom het hof van Praet (Vliegende Peerd) sluiten aan bij het Beverhoutsveld.
Het hof van Assebroek lag tussen de Assebroekmeerssen en de Gemene Weide. Benoorden de waterloop van Rostune en gelegen bij de kerk.vormde het hof van Sijsele met de aanpalende «. zwynsacker » maar één blok tot aan de Gemene Weide.
Het voorgaande betreft het landelijk gedeelte van het primitieve Sijseelsche dat in de 13e eeuw reeds een feodale ontwikkeling had doorgemaakt. Langs de oever van de Reie en de aanlegplaats van het Zwin breidde de handelsstad Brugge zich steeds verder op het Sijseelsche uit en nieuwe parochiën werden gesticht. O. L. Vrouw strekte zich uit van de Reie. langsheen St. Kruis. over Velthem tot omtrent de Warande van Male; eerst in 1270 werd de nieuwe bijparochie St. Katherine aldaar gesticht. De eerste havens van Brugge bevonden zich op het Praetsche grondgebied langs de Reie - dus op het Sijseelsche - waar in het midden van de 13e eeuw de nieuwe St-Gillisparochie gesticht werd. (I)
Steeds verder breidde de stad zich uit. Met toestemming van graaf Gwij kocht de stad in 1275 een groot gedeelte van het Ambacht van Sijsele., Aldus kwamen de paallanden van Brugge tot achter de kerk van St. Kruis. Bovendien behoorde al het best gelegen land van St, Kruis reeds tot de heerlijkheid van het Proossche; de proost van St. Donaas had zijn hofstede «de Spiker» in de watering van de Broek en waarschijnlijk stond zijn tiendenschuur bezuiden de kerk van St. Kruis. (2)
    Tot hier ons algemeen en vlug overzicht van de toestand van het Sijseelsche. zuidoost van Zwin en Reie.in de 13e eeuw.    '
Van dat tijdstip bezitten we ook enkele gegevens over de gemene weide van Sijsele dank de studie van Prof. E. Strubbe over Egidius van Bredene (I). Deze grafelijke ambtenaar. stichter van Spermalie. schonk in 1239 zijn domein te Sparemailge en gelegen oost van
de gemene weide van Sijsele. aan de abdij Nieuwland. In een grafelijke akte van 1241 betreffende uitwisseling van grond" wordt het Sijseelsche Veld vernoemd al~ pastura communis met de volgende bepaling: « .. .quam
dicti homines de Ziesele de nobis ten ent sub annub censu ». De laten waren dus de graaf een jaarlijkse cijns verschuldigd voor het gebruik van deze weide.
.Daar het klooster van Spermalie aan de gemene weide paalde. kwam het herhaaldelijk in botsing met ridder "Jhannevan Ziesele". In haar aanklacht van 1322 vermeldt de abdis o. m. dat heer Jan haar klooster wilde beletten het gerechte aantal koeien te drijven op de « commun pastourage ». Immers. naar gewoonte mocht zij voor ieder betaalde denier vier koeien ter weide zenden; daar zij 5 derniers betaalde in de brieven had ze dus recht op 20 beesten. En ze kreeg gelijk.
Uit deze oorkonden blijkt:
 1. dat de gemene weide oorspronkelijk de graaf toebehoorde die voor het gebruik een zekere cijnsrente eiste; 
2. dat de laten dat gebruik genoten sinds onheuglijke tijden en dat. op het einde van de 13e eeuw, een zekere vorm van inrichting bestond onder het toezicht van de heer van Sijsele.
Na de verbeurd verklaring van de heerlijkheid ging de jaarlijkse weepennynck en zwynspenninck naar de ontvangsten van het domeingoed .
    Onder graaf Lodewijk van, Male werd. in 1356 de Keure van de gemene weide door
de schepenen van het Sijseelsche opgesteld. Hier volgen de voornaamste bepalingen:
    I. De gebruikers kiezen voortaan jaarlijks de hoofdman die de eed zal afleggen voor de wet.
    2. Ieder gebruiker verklaart onder ede voor welk bedrag hij in de gemene weide « ghearvet. is. d. i. hoeveel koeien hij er mocht op laten weiden. Na het openen van de rentebrief zou men deze verklaringen vergelijken. misbruik zou geboet worden.
    3. 4. 5. Het is op boete verboden veulens en culpaerden (1) van meer dan een jaar oud. alsook zwijns en schapen aldaar te laten weiden.
    6. 7. Alleen degene die «ghearvet. zijn. mogen «vuerstzaden. steken voor hun eigen gebruik. alsook turven graven naar gelang van de betaalde rente: een voormiddag lang de.
gene die tot een parisis hallinc « ghearvet . zijn. een gehele dag degene die een parisis penning en meer rente betalen.
    8. Ook het weiderecht wordt bepaald naar de betaalde rente. te weten: vier « hooftbeesten per parisis penning.
    9. Geen wagen mag er door rijden tenzij om de turven en zoden te vervoeren.
    10. De hoofdman of elke geërfde die als houder optreedt krijgt 2 scel. parisis van zijn «ghehoude..
    11. 12. De ingezamelde boeten gaan voor de helft naar de heer en voor de andere helft « ten proffijte van der voorseider mener wede .. (2)
De gemene weide van Male echter stond rechtstreeks onder de hoge bescherming van de graaf en " de ghemene dorpe » genoot allerlei voorrechten. In de rekeningen ontmoeten we dan ook geen spoor van enige cijnsrente. De geërfden mogen zelfs hun koeien op het aanpalend grafelijk domeingoed laten grazen mits een kleine vergoeding. Doch na de oorlog weigeren ze daarvoor nog een penning te betalen, en de ontvanger boekt ronduit: « (1392) Et si ont cheulz de Male teint de pasture qui sont a eulx que nulz ne veut lieuwer (louer) ledite pasture...» d. i. de Oostwarande.
    Later heeft de burgemeester « van commun» het ook uitdrukkelijk verklaard aan de baljuw - vertegenwoordiger van de graaf - in het volgende geval. Een laat. Pieter Dans. had turven gestoken op de Gemene Weide en ze daarna binnen het park aan opzitten-nde laten verkocht. De baljuw had hem voor de vierschaar gedaagd en een boete van 60 pond geëist. zonder zich evenwel op enig artikel te kunnen beroepen. De burgemeester van commune trad op ter verdediging van de laat en bewees dat hij zulks mocht doen. vermits de turf niet buiten de heerlijkheid gevoerd werd. maar binnen het park verkocht was; en om te besluiten. zei hij met nadruk: « Dat hij het wel doen mach. zonder mesdoen. mids dat tvoorseyde veldt der ghemeente van den vorseiden parke TOEBEHOORT. » En de laat Pieter Dans werd
vrij gesproken.
Bijna drie eeuwen later. toen de eeuwenoude vrijheid voor het eerst zeer ernstig bedreigd werd, door de nieuwe baron van Male. Fr. Claesman, die als een dwingeland optrad. werd de keure van Maleveld in 1718 geschreven onder de druk van de nieuwe eisen. Zoals ten andere al de keuren werden geschreven wanneer de amborghers zich bedreigd voelden: ze smeekten dan telkens de bescherming af van het hoogste gezag om hun eeuwenoud recht te vrijwaren.
    Volgens het leenboek van 1435 was de heer van Assebroek «upperhooftman van der ghemeener weede ligghende tusschen Male ende Arssebrouc die men noemt der LOWEEDE, vermoghende daer in, ute causen van dien al sulke pasture met zinen beesten ende voordeele als andre daer anebuerdich wesende vermoghen met haren beesten in gheliken. »
    Volgens hetzelfde leenboek had de heer van Praet « ute cause van sinen heerscepe van Praet. als heere. de kennesse van alle faiten ghevallen up tvelt van BEVERHOUDT ende de scauwinghe van dien ende van allen boeten dare up ghevallen. » (I)
    Na het uitvaardigen van de wet op de ontginning van de onbebouwde velden, werden al deze gemene weiden. sinds het midden van de vorige eeuw stilaan tot vruchtbaar akkerveld omgeploegd en bezaaid. doch steeds naar de aloude overlevering door de rechthebbenden alleen gebruikt.    

M. CAFMEYER

 


(I) Oppervlakte in Ha: Maleveld 105 ; Sijseleveld 71 ; Gemene en
Looweiden 82; Beverhoutsveld 483.
(2) Deze heerlijkheid lag als een «enclavement . midden andere heerlijkheden en werd door Brugge aangekocht in de 13° eeuw;zie Biekorf 1951, 237.
(I) In de rekening van Praet anno 1373 (Rijksarchief Brussel) lezen we,nog deze post: "Ontfaen van diensten van leengoed,.. van den hove van Praet licghende up S. Gillis dorp. »
(2) Ridder Jan van Sijsele hield de zijde van de Franse koning; zijn goed werd in 1303 verbeurd verklaard. Vanaf het midden der 14° eeuw blijkt het gehecht aan het grafelijk domein.
1) E. I. Strubbe. Egidius van Breedene. blz. 307 en 383 (Gent. 1942; Werken Rijksuniversiteit). De oudste oorkonde (Maart 1241) die het veld van Sijsele vermeldt, wordt aldaar met acribie uitgegeven
(1) Culpaerd == hengst. - Veurstzade := graszode.
(2) Oorspronkelijk stuk op het archief van Spermalie. Brugge.  Jan Lopez Gallo, baron van Male en heer van Sijsele geworden.liet in 1568-69 deze oude keure nazien en wijzigen daar sommige punten door de «lanchede ende veranderynghe.des tyts uuytten usentie ghevallen ende onproffytelijck bedeghen waeren ».
(1) Benuttigd werden vooral de verschillende uitgaven van de Coutumes van Gilliodts alsook de studiën van J. Q. Andries en A. Van Speybrouck in de Annales Emulation 1865 en 1884 (alwaar een kaart van de gemene weiden). Verder nog: P. Errera. Les Masuirs. blz. 301 (Brussel 1891).

De Gemeneweidestraat op het Sijseelse vanaf de vroege middeleeuwen.

Zoals veel geboren Sint-Kruisenaars kon ik reeds als schoolgaand kind de Minneweestraat, in noordelijke richting, tot aan Koolkerkedorp volgen. Dit is de weg vanaf de Doornhut-
kruispunt met de Moerkerkse steenweg - voorbij de Leegweg en het Spijkerwegeltje, over de Polderstraat en de brug van het vaartje, verder langsheen de Gemene Weidestraat tot aan de Damse vaart. Met het overzetbootje kwamen wij op het grondgebied Koolkerke, waar we de onderbroken Gemene Weidestraat volgden tot aan Koolkerke-dorp.
    Ten zuiden van de Doornhutstraat leerde oom Emiel, hoofdonderwijzer en landmeter, ons een afgesloten vak van de Gemene Weidestraat kennen: de Bosdreef ten westen van het kasteel Puidenbroek, tussen de Brieversweg en de Maalse steenweg. Over de steenweg volgden wij verder zuidwaarts de vergroeide oude straat, midden geelbloeiende brem en struikgewas, ten oosten van het oud leengoed Ter Lo, tot aan de oude Sijselestraat op de grensscheiding met de gemeente Assebroek. De Beeweg van Sint-Kruis naar O.-L.-Vrouw van Assebroek liep, in zuidelijke richting, gedeeltelijk over de Gemene Weidestraat, vanaf de Gemene Weidebeek tot dichtbij de nu verdwenen spoorweg Brugge-Eeklo.
    Kortom, wij volgden welhaast de volledige eeuwenoude straat vanaf de Gemene Weide bij het Sint- Trudoleitje te Assebroek, tot bij het dorp te Koolkerke. Met een lengte van ruim twaalf kilometer loopt ze voor het grootste deel over het grondgebied van de gemeente Sint-Kruis, zowel over het zuidelijk zandig gebied als over de noordelijk gelegen watering van de Broek of de middeleeuwse oude kustvlakte.
    Na de tweede wereldoorlog begon men zowel te Sint-Kruis als te Assebroek talrijke nieuwe straten met woonwijken aan te leggen, zodat de Gemene Weidestraat niet alleen verbrokkeld, maar op sommige plaatsen gewoon van de kaart weggeveegd werd. Dit was voor mij een aansporing om geschiedkundige gegevens, met betrekking tot die straat en tot de vroegmiddeleeuwse ontwikkeling van het overstromingsgebied van Sint-Kruis op te zoeken.

De overstromingsvlakte in het noorden van Sint-Kruis.
De primitieve parochie Sijsele - op de rand van Zand- en Polderstreek - strekte zich uit over de latere landelijke parochies Oedelem, Assebroek en Sint-Kruis. Het westelijk gedeelte van laatstgenoemde zou later de Brugse parochie Sint-Anna gaan vormen. De O.-L.-Vrouwparochie te Brugge, waaruit later de parochies Sint-Katerine, Sint-Gillis en Koolkerke zouden worden afgescheiden, werd eveneens uit het oude Sijsele genomen (1). Sijsele is het oorspronkelijke domein waarvan al deze parochies een afsplitsing zijn.
De naam Sijsele (naam op -zele) laat reeds de oude herkomst vermoeden. Volgens prof. M. Gysseling beginnen de namen op sali reeds in de 5de eeuw na. Chr.: er zijn voorbeelden bekend in het Franse taalgebied (Basseux, Linzeux e.a.); zij blijven productief tot in de 9de eeuw. Sijsele moet in de Merovingische of vroeg-Karolingische tijd ontstaan zijn (2).
    Het is wellicht van belang eerst een vlug overzicht te schetsen van het noordoostelijk gedeelte van de primitieve kustparochie Sijsele, dat zich duidelijk onderscheidde van het zuidelijk deel, de Zandstreek.
Dat noordelijk deel - de latere watering van de Broek - dankt zijn ontstaan aan de overstroming van de zee tijdens de vroege middeleeuwen (Duinkerke-2-transgressie)(3). En dààr is op het einde van de 9de eeuw een domein, Gera (waarvan de naam later door de parochienaam Sint-Kruis werd verdrongen), van het oude Sijsele afgesplitst geworden (4).
De kustvlakte kunnen we ons voorstellen als een waddenlandschap. Dit vlakke gebied zou ongeveer tot aan de hoogtelijn van 4,50 m overstroomd geweest zijn. Wij moeten echter nadruk leggen op «ongeveer». De hoogtelijn 5 m kronkelt wel even benoorden de kerk van Sint-Kruis, doch een kilometer meer oostwaarts, voorbij de «Bergen», zwenkt ze golvend zuidwaarts tot bij de Brieversweg ten noorden van het kasteel te Male. Waar dan midden die waddenvlakte de noordergrens van het Sijseels gebied precies zou komen te liggen was vanzelfsprekend niet te voorzien. Men mag veronderstellen dat de toenmalige kustlijn ongeveer de kronkelende Romeinse heerweg volgde, d.i. de Hoogstraat en de Langestraat te Brugge, en verder te Sint-Kruis de Aardenburgsche heerweg die langs de Bergen liep 
«versus septentrionale de montibus» (1366), «juxta parvos montes» (1369-1418) (5). Deze kleine bergen, bij uitzondering «hoog dycx» genoemd (6), kunnen wij best met de Hoge Dijken te Roksem vergelijken; zij vormen als binnenduinen een natuurlijke belemmering voor verdere overstroming aan de rand van de Zandstreek tegenover de Polder.
    Bij het einde van de vroegmiddeleeuwse transgressie werden, vanaf de achtste eeuw, grote delen van de schorrevlakte langzaam droog en er ontstond een zoute vegetatie, geschikt voor schapenteelt. Tot in de negende eeuw worden in de oorkonden uitsluitend «marisci» vermeld in onze kuststreek; zoute schorren waarop, meestal door abdijen, schapen gekweekt werden (7). Blijkbaar hebben echter ook de bewoners uit de streek zelf van de nieuwe gronden gebruik gemaakt. In het zuidelijke zandige Sint-Kruis bezat de Gentse Sint-Baafsabdij bij voorbeeld wel een hoeve, doch in de noordelijke schorrevlakte vonden wij haar niet als eigenaar vermeld. De bewoners van het gebied in de zandstreek zullen vermoedelijk zelf de rijpe schorren als schaapsdrift geëxploiteerd hebben, om dan later, naarmate de botanische samenstelling veranderde, hun rundvee langs een gemene weidestraat te drijven.
In de eerste helft van de 11de eeuw had een nieuwe overstroming plaats: de zee drong vanuit het noordoosten bij de huidige Nederlandse grens het land binnen. Toen werden, volgens prof. A. Verhuist, Lapscheure en Moerkerke (en vermoedelijk ook de noordoostelijke grens van het aanpalende Sint-Kruis) door deze overstroming niet getroffen  (8). Dit was echter wel het geval een honderd jaar later, omstreeks 1134, toen een heviger fase een aanvang nam met de doorbraak van de Zwinkreek, waardoor zelfs tot in het noordoosten van Sint-Kruis enkele natuurlijke geulen vanuit het Zwin gevormd werden (9).
Om deze overstroming te beperken werd de kreek van het Zwin afgezoomd door een dijk, bestaande uit verschillende dijkstukken (l0). In de noordoosthoek van Sint-Kruis werd vermoedelijk toen ook een kleinere dijk, de zgn.Oostdijk, opgeworpen ten einde het Oudland met de vroegste nederzettingen en het aanpalende Middelland met de verspreide hofsteden tegen verdere overstroming te vrijwaren (11).
Dit noordwestelijk beschermd gebied was in de 11de eeuw reeds in cultuur gebracht. Deze vaststelling steunt op de oorkonde van 31 oktober 1089 waarbij graaf Robrecht van Vlaanderen de stichting van de heerlijkheden het Proosse en het Kanunnikse bevestigt, de proost van Sint-Donaas tot erfelijk kanselier van Vlàanderen benoemt en de privileges uitbreidt; ook werden hem de tienden in verscheidene dorpen toegezegd (12). Eén van deze dorpen was Sint-Kruis, want sinds eeuwen behoort het dorp, in de omgeving van de kerk, tot het Kanunnikse. Verder ressorteren uitgestrekte landerijen in de Broek onder het Proosse, waaronder «XL VI mensure diurne et vnum curtile», nl. het leengoed de Spijker, west van de Oostdijk, met hofdreef en Spijkerwegel (13).
Spijts deze grote elfde-eeuwse grondverdeling is de oude percelering van het Sijseelse gebied (in de watering van de Broek te Sint-Kruis, en Tussen beide Zwenen in het aanpalende Koolkerke) hier en daar, vooral in de Westhoek, behouden gebleven. Het is zelfs een feit dat éénzelfde perceel land voor een deel tot het Proosse (<<up sproefs» )(14) behoort, terwijl het ander deel Sijseels gebleven is. Deze verdeling wordt in de ommelopers en rekeningen van beide heerlijkheden genoteerd en soms betwist (15). De later droog gekomen watering van de Broek (16) werd de noordoosthoek van het Sijseelse. Verder zullen we zien hoe de Gemene Weidestraat in haar loop, doorheen de Watering van de Broek en van Beide Zwenen, op Sijseels gebied gebleven is.
    De kapel van Gera aan de rand van de zandstreek, op een van de hoogste punten van de parochie - meer dan 7 m - opgetimmerd, stond tegenover de bifurcatie - de geer (17) - van de hoofdweg of Aardenburgsche heerweg. Vanaf deze splitsing vertrekt de Noorderen of Nederen Aardenburgsche weg - de zomerweg - om een boogscheut verder oostwaarts parallel te lopen met de hoofdweg, de Zuuderen of Hooghen Aardenburgsche weg - de winterweg (18). In tegenovergestelde richting worden beide wegen als de tween Bruxschen weghen aangeduid (19). De hoofdweg, de oorspronkelijke heerweg langs de «Bergen» is de zuidergrens voor de watering van de Broek en tevens de noordergrens van de stede ende parcke van Male geworden (20).
De heerweghe die strecten Dammewaert (1412) of de Polderstraat werd later van de noordelijke Aardenburgse weg afgetakt om de nieuw gestichte stad Damme te bereiken (21). Van de hoofdweg zijn ook de voornaamste west-oostwaartse wegen in de zuidelijke helft van Sint-Kruis met een spitse hoek afgespleten; dit zijn: 
a) de oude Sijselestraat «ten Sprietweghe scheedende den heerwech van Brugge naer Male ende naer Sijsele»(22), 
b) de Maalse weg of de latere zgn. Antwerpse heerweg (23), 
c) de Brieversweg naar Sint-Laureins (24).
     Sedert de llde eeuw stond Brugge in kontakt met de zee langs een kanaal, het Oude Zwin, dat aan de Koolkerkse poort in verbinding stond met de oude Reie, om in noordoostelijke richting over Koolkerke en Eiesluis te Westkapelle de open zee te bereiken (25). Na de Duinkerke-3B-transgressie werd ten zuiden van het Oude Zwin een tweede waterloop, de Zuudreije, gegraven. Na de grote Zwindoorbraak rond 1134 had men immers spoedig ingezien dat het Zwin slechts tot Damme voor de scheepvaart bruikbaar zou zijn. Daarom werd van Brugge naar Damme een kanaal gegraven dat de Reie te Brugge, langs deze nieuwe waterloop, door een sluis met het eigenlijke Zwin verbond (26).
    Het kanaal Brugge-Damme werd kortweg de Roye of Reye genoemd, of, in tegenstelling met de noorderlijke waterloop, als Zuudreye aangeduid. In 1437 lezen we zelfs «de nieuwe vaerd vander Zuudreie (27). Bij het situeren van de percelen land maakt
men wel onderscheid tussen «de Noorddyc» - het Oud Zwin en «de Zuuddyc» - de Zuudreije (28). A° 1314 worden beide waterwegen als «Tusschen de Oude Suene ende Nieuwen» aangeduid. De driehoek door beide waterlopen afgesneden is gekend als «de watering Tusschen den tween Zwenen» (29).
    De Zuidreie vormde wel de nieuwe noordelijke grens voor de parochie Sint-Kruis, doch in de spitse westhoek «Tusschen beide Zwenen», bij de Speipoort van de stad, bleven nog negen gemeten Proostland tot de oude parochie behoren: «... van tween ymeten sprooslands lichtelic min of meer ligghende in die prochie van Sinte Cruus buten Speykine tusschen den ouden suene ende den nieuwen» (1314). De grens van dit overgebleven parochiegebied (op Koolkerke) wordt in de ommeloper aangeduid «... daer een steenen cruce plachte bij te staene» (30).
    Door het graven van het kanaal Brugge-Damme werd de loop van de Gemene Weidestraat wel onderbroken, doch de weg bleef aldaar op Sijseels gebied behouden; hij wordt onder de benaming «Zomerweg» geciteerd. Het Sijseelse bleef er beperkt tot enkele lenen en kleine percelen: in totaal 21 gemeten en 23 roeden. Daarbij valt op hoe in die noordhoek tussen het Oud Zwin en de Gemene Weideweg, soms éénzelfde perceeltje versnipperd ligt onder twee, ja zelfs drie verschillende gebieden (31).
Tot zover deze algemene samenvatting over de toestand van de in cultuur gebrachte waddenvlakte in het noorden van Sint-Kruis en het zuidoosten van Koolkerke. Ze vormt het kader waarin we nu de Gemene Weidestraat rustig en zonder onderbreking zullen kunnen volgen.

De Gemene en Loweiden en de Gemene Weidestraat

    Tot de heerlijkheid Sijsele behoorden vijf gemene weiden - nog
algemeen bekend - op de grens van een aanpalende parochie gelegen: 
het Maleveld te Sint-Kruis, 
het Sijseleveld te Sijsele, 
het Beverhoutsveld te Oedelem, 
de Loweide te Oedelem en de
Gemene Weide te Assebroek langs het Sint-Trudoleitje (32).
De legende van de milde juffrouw van Beveren, die oorspronkelijk bij het Beverhoutsveld hoorde, werd door de gebruikers van de vier andere gemene weiden overgenomen; ze zijn immers allen overtuigd dat de Weide aan de inwoners toebedeeld was als voedsel voor hun beesten. Zoals de leden van het Beverhoutsveld liet het bestuur van de Gemene en Loweiden te Assebroek uit dankbaarheid een jaarlijkse mis celebreren: «een goddeliken dienste ghedaen tot laevenisse van de ziele van de donatrice van de Ghemeene ende Loode weede, zijnde een ordinaire jaerghetijde» (33). Het vroeg middeleeuws gemeengoed waar we in deze bijdrage aandacht aan besteden, bestaat uit twee bijeen horende delen: de Gemene Weide te Assebroek en de Loweide te Oedelem (34). De Gemene Weide heeft een oppervlakte van 51 hectaren, 58 aren, 10 centiaren. Op het kadastraal plan van Assebroek beslaat ze ten eerste: Sectie C, de nrs. 314, 315, 316, 359 en 363. Dit is de zgn. Grote Weide, ten zuiden grenzend aan het Sint- Trudoleitje en ten noorden palend aan een landweg die van de Weidestraat naar de Michiel van Hamme straat loopt en rechtover de Vredestraat uitkomt. Verder beslaat ze nog: Sectie B, de nrs. 24, 25, 26, 52, 54, 55, 56 en 188, 196. Dit is de zgn. Kleine Weide tussen de Michiel van Hammestraat en de Meersenstraat. De nrs. 188, 196 lopen in een lange «string» naar het Beverhoutsveld, en staan in de oude rekeningen als de Lange Hage bekend (35). Tenslotte is er nog: Sectie A, nrs. 365 en 374bis ; dit zijn twee baanvakken uit de Gemene Weidestraat in het noorden van Assebroek.
De Loweide op de gemeente Oedelem, bij de noordoostgrens van Assebroek, heeft een oppervlakte van 30 ha 93 a 10 ca ; volgens het kadastral plan is dit Sectie A, nrs. 35, 36, 46 à 57.
Dit maakt voor beide weiden een totale oppervlakte van 82 ha 51 a 20 ca, of in oude maat berekend: 186 gemeten 1 lijn 56 roeden36. Deze cijfers ontlenen wij aan de belangrijke geschiedkundige studie van J.O. Andries. Op een klein verschil na kwamen wij ongeveer tot dezelfde totale oppervlakte voor wat Assebroek betreft; de oppervlakte van de Gemene Weidestraatvakken te Sint-Kruis werden hier niet berekend (37).
In het onvolledig archief van de Gemene Weide zijn door processen, troebele tijden en andere ongunstige omstandigheden de oudste documenten zoek geraakt.
    Vanaf het laatste kwartaal van de 16de eeuw wordt verwezen naar een verzameling van de «houde lyttragen» en brieven. In een kanttekening van de rekening 1573-1575 lezen we : «ghelast als bij de voorgaande rekenijnghe omme te copene eene kiste daer jnne men legghen zal alle de letraigen concederende de ghemeene weedde met haere appertenancen ende daertoe drije ofte viere sluetels, welcke kiste men stellen zal in de kercke te Assebroucke» (38). Dit was een raadgeving van Mr. Pauwels van de Rijne, die ook zorgde dat de amman van Sijsele zou maken «ende copieren diveersche ordonnancen, octroijen ende prevelegen omme te leveren in handen van de commissarissen». Tijdens een of ander proces moest de ontvanger «diveersche keeren helpen opzoeken de beseheeden van de ghemeene weede... bij ordre van hooftman ende amborghers» (39).
In 1719 wordt alles geborgen in «een coefer waer jn berresten de pampieren van deze weede». De koffer wordt in 1751 vervangen door «een archive ten dienste van de Ghemeene ende Loodeweede». Na hier en daar «een standt» te hebben gehad is het eindelijk in 1755 naar de pastorie verhuisd alwaar het in 1841 nog berustte; later werd het archief in het Pannenhuis - vergaderplaats - bewaard (40).
Bij zijn opzoekingen gewaagt J.O. Andries van «... différentes copies trouvées dans le pêle-mêle des archives de l'administration des hooftmans» (41). Thans liggen de overgebleven dokumenten van dit archief bewaard in een grote kast ten huize van sekretaris A. Rolly, die ons behulpzaam de gevraagde dokumenten bezorgde.
De twee oudste oorkonden door Andries uitgegeven zijn sindsdien eveneens verdwenen, men weet niet hoe. De eerste is een akte van Hertog Karel de Stoute (12 juli 1475) ; de andere, even belangrijke oorkonde werd door Keizer Karel verleend (3 augustus 1553). In beide dokumenten wordt het eeuwenoud recht van de aanborgers uitdrukkelijk erkend en bevestigd.
    De Gemene en Loweiden zijn een oud, «vrij, proper ende eyghen ghesuccedeert goet» (1553), dat onverdeeld aan de afstammelingen van bepaalde families toebehoort - «toegheherfden end~ ambuerdeghe», «ghemeene annegheboren» of aanborgers genoemd (42). Om als aanborger aanvaard en «te boucke ghestelt» te worden moet men in rechte lijn langs vaderlijke of moederlijke zijde van een aanborger afstammen en daarom «met drye wetteghen amborteghe mannen... te verclaersen bij eede ... preuven bringen van zyn vrydom». Het was bij de pastoor dat men zich liet inschrijven «met name en toename», en «verhoofdtgelt» betaalde (43).
De «ghemeene angheboren ... seere ghemultipliceert ende vermeest ... wonende in diversche plecken» (1475), werden jaarlijks bij kerkgebod tot de generale vergadering en het aanhoren van de rekening uitgenodigd: «Ghedaen ter prochies van Assebroucke, Hoedelem, Oostcamp, Beernem, Ste Michiels, Ste Cruys ende Ste Catharina». De rekening werd gedaan «ter presentie van den eerw. heer pastoor van Assebrouck ende den bailliu der heerlichede van Sisxele». Op de algemene vergadering (1574) werden een opperhoofdman en vier hoofdmannen gekozen om samen met de aanborgers dit gemeengoed te besturen. Zij moesten «de costumen ... possessien ende rechten ... beschuddene ... eist noodt bij weghen van justicie». Zij maakten ook de jaarlijkse «rolle van de beesten, zoo koyen ende peerden ghepastureert ...»(44), en stelden het «schatgheld» vast per koe of paard die «garssen jnde selve weede» (1616). Dat schatgeld kon hoger of lager liggen volgens de noodwendigheid.
    Voor het in cultuur brengen in de tweede helft van de 19de eeuw hadden de aanborgers nog steeds het recht om, tegen een kleine vergoeding, hun beesten in de Gemene Weide te laten grazen; heden nog mogen zij een perceeltje land aan voordelige prijs gebruiken.
    In de 19de eeuw heeft de hogere overheid getracht het eigendomsrecht van de Gemene Weide te doen overgaan op de gemeenten. Door vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (11 augustus 1868) werd de weide onder dwangbeheer van notaris Fraeys gesteld; de weide werd in cultuur gebracht en er werden wegen getrokken. Dank zij de geschiedkundige en rechtskundige studie van J. Andries velde de Rechtbank van Brugge op 7 december 1881 het vonnis waarbij het eigendomsrecht van de aanborgers erkend werd.
    In de oude «costumen» (1514) van de Gemene Weide te Assebroek beschrijven de artikelen 9-13 de drie Gemene Weidestraten in hun loop over de parochies Assebroek en Sint-Katerine. De derde straat wordt echter maar beschreven tot op de zuidelijke grens van de parochie Sint-Kruis» : ... comt vuyt an t'goet Bouchouten». Dit is aan het goed Ter Lo, waar de Gemene Weidestraat samenkomt met de Loweidestraat op de grens van de heerlijkheid Male.
    De oudste driejaarlijkse rekening die wij konden raadplegen dagtekent van de jaren 1573-1575 (45). Daarin wordt als enige bron van ontvangst de verpachting geboekt van «de Mattemeersch», 10 gemeten groot en nog een stuk land van 4 lijnen, «t Caloingestic» genoemd. Als uitzonderlijke uitgavepost wordt het proces opgetekend waarbij zij hun plantrecht langs de Gemene Weidestraat verdedigden: «betooch doen dat de zelve linde staat op onze gront».
    Het is duidelijk dat oudere rekeningen zoals zoveel andere dokumenten verloren zijn gegaan. De ontvanger moest immers een handboek bijhouden om de nieuwe vrije aanborgers te noteren, alsook de «rolle» waarop het «pastureren» van het aantal beesten opgetekend werd om het vereiste «schatgeld» te berekenen. Eventueel moest hij nog de «cheinsbrief» van een te verpachten straateinde bewaren. Uit de 17de eeuw zijn cijnsbrieven voorhanden waarbij straten of straatvakken (meestal door de aangelande eigenaar of door een Brugs burger) gepacht worden, vermoedelijk als hooi- of weiland voor hun paarden; te Assebroek worden ze ook als schaapsdrift genomen. De «cijns»wordt minstens voor drie jaar aangegaan en kan variëren van drie tot 29, 50, 60, 80 en zelfs 99 jaar.
De boven genoemde oorkonde van het jaar 1475 duidt, zonder in bijzonderheden te treden, de ligging van de Gemene Weide aan ; met enkele algemene termen verwijst zij naar de Gemene Weidestraten : «... ende vande wegen ende andere toebehoorten van de voorseyde weede» .
Vooraf werd er uitdrukkelijk op gewezen dat «... huerlieden voorsaeten toegeërft hebben... also lange tijden daer geen memorie en is van der contrarien» ((46).
De latere oorkonde (1553) verwijst eveneens naar de toebehoorten : «... vry ende ambuerdich zynde inde zelve weide met hueren toebehoorten». In beide oorkonden wordt de Loweide niet vernoemd; nochtans verwijst een citaat (1327) uit een akte van de Bogardenschool naar beide weiden: «Parochie van Assebrouc in die Ghemeene Weede, die Loweede» (47). Zelfs op het einde van de 13de eeuw worden percelen land reeds gesitueerd «jnde Lowede» (48). De rekeningen van de Gemene Weide citeren deze weide pas voor het eerst in het begin van de 17de eeuw.
    Om beter aan te sluiten met het einde van de Gemene Weidestraat zoals ze in de Statuten van 1514 beschreven is, volgen wij eerst de «verdonkerde» Loweidestraat tot op de grens van Sint-Kruis en Male. De Loweidestraat vertrekt uit de noordwesthoek van de Loweide, bij de grenshoek van de aanpalende parochies, om noordwaarts over de oude Sijselestraat - grens Sint-Kruis - langs de Warande van Male te lopen. Op dit kruispunt werd in 1683 een paalsteen geplaatst, daar waar vier parochies van de heerlijkheid Sijsele elkaar raken: Oedelem tegenover Assebroek, en Sint-Kruis met de noordelijke grens van Sint-Katerine (49). V oorbij de Warande wordt de Loweidestraat de grens van de «stede ende parcke van Male», loopt op de scheiding tussen het grafelijk domeingoed en het leengoed Ter Lo: «den hove van der Lo neffens den wege die gaet ter Loweede waert» (1372). Later wordt de hofstede naar de naam van de eigenaar ook Bouchoute genaamd (50). Het is opvallend hoe de Gemene Weidestraat, bij het goed Ter Lo, plots met een rechte haak oostwaarts omkeert, om samen met de Loweidestraat tot één straat te versmelten in de richting noordwaarts. Dit laat ons vermoeden dat deze laatste straat de oudste van beide weidestraten zou kunnen zijn.
In 1514 vermelden de Statuten de drie gekende vrije Gemene Weidestraten, welke uit de Gemene Weide vertrekken om elk in een verschillende richting te lopen. Zij worden wel vrij genoemd omdat het «... geen heerenstraeten noch schoustraeten noyt en waren» :     1) «D'een wech die strect vuijter voorseijde weede, voorbij de dreve van Rabaudenberch. Ende voort... streckende alsoo over Daverloo driesch toebehoorende ter selver weede van Assenbrouck» .
    2) «Den andere wech compt streckende over Beversvelt ter Steenbrugghe toe ende voortstreckende noortwaert tot anden Gendschen heerwech».
    3) «Den derden die strecket in Assenbrouck ende voorover den herewech die van Ghendt compt streckende voorbij t'goed Hangherijen toebehoorende den cloostere vande Jacobynessen ende compt uuijt an t'goet Bouchouten».
Wellicht past hier een woordje uitleg bij iedere straat. De eerste straat, op haar volle lengte vercijnsd, loopt vanuit de noordwesthoek van de weide voorbij Daverlo en de Lelie naar de Katelijnepoort ; ze is nog als de Weidestraat gekend.
Straat nr. 2 vertrekt van het zgn. «Keelheeken» van het Beverhoutsveld, loopt verder langs de zuidwestelijke grens van Assebroek over het Sint- Trudoleitje, met een dam over de Gemene Weide (Michiel van Hammestraat) om noordwaarts de vervallen Gentse heerweg (Molenstraat) te bereiken. Bovengenoemde dam verdeelt de Gemene Weide in een grote en kleine weide. De straat, vroeger het «Beernems kasseitje» , is thans als de Michiel van Hammestraat gekend. De noordzijde van de grote Gemene Weide alsook de westkant van straat nr. 2 vormen grens voor de parochie Sinte-Katerine, in 1270 uit de Brugse O.-L.-Vrouwparochie gesplitst. Het is blijkbaar geen toeval dat oude weidewegen meer dan eens de grens vormen tussen twee gebieden.
Voor de derde straat volgen wij de oude weg zoals hij in de cijnsbrieven beschreven is. Deze lange (ca. 12 km) Gemene Weidestraat, het dichtst bij de kerk van Assebroek gelegen, vertrekt uit de noordoosthoek van de zgn. «Kleine weide» bij de hoogtelijn 5 m (de huidige Meersenstraat) om bij de Gentse heerweg (Astridlaan) ongeveer 8 m hoogte te bereiken, een hoogtelijn waarlangs zij op de gemeente Assebroek blijft lopen tot aan de grens met de gemeente Sint-Kruis.
Vanaf de Astridlaan doorkruist ze de Jacobinesse landerijen van het klooster Engelendale tussen Hoog Brabant en de Kloosterakker, om bij het «Cuerlijn straetken» (1699) (Lorreinendreef) de parochie Sinte-Katerine te bereiken. Op de hoek van het kerkland van Sinte-Katerine, perceel 292, zwenkt de straat oostwaarts tot bij het beloop van de Oude hofstede met mote en ommeloop ; daar keert ze andermaal noordwaarts tot aan de hofstede Hangherijen, de latere hofstede Velthem (51). Vandaar met een scherpe bek oostwaarts omkerend langs het Chartreusen bos, om tussen perceel 374 en de ommeloop (perceel 375) die ze afzoomt, met een rechte haak noordwaarts bij de Sijselestraat de gemeente Sint-Kruis te bereiken. Verder strekt ze tussen de Braambilk van het goed Ter Lo en de Kromme elleboog naar de samenloop met de Loweidestraat, op de grens van het park van Male ("entre Lo et Male", 1308), bij de Maalse steenweg (52).
Zoals boven vermeld beschrijven de Costumen de straat nr. 3 niet verder dan de samenloop bij het goed Ter Lo of Bouchoute, waar ze met een korte haak de Loweidestraat bereikte. Vanaf dit samenlopen richt de Gemene Weidestraat zich noordwaarts doorheen Sint-Kruis tot aan de Damse vaart: eerst als grens voor het park van Male, langs het landgoed Puidenbroek, over de Brieversweg bij de Male-galg, tussen de Bergen door, naar de hoek van de Zuideren Aardenburgschen heerweg (Moerkerkse steenweg), bij de verdwenen herberg Vogelenzang, 5,86 m boven de zeespiegel.
Van hieraf loopt de weg doorheen de watering van de Broek op een lagere hoogtelijn (5 tot 4 m). Gekend als Minneweestraat kronkelt ze tussen het kerkland van Sint-Kruis en het landgoed Rooigem naar de Noorderen Aardenburgschen heerweg (vroegere Leegweg) bij Duvelsdoorn. Stilaan nadert de Minneweestraat bij het Spijkerweghelkin de 4 m hoogtelijn; aldaar wordt de straat eens bij uitzondering Loostraat genoemd, doch ze is doorgaans gewoonweg als Zomerstraat of Landweg geboekt (53). Als gewone landweg loopt de straat verder rechtdoor voorbij het kasteel Karel Stroos, later door de heer van Lembeke bewoond (thans opgeruimde grondvesten), tot aan de Polderstraat. Het laatste vercijnsde straateinde, thans nog als Gemene Weidestraat gekend, loopt tot aan de Damse vaart (54).
Het is vanzelfsprekend dat het laatste einde van de Gemene Weidestraat door het graven van het kanaal «Nieuw Zwin ofte Reye» op het einde van de 12de eeuw voorgoed afgesneden werd Tusschen den tween Zwenen ; de heerlijkheid Sijsele bleef echter nog in de buurt gebied behouden en de straatnaam is nog in gebruik.
    In de watering Tusschen beede Zwenen - «en le paroche de Coelkerke entre le vies zwyn et le noviel» - bleven 14 percelen land west van de Gemene Weidestraat of Zomerstraat tot het Sijseels gebied behoren. Dit gebied is beschreven in het LVII begin van de ommeloper van Sijsele (1667), alsook in het XXIII begin van de watering van Romboutswerve (55). De Sijseelse percelen liggen in de watering verbrokkeld tussen het gebied van het Proosse en zelfs van het Vrije. Om maar een paar voorbeelden aan te halen: «een stuck cum suuthende an mher Frans. van Calloen proostlant ende mette de noordthende an sijn selfs vrijlandt ... ende metten oosthende ande Somerstrate».. «Art. 13, mher Fransois van Calloen ande noordthende daeran ... 2 lijn[ en] 40 r[ oeden], daer van een lijne 42 r. proostlant, de reste Syssele lant tot 98 r[oeden]».
    Men weet dat het gebied van de wateringen in «beginnen» verdeeld is. Welnu, in de wateringen van de Broek en Tussen de Twee Zwenen loopt de Gemene Weidestraat telkens tussen twee aanpalende beginnen, zodat het blijkt dat de richting van de straat in aanmerking genomen werd om een begin vast te leggen.
    Zoals boven gezegd, werden in de 17de en 18de eeuw straatdelen vercijnsd, waarvan enkele volledige cijnsbrieven bewaard gebleven zijn. Als bijzondere pachter vermelden wij de familie Vlaminck die, als aangelande bewoner van de hofstede het Walleken, gedurende bijna twee eeuwen hetzelfde straateinde tussen Polderstraat en Damse vaart in pacht had: «Laureins Vlaminck heeft van deze weeden in cheijnse eene straete of einde der zelve beginnende van de Polderstrate tot aan de Damschen vaerd voor negenentwintig jaeren ingegaan den 8en februarij 1816 voor de somme van (een pond groote courant) vijf guldens veertien cents en een derde sjaers».
    Het klooster van de Jacobinessen van Engelendale op Assebroek - daarna pachter Pieter De Schepper - nam sommige straatdelen in cijns als schaapsdrift voor de kudde: «Item is oock verpacht den 16en maerte 1719 aen d'heer Pieter Haesebrouck voor het clooster vande Jacobinessen de Loode weede straete tot aen de Warande voor de somme van lb. 0.4.0 grooten s'jaers ende dat voor drije achtereenvolghende jaeren alleenlijk maer om te bedrijven met sijne schaepen sonder eenich haut te moghen proffijteeren ofte eenighe schaede te moghen doen aen haut of boomen» . - «Den selven dito is verpacht op de voorgaende kondijtien de ghemeene straete beginnende aen de brugghe bij de groote ende kleijne ghemeene weede (aan het Sint- Trudoleitje) ende eyndende aen de Keleckbaille (bij Beverhoutsveld) (perceel nrs. 188 en 196), soms de Langhe Hage (genoemd) ... voor het klooster als vooren om te bedrijven met hunne schaepen voor drije jaeren ten pryse van lb. 0.16.0 grooten s'jaers». - «Den selven dito... de ghemeene weede strate beginnende aen de groote ende kleine ghemeene [weide] ende eijndende in den Ghenschen heerewech ... Ib. 0.6.8 grooten» (56) . De twee laatst verpachte straateinden vormen samen straat nr. 2 van de costumen, het nog gekend Beernems kasseitje.
Betreffende de cijns van straat nr. 1, naar de Katelijnepoort, geven wij hier een uittreksel van een cijnsbrief van het jaar 1743 : «... in cheynse ghegeven ... aen m'her Dominicus Coppence ... erfachtig ridder van theyligh rijkck, schepen slants vanden Vrien ... eene straete loopende van aende baellie van de ghemeene weede tot aen de Catharinepoorte der stadt Brugge... voor ... termijn van tneghentigh naer een volghende jaeren. teerste in te gaen prima 1743 ... jaerlicx ... te ghelden ende te betaelen tot derthien schellinghen en vier grooten tsiaers . ..
Voorts... is de cheynser verobligiert van te gheven de liber passagie aen de ghemeene amborghers ... dat den zelve cheijnser gheen recht en heeft... aen de boomen die jeghenwordigh op de selve weedestraete sijn staende».
Weg nr. 3., de twaalf km. lange Gemene Weidestraat, welke grotendeels over zandige bodem loopt, hier en daar met struikgewas of brem afgezoomd, was omwille van haar lengte in minstens zeven, zo niet acht straateinden verdeeld, waarvan de uiteinden in de grensstreek tussen Assebroek en Sint-Kruis niet altijd scherp afgetekend zijn.
1. Wij volgen eerst in het «Copieboek» de verpachtingen in de 17de eeuw, doch het eerste straateinde vanuit de Gemene Weide tot over de «Gentsche heerweg» ontbreekt; wij beginnen dus met straatvak nr. 2.
2. «De straete loopende voor het clooster van de Jacopinessen en is niet verpacht midts het houdt op de straete vergrojt ten prouffijte van de weede, bij rekenijnghe 1680, dat vercocht zijnde 1674».
3. «De straete lopende van de voorgaende straete naer Maelen wordt gebruijckt bij Maeijen van Gent tot zes schellingen grooten tsiaers, bij rekenijnghen wort geseijt te resteren tjaer 1680».
4. «De straete lopende van de Vossesteert naer den Vogelensanck wort gebruickt bij Jaecques d'Haese tot 10 sch. gr. tsiaers» .
5. «De straete lopende van den Vogelensanck tot aen de Leegewech noordwaert, sijnde verscheijnst aen Jor. Pauwels Cobrisse» (op kasteel Rooigem) «voor 80 jaeren jnne gegaen 16 febr. 1650 voor vijf guldens tjaers, comt omme een cheijnsbrief danof sijnde gepasseert voor schepenen van Sijsseele...».
6. «De straete loop ende van de voorgaende straete tot het lant van mijn heere Lembeque» (tot Spijkers wegelken) «bij voorgaende rekening 1680 wordt geseijt ontjaert van Daneel de Neve tot ende met 1675».
7. «De straete loopende vande voorgaende naer de vaert» (hoofdwatergang de Ede) «voorbij het casteel van den heere van Lembeque» (voorheen kasteel van Karel Stroos) «wort gebruickt bij den selven heere die sonder tijttels verpachte overmidts hij die wroeger verscheinsde».
8. «De straete loopende voorbij de hofstede daer Guille Mestdach plagt te wonen» (het Walleken) «tot op de Damsche Vaert ende es niet verpacht tsoo bij rekeninghe 1680 wert geseijt».
Straateinde 7 bleef onverpacht omdat de heer van Lembeke «die wilt in eeuwigen cheijns hebben», en dat «de straete loopende lancxt sijne lande ende voorbij sijnen casteele aen hem niet en vermoghen vercocht te worden dan naer het vercrijgen van het octroij » (57). Het laatste straateinde (nr. 8) werd, zoals boven gezegd, later aan Vlaminck verpacht. De voorgaande pachter was: «meester Balthazar van Hamme, scholaster van de collegiale kercke van O.-L.-Vrouw in Brugge», die «in cheijns aenveert ... eene straete beginnende van aen de Polderstraete tot aen den Damenschen Vaert ... voor een tijdt van 29 jaer ... inganck genomen 8 febr. 1787». Straten nrs. 6 en 7» ... beginnende aen de Polder(straet) tot aen de cheijns van zijne hoogweerdigheijdt den bisschop van Brugge» (Leegweg bij Rooigem) werden vanaf 1787 voor 29 opeenvolgende jaren vercijnsd aen Jor. Charles vander Becke, heer van Cringen.
Het straateinde van de bisschop van Brugge (nr. 5) werd eerst vercijnsd aan jonker Charles Cobrysse, «rekenmeester van sijne majesteijts camer van Rekenijnghe», eigenaar van het kasteel Rooigem, «voor den termijn van 80 jaer», d.w.z. tot het jaar 1730. Na zijn overlijden werd het kasteel in 1720 verkocht aan de bisschop H.J. van Susteren en meteen werd de cijnspacht die nog tien jaar liep, door de bisschop overgenomen. Volgens een nota bij de beschrijving van dit kasteelgoed bedraagt de oppervlakte van dit kronkelend straatvak van Vogelsensanck (Moerkerkse steenweg) tot de Leegweg, 61 roeden, «... aengetrokken bij die van de Gemeene weede ende es cheijnse». In het bisdom wordt gevraagd «naer den cheijnsbrief waermede die pretense erfvelijke cheynse belast is». De bisschop moet de aangelande eigenaars «vrije passage door de Gemeene-weede weg» verlenen (58).
    Tijdens de Franse republiek wordt het Bisschopskasteel Rooigem door de kommissarissen openbaar geveild: «un chàteau aboutissant ... à l'ouest le chemin de terre qui conduit vers la pature commune d'Assebrouck» ... «le chemin de terre dit Gemeene weede straete». Het kasteel met toebehoorten wordt toegewezen aan «citoyen Jean Tailleur à Bruges pour commande la citoyenne Marie Vve Stappens» op 9 germinal an 6 (59).
De nieuwe eigenares neemt het niet zo nauw met de vercijnsde straat; zij wordt door het bestuur van de Gemene Weide verplicht haar cijnsbrief voor te leggen: «Madame Stappens geld nog ... eene straete liggende op de gemeente van Ste Cruis waervan het beginsel nog niet en is gevonden». De hoofdmannen worden bij kanttekening op de volgende rekening «... andermael gelast ... van de gebruyker van deze cheyns te doen overbrengen den cheijnsbrief». Eindelijk werd in 1819 de nieuwe «cheynsbrief» voorgelegd welke uit twee delen is samengesteld: straatdeel 1 bij het Bisschopskasteel wordt onderbroken door het straateinde voor Puidenbroek (Bosdreef) dat aan Fransois Vermeire vercijnsd was; straatdeel 2, was vroeger voor een termijn van 60 jaar verpacht aan wijlen de heer van Outrijve, kanunnik van Sint-Donaas : «... een straete liggende op de commune van Ste Cruijs en Sinte Catharine voor sestig jaeren ... de jaeren 1818 en 1819 zijnde het 59ste en 60ste jaer». Door deze twee straateinden samen in cijns te nemen had Mevrouw Stappens het langste straateinde dat sedert de 16de eeuw in cijnspacht genomen was.
Deze cijnsbrief - voor 29 jaren - met kanten en abouten beschreven, werd in verscheiden straateinden per ellen uitgerekend : hij vertrekt aan de Gentsche heerweg (Astridiaan) te Assebroek, loopt noordwaarts over de gemeenten Assebroek en Sint-Kruis tot aan de zuideren Aardenburgschen heerweg (Moerkerkse steenweg) bij Rooigem. De loop is gemakkelijk op het schetsplan te volgen. Betreffende het landgoed Rooigem lezen we in een kadastraal register van het jaar 1835 dat het kasteel met toebehoorten opgetekend staat op naam van: de Visart de Bocarmé Marie Jean.
Het bovengenoemd onderbroken straateinde bij Puidenbroek staat in het register (1849) op naam van Goupy de Beauvolers Adolphe. Een nota verbeterde echter: «C'est par erreur ... ce dernier n'a pas de titre de propriété. Suivant acte de Mtre Claerhoudt du 19 mai 1849 les dites parcelles ont été données en bail pour 50 ans par le Gemeene Looweiden». Hetzelfde straateinde werd nog in 1949 verpacht voor een termijn van 99 jaar aan de nieuwe eigenaar van Puidenbroek, Jean de Malingreau d'Hembise. De notariële akte beschrijft dit gedeelte als: «percelen braakliggende gronden gelegen te Sint-Kruis langs de Doornhutstraat, gekend bij het kadaster onder de sectie B, nummers 241 a, 240 a en 232 voor ene grootte van een hectare drie aren vijftig centiaren, palende noord de Brieversweg, oost de Malingreau d'Hembise, zuid de steenweg op Gent» (60).
Bij de opzoekingen in de kadastrale leggers is het opvallend dat in de oudste legger (+/1830) de percelen van de Gemene- en Loweiden opgetekend staan als toebehorend aan «Van Beveren, de erfgenamen». Zou hiermede bedoeld zijn: de Aanborgers als erfgenamen van de milddadige donatrice, de Juffrouw van Beveren in de legende van de Gemene Weide?

BESLUIT
    Men kan zich afvragen wat er thans nog, na de grote verkavelingen en huizenbouw van de laatste veeritig jaar, als eigendom van de eeuwenoude Gemene Weidestraat overgebleven is.
    1. Tot de overgebleven eigendom behoort te Sint-Kruis in de Broek: sectie C, perceel 418 ; dat is de weg van de Polderstraat naar de Damse vaart.
    2. Het bovengenoemd straateinde bij Puidenbroek, aan de Malingreau d'Hembise vercijnsd, in de verkaveling tussen de Brieversweg en Puidenbroek : in sectie B de oude percelen 241 a, 240 a, en 232.
    3. Na het aanleggen van de Engelendalelaan vanaf de Maalse steenweg, rechtover Puidenbroek, verdween de Gemene Weidestraat west van deze nieuwe laan. Doch bij het grensgebied zuidwaarts, op de gemeente Assebroek, bleef een straateindje eigendom behouden bij de Oude hofstede: d.i sectie A 365, oorspronkelijk 56 aren groot, maar in 1963 voor een deel in de Sparrestraat opgenomen, zodat 10 aren in deze openbare weg verdwenen.
    4. Nog op Assebroek, sectie A, perceel 374 a bis, bos. Dit straateinde, eveneens op het grensgebied, werd op 10 maart 1966 verkocht en werd staatsdomein met een oppervlakte van 27 a 90 ca, met de nota: «deze aankoop geschiedt om reden van openbaar nut, namelijk voor het oprichten van een Rijkskliniek en Opvoedingsgesticht». Tot nog toe bleef dit perceel onbebouwd liggen.
    We hopen dat de herinnering aan de eeuwenoude straat voor het nageslacht mag behouden blijven in de benaming als Gemene Weidestraat voor de overgebleven straateinden te Assebroek, Sint-Kruis en Koolkerke.
M. CAFMEYER
Emul.  1982/3-4


1.E. STRUBBE, De parochies te Brugge vóór de XIIde eeuw in Album English. (Brugge 1952), 360.
2. Vriendelijke mededeling van prof. M. Gysseling.
3. J. AMERYCKX, De ontstaansgeschiedenis van de zeepolders in Biekorf. 60 (1959) 377.
4. E. STRUBBE, a.w., 375.
5. Rijksarchief Brugge (RAB), charters bI. nr. 3285, a° 1366 ; bI. nr. 4453, a° 1369; Cart. Sint-Kruis, f° 54 v. 
Zie ook: 
RAB, Cart. St.-Kruis, f° 82, a° 1372 :' «bezuden den berghe» : 
RAB, Paele, f" 105: «met den zuudhende aen den Aerdenburgschen heerwegh die nevens de berghen loopt».
6. RAB. Sijsele, reg 157, f° 86: «an de hooch dycx gheheeten de berghen» .
7. A. VERHULST, Het landschap in Vlaanderen, (Antwerpen 1964), 14-15.
8. A. VERHULST, a.w.. 31.
9. J. AMERYCKX, Ontstaan en evolutie van het Zwin in België in Natuurwetenschappelijk Tijdschrift. 34 (1953) 99-114.
10. J. AMERYCKX, De ontstaansgeschiedenis van de zeepolders. 388.
11. O.C.M.W.-archief Brugge (OCMWB), Broek, a° 1412: «tusschen den Pypwege ende den Oostdyck» ; 
RAB, Cart. St.-Kruis, f° 66, a° 1373 : «tote an den Oostdüc».
12. Oorkonde bewaard op het archief van het bisdom te Brugge. 
Zie: L. GlLLIODTS-V AN SEVEREN, Coutumes de la Prévoté de Bruges. (Brussel 1887), dl. I, 7-8 en dl. 11, 10;
M. GYSSELING & A.C.F. KOCR, Diplomata Belgica ante annum millesimum centesimum scripta. (Brussel 1950) ; 297.
13. L. GlLLIODTS-VAN SEVEREN, a.w., dl. 11, 10. Archief Bisdom Brugge (ABB), St.-Donaas, oorkonde a° 1317: «binden Spiekere» :
RAB, Proosse, nr. 1288, 230: «Den hove ende goede ten Spikere» (a° 1317).
14. ABB, St.-Donaas, doos 19, oork. 117 : «binder prochie van Sinte Cruus up sproefs» (a° 1317).
15. RAB, fonds D'Hoop, nr. 87 (a° 1497).
16. ABB, St.-Donaas, oork. nr. 95 : «noordalf Riquards lande F. Willems uten Broeke» (a° 1289).
17. Geer = een spits toelopend stuk land waar twee wegen uiteenlopen (mededeling Prof. M. Gysseling) ; 
ABB, St.-Salvators, cart. f° 150: «due mensurae dicuntur gheer» (a° 1268).
18. RAB, Cart. St.-Kruis, f° 35: «den zudersten Ardenbuerghxen weghe» (a° 1370); 
Id., f° 66 v: «den hoghen wech van Ardenbuergh" (a° 1373); 
RAB, Proosse, nr. 1228, f° 57: «Nederen Ardenburchschen wech» (a° 1429); 
Idem, Proosse, nr. 1231, f° 148 v en 149 v (a° 1448).
19. RAB, Cart. St.-Kruis, f° 15 v : «tusschen den tween Bruxschen weghen» (a° 1367).
20. RAB, zie ommeloper Watering van de Broek en ommeloper Male.
21. OCMWB, St.-Janshospitaal, doos 13 -14, oork. a° 1412. 
22. OCMWB, Magdalena, oork. 1241,a° 1562.
23. RAB, Male, reg 45, 4.
24. ABB, Cart. St.-Salvator, f° 123 v, a° 1283.
25. A. VERHULST, a.w., 32-33.
26. J. AMERYCKX, Ontstaan en evolutie van het Zwin, 107-108; Id., Het Oud Zwin in Biekorf, 55 (1954) 84-85.
27. RAB, Proosse nr. 1229, a° 1437, 20 v.
28. Id., nr. 1229, a° 1437 ; 20 v.
29. ABB, St.-Donaas, oork. a° 1314.
30. RAB, Proosse, reg. 161, f° 580-81, a° 1646-48; Id., Proosse, nr. 218 B, f°7, a° 1688.
31. RAB, Vrije, nr. 15.584; Ommeloper Sijseelse, 308-309, a° 1668; 
Id., Aanw. 3610, Tussen beede Zwenen, a° 1503 ;
Id., Aanw. 3673, watering van Romboutswerve, a° 1609. 
W. WINTEIN, Kaart van de oude gemeente Koolkerke met een bijhorende historische schets tot 1850 in Rond de Poldertorens, 7 (1965), nr. 1.
32. M. CAFMEYER, De Gemene Weiden op het Sijseelse in Biekorf, 53 (1952) 27.
33. Arch. Gem. Weide, rek. a° 1719, 234.
34. J. DESMET & H. STALPAERT, Assebroek, heemkundige schets, (1950), 39.
35. Arch. Gem.-Weide, rek. a° 1751, 26.
36. J.O. ANDRIES, Recueil de documents tendant à resoudre la question de propriété des Gemeene et Loo-weiden situées à Assebrouck et Oedelem lez Bruges in Hand. Soc. Em., (1879), 141, 162-163.
37. De heer H. Vancaillie, direkteur van het kadaster, was zo vriendelijk mij te helpen bij de opzoekingen.
38. Arch. Gem. weide, rek. 1573-1575, f° 2 v°
39. Id., rek. 1760 ,f° 14.
40. Id., rek. 1719, f° 266. - id., rek. 1751, f° 37. - id., rek. 1841, f° 6. 
41. J.0. ANDRIES. a.w.
42. Arch. Gem. weide, rek. 1676; id., rek. 1579, f° 1 en 1v.
43. RAB, fonds Sijsele, nr. 225, f° 3 en 10: Costumen ... van de Ghemeene Weede.
44. Arch. Gem. weide, rek. 1719, f° 13.
45. «Ghepresenteert deze rekenijnghe in auditie bij Joos de Zwaef jn de handen van Domijn Loys an de hoofdmannen ende ghemeene anburchtege van de vrije ghemeene weede binnen Assebroucke mette appertenancen ter presentie van Jaecques le Febure als bailliu van Zijsseele ende Mr. Pauwels vanden Rijne deze XXIII juli XVc sessentseventich" - «Deze rekening werd gepresenteerd in de generale vergaderijnghe ten Berghen ghecostumeert". Later, in 1761, wordt de algemene vergadering gehouden in «eene tente" ; kort nadien werd de bekende herberg Het Panhuis als vergaderruimte gebruikt
46. J.O. ANDRIES, a.w., 143, Document I.
47. K. DE FLOU, Woordenboek, IX, kol. 948.
48. OCMWB, oork. 62, a° 1276: «Willem vander Loe, ... schepen vanden Zieceelschen» ; 
Id., oork. 247, a° 1296: «... voorseiden lande liggen in de Lowede».
49. M. CAFMEYER, Kaarten van de oude heerlijkheid van Sijsele in Biekorf. 55 (1954) 57 ; Id., Paalsteen op het Sijseelse opgegraven in Biekorf. 57 (1956) 273.
50. Cart. Sint-Kruis, f° 7 : «Wouteren van Becoud keercmeester vander kerke van Sinte-Cruis» (1357) - 
Id., f° 82: «... Wouters hof van Bochoute» (1372).
51. OCMWB, rek., nr. 500 - J. DE SMET & H. STALPAERT, Assebroek, heemkundige schets.
52. Cart. St.-Kruis, 82 : «up de Woestine die leghet zuudoost vanden hoeve van der Lo, neffens den weghe die gaet ter Lo Weede waerd», a° 1372.
53. Oude wegen vormen zeer dikwijls de grens tussen parochies; men mag dan ook aannemen dat de Sijselestraat en de Loweidestraat ouder zijn dan het park van Male. - 
RAB, Proosse, nr. 1238, 161 : «... streckende cum oosthende an de Loostrate ... cum westhende ant Spijckers Weghelken», a° 1500.
54. J. AMERYCKX & R. TAVERNIER, Bodemkaart van België, Verklarende tekst bij het kaartblad Brugge 23 W, (Gent 1958).
55. RAB, Aanw., nr. 3765, 16.
56. Arch. Gem. Weide, Copieboek, a° 1680, f° 10 : «straete loopende naer het Keelecken».
57. Arch. Gem. Weide, a° 1683, f° 4. 
58. ABB, reeks D. 88, A° 1720.
59. RAB, Vente des biens nationaux, nr. 18.
60. Arch. Gem. Weide, cijnsbrieven