Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Grensgeval

.

Van het "IJZEREN HEKKEN" naar de "MESTZATE" en het "SPORTSTADION" of een "GRENSGEVAL tussen Sint-Kruis en Assebroek". of misschien wel een "GOUDKLOMPE".

Onder de inwoners van de stad Brugge vindt men dikwijls als beroep van bepaalde personen: mes(t)raper. Het waren personen, aangesteld door de stad die zorgden voor het netjes houden van de straten. Er werd vroeger niet zo nauw gekeken op de hygiëne. In sommige straten werd de vuilnis gewoon op straat gegooid en zulks betrof evengoed afval van het huishouden, stenen, aarde of mest. Stedelijk afval werd naar mestzaten aan de stadswallen gevoerd. Slechts in de hoofdstraten werd nauwer toegekeken op de netheid van de straten maar veel minder in de volkswijken. Zo brak vorige eeuw meerdere malen de cholera uit die zich gemakkelijk verspreidde in de volkswijken met hun armoedige forten.
In een kroniek over de mestzate schreef Magda Cafmeyer in Biekorf dat eeuwen geleden in de volkswijken de viskoppen, mest van konijnenkoten en slunsen op straat werden gegooid. Normaal moest om de week de straat worden gereinigd maar heel dikwijls kwam de vuilnisman (mestraper ) niet opdagen. Bewoners van huizen in de volkswijken die niet over een beerput beschikten, ledigden emmers met urine en ontlasting gewoon in het midden van de straat waar een soort open riool (grippe) voor enige afvoer zorgde naar een gracht.
Op het einde van sommige straten was er soms een zinkput al dan niet gemetst. De grachten werden op sommige plaatsen overwelfd (wieghen). Deelmannen hielden vorige eeuw toezicht op de netheid.
Het samenbrengen van alle afval gebeurde o.m. op de stadswal naast de Gentpoort richting Kruispoort. Deze 'dépôt de fumiers' staat nog vermeld tot in 1855 wanneer de stad Brugge omwille van de hygiëne een mestzate voorzag te Assebroek op de grens met Sint-Kruis (huidige Nijverheidstraat) waar laaggelegen gronden als stortplaats dienst deden voor allerhande afval. Nadien kwam er het sportstadion.

1751-53          Graven van de Coupure en bouwen van een dam aan de Kazernevest

1855                Doortrekken Ringvaart naar nieuw sas aan Dampoort en weggraven  dam

1856                Aanleggen mestzate te Assebroek

1857                Bouw van brug (IJzeren Hekken) en Mestzatebrug over Zuidervaartje.

1900                Nieuwe brug IJzeren Hekken.

1917                Afbraak brug IJzeren Hekken

1957                Op de mestzate komt het sportstadion en gedeeltelijk overwelven het  Zuidervaartje tijdens het aanleggen van de Ringlaan.

 

DAM

Tijdens het graven van de Coupure (1751-53) werd ter hoogte van de Kazernevest een dam gebouwd die de vaarweg afsloot naar de Kruispoort. Om de lokale handel en nijverheid te stimuleren was het de bedoeling dat de schepen door de stad zouden varen. Op de dam stond de Corps de Garde en werden de octrooien geheven op de vrachten die de stad binnenkwamen. Om fraude de vermijden werden de bermen van de dam van ijzeren hekken voorzien. De dam was voorzien van een klein sas dat het waterpeil regelde van de stadsgracht naar de Kruispoort die vervuild en verslijkt was. Voetgangers konden over de dam de huidige Buiten Kazernevest bereiken die toen een aardeweg was.
De dam werd in 1855 afgegraven en de stadsgracht verdiept om zo de vaarweg open te stellen naar het nieuwe Dampoortsas. Met het doortrekken van de vaarweg werd ook het probleem van de overstromingen voor een gedeelte van de binnenstad vermeden. Bij hevige regenval stroomde teveel water van de Gentse Vaart naar de Coupure en het water kon slechts worden geloosd langs de stadsreien naar het oude Dampoortsas. Een betere afvoer van het water naar de Oostendse Vaart werd mogelijk langs het nieuwe Dampoortsas.
In 1856 besliste de stad Brugge dat alle afval buiten de stad diende afgevoerd en werd een mestzate voorzien te Assebroek waar gronden beschikbaar waren naast het Zuidervaartje op de grens van Assebroek en Sint-Kruis. Om de stortplaats vlot te kunnen bereiken dienden twee bruggen gebouwd nl. over de Ringvaart en het Zuidervaartje. Wel was het mogelijk ook over de Gentpoort de mestzate te bereiken maar men oordeelde dat een rechtstreekse aansluiting over bruggen voor de vuilniskarren beter uitviel.
Zo was de toestand met bomen en tramsporen tussen de Gentpoort en Dampoort vóór het aanleggen van de Ring (foto G. Pieters)

BRUGGEN

In 1857 werd een houten brug gebouwd: over de Ringvaart op de plaats van de vroegere dam. Ze kreeg de naam het "IJzeren Hekken" naar analogie met de ijzeren hekken die er werden weggenomen ook omdat in 1860 de octrooien werden afgeschaft. Een tweede brug over het Zuidervaartje werd de Mestzatebrug genoemd. De brug het IJzeren Hekken uit 1857 werd in 1900 vervangen door een metalen draaibrug aangekocht bij een aannemer die ze had afgebroken in de stad Gent. De Duitse bezetter brak de brug op om ze te plaatsen te Nieuwwege (Varsenare) waar ze in 1918 werd opgeblazen. De brug zou niet meer worden heraangelegd al waren er plannen om Assebroek over een moderne brug te verbinden met de stad Brugge ter hoogte van het huidige Bilkske (vroeger Schijfstraat). De werken voor het aanleggen van de Ring met het te overwelven Zuidervaartje en Mestzatebrug (foto J. Van Nieuwenhuyse)
Na het opblazen van de Gentpoortburg in 1944 deden de brughoofden van het IJzeren Hekken nog even dienst voor het aanleggen van een noodbrug.
De Mestzatebrug werd op stadskosten onderhouden tot ze bij het aanleggen van de Ringlaan en het overwelven van het Zuidervaartje uit het stadsbeeld verdween en vervangen werd door de huidige brug die naar het sportstadion leidt.

MESTRAPERS
De mestrapers (vuilnismannen) waren vorige eeuw talrijk en werden door het stadsbestuur aangesteld. Ze stonden onder controle van de politie. Het waren meestal behoeftigen of ouden van dagen zonder inkomen. In 1775 waren er 587 en in 1856 nog 250 mestrapers. Ze reden met een kruiwagen door in de stad aangeduide straten..
In het jaar 12 tijdens de Franse periode hield de overheid streng toezicht op het mestrapen want het bleek dat dagelijks aarde werd weggenomen van de dijken van de vestingen met instortingen als gevolg. Ook in sommige straten ontstonden putten ingevolge het wegnemen van aarde. De aarde werd elders als opvulling aangewend.
De overheid stelde voorwaarden om als mestraper te kunnen werken. Er was een machtiging van de burgemeester en schepenen vereist en de aangestelden dienden van goed zedelijk gedrag te zijn met voorkeur voor personen onderhouden door de overheid. Tijdelijk werden tijdens de winter werklozen aangesteld. Het aantal mestrapers werd tot zowat 200 beperkt en de mestrapers droegen een plak om herkend te worden. Het was verboden deze plak aan vreemden te bezorgen. Mest mocht slechts op bepaalde dagen worden opgehaald en gestort op de plaats door de politie aangewezen. Het verkeer mocht niet worden belemmerd.
Aarde en mest werd gegeerd door hoveniers en boeren buiten Brugge. Vandaar dat er ook mestschippers waren die mest en huishoudafval met boten afvoerden naar landerijen te Oostkamp, Oedelem en Beernem. Tot in 1900 was er langs de Karzernevest ter hoogte van het huidige Bilkske (vroeger Schijfstraat) een losplaats waar de mestschippers konden aanleggen om mest te laden en te vervoeren. De losplaats (barcadere) werd in 1935 afgebroken.

DE MESTZATE

Omwille van de hygiëne rezen in 1848 stemmen op om alle huisvuilnis op één plaats centrale plaats te storten. Een 'verlicht' gemeenteraadslid stelde voor het huidige Minnewaterpark en zelfs een gedeelte van het Minnewater zelf als stort aan te wenden terwijl ook en gedeelte van de Katelijnevest zou worden afgegraven. Het voorstel werd gelukkig door de raad als onzinnig aangezien. Meteen rees het plan om van de vestingen een publieke wandeling te maken.Werken aan de Ring en het reeds overwelfde Zuidervaartje (foto J. Van Nieuwenhuyse)

In 1856 nam het gemeentebestuur van Assebroek kennis van de aanvraag van de stad Brugge voor het aanleggen van de mestzate langs de Rampaertweg (Nijverheidsstraat). Zij antwoordde:'die een schone wandeling is en 's zomers veel volk brengt zodat het allerschadelijkst zou zijn indien geen voorwaarden worden vastgesteld. De mestzate dient afgemaakt met een muur, ijzeren of houten tralie Er dient een brug gebouwd over het Zuidervaartje. Ook dient controle uitgevoerd op de mestaanvoer en Assebroek beschikt niet over de nodige politie om het toezicht uit te oefenen '. Het betrof gronden die eigendom waren van het Brugs Bureau van Weldadigheid. Aanvankelijk nam niemand aanstoot aan de exploitatie van de mestzate waar voor 30 jaar lang mocht worden gestort.

In 1893 waren er echter klachten toen de verlenging van de exploitatie werd aangevraagd. Aannemer Brilleman die ook instond voor het vervoer van de vuilnis werd verweten dierlijke en visafval te storten die stank veroorzaakten en de gemeenteraad van Assebroek wou zulks zelfs met de "gewapende macht beletten om smetziekten te vermijden"..Ook liet het gemeentebestuur opmerken dat op de mestzate een persoon een woning betrok zonder toilet en dat daar eigenlijk een gezin van zeven personen huisde in een houten kot. Mestrapers vochten er regelmatig en de omliggende landerijen ondervonden schade aan de vruchten.. Meer nog, Assebroek wees de minister van Binnenlandse Zaken op het gevaar voor cholera, zeker voor de militairen in de kazerne die nauwelijks 200 m verwijderd lag aan de overkant van de Ringvaart. De goeverneur schorste echter de beslissing van het gemeentebestuur van Assebroek tot het sluiten van de mestzate.
De toegang tot de mestzate werd van een groenscherm 
Brugge verwierf de verdere exploitatie van de mestzate voor 10 jaar omdat het niet mogelijk was binnen de stad huisvuilnis te storten. De nabijheid van water liet toe de mestzate te zuiveren maar het stort moest op 250 m blijven van enige bewoning alsook op 75 m van de openbare weg.
In 1892 verzette Assebroek zich tegen de verlenging van exploitatie tot 1906. Brugge voerde aan dat er toch geen bebouwing te noteren viel en er geen klachten werden genoteerd. Wel blijkt dat in 1903 een stort werd geopend op de wijk Zevecote te Assebroek. Deze diende onmiddellijk gesloten.
In 1904 plaatste de stad Brugge een beerput voor 'natuurlijke landvette' op de mestzate.
In 1910 werd de exploitatie verlengd tot 1914 en was er een protest van de minister van Oorlog tegen de mestzate in de omgeving van de kazernes omwille van hygienische redenen
Na de eerste wereldoorlog was de mestzate nog steeds in gebruik en werd ze zelfs uitgebreid op de aangrenzende onvruchtbare en moerassige gronden. Intussen had de stad Brugge reeds een reinigingsdienst in eigen beheer opgericht en werd er ook gestort als opvulling van gronden maar dan op minstens 3 tot 6 km buiten de stad Brugge. Hoewel de reinigingsdienst reeds voor de oorlog over gemotoriseerde wagens beschikte zou het nog tot 1952 duren vooraleer de laatste karren getrokken door paarden uit het stadsbeeld verdwenen.
De stad Brugge verliet in de jaren 1970 de oude mestzate en gebruikte het Maleveld als stortplaats. Na deze gronden weer voor de landbouw te hebben geschikt gemaakt trad Brugge toe tot de intercommunale IVBO die gebruik maakte van de verbrandingsoven langs de Pathoekeweg.

OPHAALDIENST

In 1865 werd het 'beroep' van mestraper afgeschaft. De stad Brugge vaardigde in 1861 en 1865 een reglement uit waarbij bepaald werd dat de netheid en ophaling van vuilnis van de straten en pleinen het voorwerp uitmaakten van een aanbesteding waarbij privé-personen een bod konden doen. Het af en toe aangepast reglement voorzag o.m. dat de bewoners de straat tot halverwege moesten onderhouden en reinigen. De vuilnis en modder dienden op hoopjes geplaatst. Potten, glazen en harde materialen moesten in manden of bakken worden geplaatst. De herbergiers waren verplicht hun voorgevel te reinigen! Urine of fecaliën mochten niet worden meegegeven. Daarvoor reden speciale beerwagens voorzien van een brandende lantaarn door de stad. De vuilniswagens dienden door de stad goedgekeurd en de 'vuilnisboeren' mochten hun karren onvergeld lossen op een bepaalde zone van de mestzate te Assebroek. De ophalers mochten met de mest aanvangen naar believen. De aannemer diende te beschikken over acht karren en 15 trekwagens met in totaal 36 personeelsleden. De komst van de vuilniskarren, die tweemaal per week de straten aandeden, werd met een bel of hoorn aangekondigd. Opmerkelijk was dat de bewoners van de huizen langs bevaarbare waterlopen hun vuilnis konden meegeven met schuiten die regelmatig een ronde deden.
Er was ook een dienst voorzien die de 'stadruwieren' of rioolkolken zuiverde.
De vuilnisdienst gaf aanleiding tot heel wat klachten. Zo werd soms te weinig materieel en mankracht ingezet of werden bepaalde straten niet bezocht. Maar ook de bewoners hielden zich niet aan de voorschriften.
De mestzate te Assebroek hoopte zich op en in 1907 werd ze ten dele afgevoerd en 14.000 m3 diende voor het aanleggen van een park in het geplande Stübbenkwartier (Komvest) en 3.000 m3 voor de opvulling van de stadsvest tussen de Ganze- en de Vuldersstraat.
In 1910 bestudeerde de stad Brugge een voorontwerp voor het bouwen van een verbrandingsoven voor huisvuilnis in Heeman-ovens. Het ging om Engelse ovens die reeds in gebruik waren te Le Havre in Frankrijk en in Burslem in Engeland. Twee groepen van vier ovens konden alternatief werken en 60 ton afval verwerken op 24 u. De installatie voorzag een 40 m hoge schouw. Het bleef echter bij een studie.
Bij wijze van proef werd in 1904 een stedelijke reinigingsdienst opgericht langs de Boninvest. Het personeel werd door de stad aangesteld maar de paarden en voermannen werden gehuurd bij voerman Adolf Baes. In 1917 kwam de dienst volledig onder stadsbeheer. De vuilnis werd tot midden deze eeuw nog aangevoerd met groene driewielkarren getrokken door paarden. In 1936 kocht de stad drie autovoertuigen met open laadbak die echter door de bezetter tijdens de tweede wereldoorlog werden aangeslagen. Na de oorlog vond de modernisering van de stedelijke Ruim-en Reinigingsdienst plaats.

ZUIDERVAARTJE
Het Zuidervaartje dat evenwijdig loopt met de huidige Ringvaart werd ook soms "Buiten Vest" genaamd. Om de mestzate te bereiken reden de mestrapers en later de vuilniskarren over de brug van het "IJzeren Hekken" of soms door de Gentpoort naar de stortplaats. Ze moesten wel over het Zuidervaartje rijden waar de Mestzatebrug lag. Omstreeks 1900 waren en drie overgangen over het vaartje waarvan sommige alleen door voetgangers konden worden gebruikt. Ze werden na de Tweede Wereldoorlog afgebroken tijdens het overwelven van het Zuidervaartje en meteen verdween ook de opgelapte brug die naar de mestzate van Assebroek leidde.
Langs de Ringlaan stond vroeger een rij huizen en een ijs- en azijnfabriek. De bebouwing werd na de Tweede Wereldoorlog gesloopt voor het aanleggen van de Ringlaan.
Op de vroegere weg tussen de Ringvaart en het Zuidervaartje reed de stoomtram naar Aardenburg over Sint-Kruis, Moerkerke en Middelburg (grens). De stoomtram vertrok aan de Kruispoort maar had een standplaats tussen tussen de Ringvaart en het Zuidervaartje onder de bomen even voorbij de mestzatebrug. Er stond een waterpomp om de ketel van de tram te vullen. Deze dienst werd tijdens de tweede wereldoorlog stopgezet.
Even verder richting Gentpoort was een standplaats voor zigeuners en woonwagens.

AAN EN ROND HET IJZERHEKKEN

Biekorf 1973/1
Cafmeyer M.

Vertelling van Mories van de Boneveste
Onze zegsman, de tachtig nabij, wel wat sukkelachtig en schoorvoetend maar nog heel helder van geest, vertelt ons met veel genoegen over zijn geboortestreek langs de Buiten Boninveste te Brugge, thans door de nieuwe Ringlaan ten oosten van de stad ingenomen.

De bruggedraaier
«Zo ge weet het nu hé, wij woonden schuins over het ijzerhekken halfwege de Kruispoort en de Gentpoort, 't IJzerhekken was de brugge over de Gentse vaart bij de « vermondinge van de «Koppeure (Coupure), je weet wel he, de Koppeurevaart die van uit de Gentse vaart voorbij 't Hoogstuk, de zandarmerie en de Prekerstrate naar de Reie aan de Molenbrug loopt. 's Avonds wierd die brugge al de buitenkant door een ijzeren hekken met een groot zwaar maalslot, van te tienen tot 's nuchtens te vijven afgesloten. Alzo waren de zuiderse boeren wel verplicht met hun beerwagen door de Kruispoort of Gentpoort te rijden om de beerbiljetten aan de portier af te geven (1). Teofiel Merre, de latere bruggedraaier uit onze reke, was met het sluiten van 't IJzerhekken gelast. Tei was schoenmaker van stiel en maakte alzo ruwe schoen die tegen een duw kosten en sLijk en sneeuw verdroegen. Overdag zat hij in zijn houten kotje rondom in venstertjes bij de brug, zodat hij links en rechts de schepen zag afkomen. Schoenlappen was bruggedraaiers tweede stiel, wel ja! g'hadt daar Meiere aan de Koppeurebrugge en Freetje aan de Prekersbrugge en Klootje aan de Kruispoorte enne... allemale schoenlappers binst hun vrije tijd in ’t houten wachtkotje aan de brug.

Maar Fielozeen, de bruggedraaier aan de Gentpoorte, deed wat anders als bijverdienste, hij was... laat ons zeggen loodgieter om niet te zeggen Potjedek of ketellapper. Elk die een melkpulle, een pot of een panne, een soepeketel had die leekte kwam ze daar bij den hoop zetten om te soederen, bij zo verre dat ze buiten 't wachtkotje bleven staan. Binnen in zijn kotje onderhield de bruggedraaier een klein vuurketeltje met bakkers kolen en schuifdeurtje, Filozeen maakte alzo gebruik van de gloeiende bakkers kolen om zijn «boet» te verwarmen om te soederen. Van in zijn kotje zag de bruggedraaier de schepen van ver aankomen. Zohaast een schipper aan de Kruispoorte of de Gentpoorte op de hoorn tuitte liet onze Tei Merre vallen dat valt en spotterde naar de brug aan 't IJzerhekken. Met een hulpe gingen ze aan het draaien, elk aan het uiteinde van de ijzeren wrange die met een vierkant gat op de pot van de « pievow » in de brugge paste.
Eenmaal de brugge weer toegedraaid werd ze met een keten aan de « gardekor » vastgelegd, ba ja, 't was niet genoeg toe te draaien, de brugge moest op de mate van de strate weer pas liggen voor 't verkeer.
Lange wachten aan die brug? 0 neen, in tien minuten was heel dat spel geklonken en heel veel verkeer aan 't IJzerhekken was er niet, maar zoveel schepen als er waren moesten er toch doorvaren en dat duurde wat.
Maar er was gewichtig verkeer en dat wil veel zeggen, ja, ja de kommandant van 't Piottenkazern (2) die te Assebroek woonde kwam dagelijks over de brugge naar 't kazern op de veste gegaan. Zie je hem daar gaan: groot gebouwd, fieksman met een gekrulde moestas tot aan zijn oren, een kepie met gouden striepen en een kort blauw manteltje dat bij elke marschstap, zwierig open- en toeplooide. 't Was goed te zien: 't leger gaat voor, « gardevoe! » aan de kant !

Gebuurte en gebuurs

Waar wij woonden? 'k Moet zeggen dat wij daar gelijk op een eiland tussen twee waters woonden: vóór ons de Koppeure en de Gentse vaart die naar 't Fortlapin en de Oostende vaart loopt, achter ons huis 't Vaartje aIIee 't Sint Trudoleitje dat van Assebroek over Sint-Kruis naar Damme loopt. Dat afwateringsvaartje is de stadsgrens van Brugge, zodat wij wel Bruggelingen waren, maar alzo een beetje van achter de garskant. Gelukkig kwamen wij al over de brugge van 't IJzerhekken, langs de Koppeure subiet in stad.
Hoeveel huizen daar stonden? Zo heel juiste kan ik dat niet zeggen, want dat waren eigenlijk twee reken huizen; onze reke van tien huizen stond langs de Buitenboneveste, op de Madeleneparochie naar de Gentpoorte toe, g'hadt dan al de anderen kant het hoveniersland van de aannemer Nuytens en zijn grote boeie waarin 't bouwmateriaal in 't droge stond.
Wel Nuytens - zijn broer was de oudere bruggedraaier heeft de tweede langer reke van twaalf of vijftien huizen naar de Kruispoorte toe gezet langs de Buiten Kazernveste op Sint-Annaparochie, als klein jongetje heb ik ze weten bouwen.
Wat later heeft een Wale van Verviers op de open plaats tussen de twee reken het ijsfabriekstje gebouwd. Ge kent toch nog die grote zware ijsblokken wel een meter lang? Het water werd in twaalf metalen vormen ineens in de « risserval" » van de ijsmachine gezonken om te vervriezen, die lange ijsklompen lagen in de ijskelder op fijne latten bewaard om per speciale kabionette en een koppel peerdjes aan herbergiers, beenhouwers en patissiers te leveren. Van tijd tot tijd kwam er ook wel een mens in grote alterasie om een keteltje ijsklompjes gelopen voor een zieke in nood, 'k gelove dat het voor « 't vier in den buik was ».
Wacht een keer, wie woonde er in onze reke langs de Boneveste? 'k ga ze moeten opnoemen zoals ze mij te binnen vaIIen: Sistje Balbaard leurde met stoofhout-stokjes éen hand lang gekapt - al proper in bondjes gebonden om de stoof te ontsteken. Sisde kende al de kloefkappers van het omliggende, voor een kleinigheid kocht hij de kloefafval: al ingesnoekte brokken om in zijn boeit je tot stoofhout te kappen.
Bij zijn gebuur kloefkapper, Fikken de Boekster, was hij alleszins thuis. Als Sistje wel verkocht had ging zijn wijvetje met de wit verlotte stoopkanne om twee liters bier bij Klimme den Akster, een kafeetje enigte huizen verder. Klimme had haar bijname den Akster niet gestolen, er was daar altijd volk en alleman was er welkom, zowel een voerman in passante, als een hovenier of de werkman uit het geweste. Klimme had vooruit en vooral tijd om te klappen en 't laatste nieuws te vernemen, en dit was ook het enigste kafeetje.
Neffens Klimme hadt ge het winkeltje van Mietje Millekam, ge kost daar nu een keer alles kopen: o'er (onder) halve cens gemalen koffie en een cens suiker om de zondagachternoene een goed kommetje koffie te drinken, een klute vreemde boter.
Ja zelfs ellegoed voor baaitjes en rokstjes, lijnwaad en samooize voor schorten. Langs de andere kant van 't winkeltje had Mietje een grote stamineekamer, alzo het meest voor kaartspelers, want er was daar een kaartesosseteit die nu en dan een soepeetje hield met het beurzetje. Allee dat was ander kalandieze dan bij Klimme den Akster, maar ze had ook te doen met Boheemsters die ze liever verloren dan gevonden had.

Hoveniers aan de overkant

Hoe wij bachten onze reke over 't vaartje gingen?.. Er lag wel een brede brugge naar de «mestzate ~ maar wij gingen langs een smal krom brugstje, ge kont er met moeite een kortewagen over voeren, dagelijks moesten we langs daar om melk naar de ouderwetse herberge en boerderij Altebij, en dat was reeds Assebroek.
 

Aan 't IJzerhekken met zicht op de Gentpoort
Langs de Zandstraat lagen de twee grote bolbanen alwaar hoveniers en stadslieden
's zondags kwamen bollen, de hoveniers waren alleszins vaste klanten. Nu op een late winterse avond zei de baas nog heel bezettig tegen een goed geladen klant: «Zeg maat, 't is baldonker, opgepast voor 't vaartje! » maar de hovenier" zei hakkelend « Tut, tut! dat God bewaart is wel bewaard », en hij disselde rechte naar 't vlotgars, 't vaartje in. Ja maar 's avomis was het geen lachedingen in die tijden, helledonker en geen lanteerns op straat, alzo met een stuk in jen krage naar huis sukkelen, meer dan een moest zich hier en daar aan boom of stake vasthouden.
Kwestie weet je gij waarom dat we Altebij zeggen? Dat was in oorlogstijd en de generaal zei tegen zijn soldaten: «'t Is hier al-te-bij om Brugge te beschieten ». Langs de overkant van het vaartje, zowel te Assebroek als op Sinte-Kruis was het al bilk en hovenieringe met hier en daar een doeningstje. Lewie Verstraete, die neffens de « mestzate » woonde, had daar ook een boerderijtje, maar Lewie (beter als 't Zot je gekend) was liever marsjang in oude peerden. Hij liet het versleten goedje een week of drie in de bilk lopen totdat re genoeg bekomen waren om op de markt verkocht te worden. Zo Lewietje was nog zo zot niet als dat zijn mutse stond, ge gaat gaan horen wat voor streken dat hij inhad om een oude ezel aan de man te brengen. ’t Beestje kost zijn stijve poten bijkans niet meer verretten, maar 't Zotje goot hem een emmer kleine levende palingen naar binnen. Allee 't beetje kost hem niet meer houden van de kriewelende paling in zijn buik, hij stond te trippelen en te dansen op de markt en de ongedurige oude ezel werd voor een redelijke prijs verkocht. Lewietje bofte nog: «Wadde? ikke, een bedrieger? dat is kommersie, wie naar de markt gaat moet goed zijn ogen opendoen en zijn beurze gesloten houden, dat hangt van hem af als hij zich laat foppen waar hij staat» .
Manse Verstraete, zijn wijf, een fel vrouwmens, deed ook kommersie maar op heur manier. Met Pietje de knecht en drie of vier aaneengebonden geiten trok ze de stad in om halt te houden voor de deur van vaste klanten, meest burgers die verse geitenmelk verlangden, dat was medesiene tegen de tering. Een voor een werden de geiten daar voor de deur gemolken en Pietje zorgde voor de uitgemolken geiten. Pietje was een oude jonkman die effenaan zijn zuur gewonnen centen verdronk, liefst uit de «jeneverflessetute» en daarom Pietje Tuut-tuut genoemd werd. De baas, 't Zot je, spoog er ook niet in, maar Manse zat daar niet verlegen mee, zij gerust, ze was dat drinken mansvolk goed baas. Zij stekte de man bij 't vlotgars, 't vaartje in. Ja maar 's avomis was het geen lachedingen in die tijden, helledonker en geen lanteerns op straat, alzo met een stuk in jen krage naar huis sukkelen, meer dan een moest zich hier en daar aan boom of stake vasthouden. Kwestie weet je gij waarom dat ze Altebij zeggen? Dat was in oorlogstijd en de generaal zei tegen zijn soldaten: «'t Is hier al-te-bij om Brugge te beschieten ».
Langs de overkant van het vaartje, zowel te Assebroek als op Sinte-Kruis was het al bilk en hovenieringe met hier en daar een doeningstje. Lewie Verstraete, die neffens de « mestzate » woonde, had daar ook een boerderijtje, maar Lewie (beter als 't Zot je gekend) was liever marsjang in oude peerden. Hij liet het versleten goedje een week of drie in de bilk lopen totdat re genoeg bekomen waren om op de markt verkocht te worden. Zo Lewietje was nog zo zot niet als dat zijn mutse stond, ge gaat gaan horen wat voor streken dat hij inhad om een oude erel aan de man te brengen. 't Beestje kost zijn stijve poten bijkans niet meer verretten, maar 't Zot je goot hem een emmer kleine levende palingen naar binnen. Allee 't beetje kost hem niet meer houden van de kriewelende paling in zijn buik, hij stond te trippelen en te  dansen op de markt en de ongedurige oude ezel werd voor een redelijke prijs verkocht. Lewietje bofte nog: «Wadde? ikke, een bedrieger? dat is kommersie, wie naar de markt gaat moet goed zijn ogen opendoen en zijn beurze gesloten houden, dat hangt van hem af als hij zich laat foppen waar hij staat» .
Manse Verstraete, zijn wijf, een fel vrouwmens, deed ook kommersie maar op heur manier. Met Pietje de knecht en drie of vier aaneengebonden geiten trok ze de stad in om halt te houden voor de deur van vaste klanten, meest burgers die verse geitenmelk verlangden, dat was medesiene tegen de tering. Een voor een werden de geiten daar voor de deur gemolken en Pietje zorgde voor de uitgemolken geiten. Pietje was een oude jonkman die effenaan zijn zuur gewonnen centen verdronk, liefst uit de «jeneverflessetute» en daarom Pietje Tuut-tuut genoemd werd. De baas, 't Zot je, spoog er ook niet in. Maar Manse zat daar niet mee, zij gerust, ze was dat dronken mansvolk goed de baas. 

Het stort in de buurt

Lijk of ik al zei, de mestzate lag dicht bij Verstratens, juist neffens de gazeketel die op de scheiding van Assebroek en Sinte-Kruis stond. Daar kwamen ze de « vuilkarren » storten, dichtbij was er stalling voor zes of zeven peerden die door Feliks, een stadswerkman, bezorgd werden. Feliks bewoonde aldaar een getimmerde barakke, kapte de vuiligheid uit de mestkarren (groen geschilderde driewielkarren), rakelde de stenen in een put en de reste bleef op een hoop rotten en verteren tot bloemenmest.
Hoe hoog dat die mesthoop wel lag? Ho! dat kost soms huishoogte boven bilken en hovenieringe uitsteken, kijk 's nuchtens als de zon er op scheen zagen wij den doom uit de mesthoop stijgen, en in zomerse avonden dampte hij al evenveel. 'k Vergete nog te zeggen dat de vuilkarmannen ook gelast waren om de zondagvoornoene de bijzonderste Brugse straten met berkebezems op te ruimen. Ge verstaat het wel hé 't was Zaterdagmarkt geweest en al die voermanspeerden door de straten... juist daarom werd het zondagmest apart vergaard om duurder te verkopen. Een keer dat de storting genoeg verteerd was, voerde Feliks ze per driewielkar naar de barkadene van de Gentse vaart rechtover het Piottenkazerne bij 't IJzerhekken om ze op de kogge te laden met bestemming voor de bloemist te Steenbrugge.
Wat verder voorbij de mestzate, midden het hoveniersland, stonden nog twee doeningen dicht bij malkaar, gelijk een soorte van een vervallen goed, langs de buitenkant afgesloten en hoog opgetrokken, «de Mote» dat ze zeiden, met een dreve tot op de Maalse steenweg. Al de overkant van de Zandstrate maar dicht bij het vaartje hadt ge de vervallen bouwazie van 't gewezen wollefabriekstje. Ze hadden er werkmanshuizetjes van gemaakt die meer leeg stonden dan bewoond en heel de reke werd de «sukulastrate» genoemd. Eerlijk gezegd niemand kost het daar lang uithouden, want 't spokte in die Sukulastrate, ja, ja spoken. Dat spel begost als het 's nachts op de kerktoren van Sinte Kruis twaalve sloeg: potten en pannen gingen aan het kletsen, smijten en slaan om zot te worden, bij zoverre dat 't wijf van Tuurten uit de Meers ziek geworden is van schrik. In alle geval het zat niet pluis in de oude bouwazie totdat eindelijk iedereen die vervallen huizinge schuwde.

Stallingen van de stadsdiensten

J a't, dat was de oostkant van ons gebuurte. Van zelfs ga'k nu naar de westkant over de Gentse vaart binnen stad, langs de Binnen Boneveste (Bonin). Wel, van aan de Koppeure tot aan de Gentpoorte zagen wij niets anders als stallingen en bergplaatsen: g'hadt daar de echte koetsepeerden van de korbijaars voor de begravingsdienst, en verder de grote zware peerden voor de ruimdienstketels, de beerkarren dat we zeggen. Ja, ja, de stalknecht had meer dan zijn pluk, wat peist je dan, bovendien moest al het koperwerk waarmee de garelen bekleed waren blinkend schoon gekuist worden. Het onderhoud van de koperen buizen boven de beerketels was het werk van de stadsbeerknechten. 'k Zie nog die stoet door stad rijden: Monk Pattijn reed vorenop met 't machientje om de beer uit te zuigen, daarachter volgde de groene beerketel met koperen buizen. Dat was een hele ceremonie eer dat het spel begost, in de beerketel zat er een kijkglazetje en ze riepen aantijden : «Ouw! Stop! of anders zou het gespeersd hebben, 't emmertje hing onder de «desarze» voor 't losmaken of sluiten van de buizen.

 

 

De honden van de nachtwacht
Maar als kind keek ik nog liever naar de honden dan naar de peerden. Je rappeleer je nog wel dat er in stad voor de oorlog van veertiene nachtwakers met een hond rondgingen? Ze bewaakten vooral de huisdeuren waarop een plaatje met hondekop vastzat, de bewoners aldaar waren verassureerd. Nu overdag stonden die waakhonden ook langs de Binnen Boneveste in gemetste stenen hondekotjes, elk midden 'n twee meter hoge griljaze neffens de stallingen. Zie, die honden kenden 's avonds beter hunder uitgangsure als wij per orlozie. Potverblomme dedju ! was me dat een klauwieren en springen, huilen en bassen! alleman wist hoe laat het was: «Hurkt een keer! 't is achte, de nachtwakers komen om hunder honden.

Katoentje en kazerne
't Valt mij nu te binnen, zegt Mories, 'k moest eerst nog gezegd hebben dat er tendend onze reke bij de Gentpoorte, over 't vaartje een katoenfabriekstje stond al de kant van Assebroeke. Over een brede brugge voerden ze op een duiveltje de ballotten die uit het schip in de Gentse vaart gelost werden. De fabriekmeisjes van «'t Katoentje» waren meisjes en vrouwen uit de Brugse zijstraatjes. Ik heb genoeg dat vrouwvolk van 't Hoogstuk en de Vulderstrate, de Carmersstrate en 't Vrij bus (Peterseliestraat) voorbij ons huis zien passeren op hunder kletsers, klabetter de better, met de neusdoek met fringen over de schouders en een blauwe sohorte, en kèkkelen om ter luidst.
Maar 't geestigste was de vrijdagnoene als de piotten na de grote marche met 't muziek vorenop naar 't kazern over 't ijzerhekken stapten. Dat spektakel was 't ziene weerd want 't Katoentje was dan ook juist gedaan en de meisens liepen erbij: «Guw-guw 't muziek is daar! » en zij aan het wippen, springen en dansen, arm en akselschudden en zwieren dat de brugge van 't IJzerhekken ervan beefde en aan ‘t wikkelen ging. De Krabinne, een eerste scheuvel en pierow van de bende, stampte en sprong het stof omhoge: «Alleeé ! guw ! we zijn op de brugge! » en ze danste haar kloefen in tweeën.
Ho mens! die twee kazerns en de soldaten dat was wat te zeggen in dat geweste. Ik heb altijd horen zeggen dat de Sasseurs toch de grootste vechtersbazen waren, Kijk als zij het op een kaffeetje gemunt hadden, je mag zekers zijn dat ze het in stukken sloegen zo groot als het was. 't Was juist daarom dat de Sasseurs naar Mons verplaatst werden en de Lansiers veelal Walekoppen kwamen nu naar het kazern in de Langestrate, maar... veel meer te betrouwen waren ze niet. Gij weet zo goed als ik hoe dat Sinte-Kruis van de brokken meedeelde, he ja! 't was maar een loopje van de Langestrate en daarbij 't foerazemagazijn van de peerden lag op Sinte-Kruis. 't Is daar omtrent dat ik een «batajie» heb bijgewoond, vanzelfs was er alweer een meise in 't spel, want de slanke Lansier was de aantrek van 't jong vrouwvolk. Maar zie mens, de Lansiers sloegen , het nu een keer al kort en klein, tot zelfs de ramen van de nieuwe kassijns werden uitgetrokken en vlogen de straat op: «Daar zie, ze kan nu onder de bloten hemel slapen! ~ Maar een soldaat bleef met zijn sporen haperen en zijn maten riepen: «Toe! trek er hem uit! den « appèl ~ blaast! » En heel 't bendetje Lansiers trok met veel zwier en grote stappen de Kruispoort in.

Lansiers en piotten
Als ik nog sonneries ken,.dat zit zo vast niet meer in mijn oren. 's Nuchtends bliezen ze : «Te-te-rete-te! te-te-re-te! Kom een keer buiten! Kom een keer buiten!» Aan de sonnerie wisten wij 's avonds hoe laat het was. Hurkt een keer 't is al zo late, ze blazen den avolie, en we zongen dat zelfs mee in 't frans: «Alleei mizamie, le plizier is finie, avolie ! »
De Lansiers hadden een muziek te peerde, de muziekanten reden op witte peerden, veste met witte brandeboers en bonniplie met witte flosse, 't was schoon om zien hoe ze alzo gereden kwamen blazend op de trompet met korre en flosse versierd. Maar wij, aan 't IJzerhekken zagen veel meer de klerongblazers van de Piotten, 't voetvo1k of de «Zandstuivers ». Dat kazern lag immers neffens 't IJzerhekken en als ze op eksersies trokken, stapte 't groepje klerongblazers vorenop en wij zongen op dezelfde voois dat airtje mee: « Pier pak jen hond vast, dat hij niet en bast! » Op grote marche hadden ze een schoon muziek, de stad door gekend en de aantrek van groot en klein.
Ik zie nog de tenue voor mijn ogen: grijze broek met rode striep, blauwe veste met senturon en koperen plakke en haak, een rond mutsje met kokarde. Op marche, een tole sjako met klip en rode bollen, een blauwe kapote met opgetrokken hoeken voor 't gemak van de stap, een zware ransel in gebloemd koevel op de rug. Deze zware ransel was hun hoofdkussen binst de «ripow» onder de blote hemel als zij op nachtmarche trokken.
Lijk of ik al zei, de vrijdag trok heel de kompajie met muziek op marche voorbij ons huis, ze gingen eerst aan de Gentpoorte de generaal opwachten die ginder aan de «Botanieken hof» in een ouderwets huis met houten gevel woonde. Zohaast de klerong de gardevoe blaasde was het seffens: «presenteert arm» met 't geweer voor u, en wij jongens zongen: «Porteei arm, schijt je in je broek, 't is warm».

Rond de Kazerne

Hoe dat het stond met de straatjes rond het kazern ? Alleszins niet fameus, toen had de aanpalende Vuldersstrate geen al te goede reputasie, 't was daar ook «gardevoe» vooral 's avonds niet aan te raden... 't zat er maar schuw. De vrije Piotten trokken regelrecht de Vuldersstraat in, er was daar plézier in de danszaal in de Ballong, maar om te dansen moet ge met tweeën zijn. En daar zie, als de Lansiers ook binnen vielen dansten zij het meisje af ... .ze rakleerden alternee heel 't kafeetje, de politie ,kwam daar niet tussen... ze werden gescheiden door een pieket soldaten. 'k Heb zelfs nog gehoord dat een officier buiten met zijn strafboekstje stond op te tekenen... seffens kwam een felle lansier buiten gesprongen en door zijn zwierige gang viel boekstje en potlood op straat... 't was gedaan met optekenen ... maar 't arrest volgde.
Geen wonder dat de Vuldersstraat soms aan de soldaten verboden werd, een waoht stond dan «plantong » aan de ingang bij de Langestrate en de Kazernveste. Rechtuit gezegd een vreemdeling moest zich niet in de zijstraatjes aldaar reschieren, gelijk in de Duivelshoek alwaar de achterpoort van 't kazern uitkwam, noch in de aanpalende Balsemboomstraat. Ge mocht nog niet scheefkijken of ze vielen u allen tegelijk op de nekke, mannen gelijk de Beers al gebroers, monteurs in de «Bruzwaze ».
Wadde geen kaffees aldaar? Zeg je gij dadde? En de Blauwe Duive van Pol Balcleers de vismarsjang in de Balsemboomstraat, en dat was bovendien een beetje serieuzer want Pol zat er niet mee verlegen om de vechtersbazen buiten te roefelen, hij woonde rechtover 't slunsekot van Marie de. Slimme. En wat gezeid van 't Groot kanong, voor die niet wist waaruit of waarin, mannen meest zonder kluis noch thuis, daar kosten zij voor een klute boven op de zolder met de ellebogen op de touwe slapen en  's nuchtends met een komme warme koffie ontnuchteren. En ten slotte was er nog de Prins Albert tendend de Vuldersstrate met een terrasse op de veste, deze kaffee werd alleen door onderofficiers gefrekenteerd.

Wasblekers en hoveniers in de oude Rame

Op de Veste was het eerder stille: van aan de Vuldersstraat tot aan de Ganzestrate lag «van ensen tensen » de blekerij van Bankaard met een groot toegangshekken. Het woonhuis stond innewaarts midden 't bleekgars met zijn brede grachten, en heel de doening was met een hage en nog een 'gracht van de strate afgesloten. Maar de blekerij liep nog verder bachten de huizen van de Vuldersstrate, bleker Bankaard deed goede zaken, er werkten veel meisjes - allee wasschegen en strijksters - kortom de zake floreerde. 'k Zie nog de bleker op hoge kloefen langs de brede grachten 't wasgoed begieten dat daar te bleken lag. De gieter, een houten schippe met hoge boorden aan een lange steel, was blekers instrument: hij schepte alzo een halve emmer water ineens, die hij met een zwierige beweging over het wasgoed smeet dat daar te bleken lag en vochtig gehouden moest worden. In droge zomers en bij waterschaarste was het zware arbeid: per kortewagen kuipen water gaan scheppen in de Gentse vaart, en als 't nood een volle bak op de goeste van een beerbak, die met een kous langs achter het water in de kuip loste.
Langs die kant van de Ganzestraat was het geweste al even rustig met de hoveniersdoeninge van Symoens, dat strekte garantie wel honderd meters verder. De hovenier voerde een peerd, molk drie koeien; had een schone boomgaard naast zijn hoveniershof maar verkocht niet in het klein. Neen, hij leverde aan anderen die op de groenselmarkt zaten rond de teater of aan 't Pannereitje, 'binst het seizoen reed hij 's nuchtends vroeg met een vol geladen traamkarre groensel naar de kust te Blankenberge.
Weet ge wie er rond die tijd aldaar een fabriekstje gezet heeft? Pietje Klerk, de blikslager uit het Kerzenboomstraatje, het vrouwvolk moest de blekken paandertjes en kinderèmmertjes schilderen.      .
Symoens' doeninge strekte algelijk nog verder, zelfs tot aan het achterste van de Rame. Je weet toch nog wel, door de Ganzepoorte liep je rechte in de oude Rame; dieper in stonden nog de vervallen schoolpoorte en de ledige klassen met de galerie, de kindervertrekstjes en de lindebomen van de speelplaats. Deze stadsschool was toen al gesupprimeerd en naar de Zeruzalemstrate verhuisd, de stad gebruikte de verlaten plaats om heur straatmateriaal, allee kasseien, blauwe schorren en arduinbrokken, op hopen te smijten.
Links stonden er nog enigte bewoonde kleine huizetjes. G'hadt daar van Cleven de timmerman en Mussche die met de traamkarre en een koppel grote trekhonden te voet naar de vismijn van Oostende ging, hij vertrok 's nachts en met den klaren stond hij al bij zijn baas Verrekas op de «mijne» van de grote vismakt te Brugge alwaar de vislutten van de kleine vismarkt per benne kwamen kopen.
Wel te verstaan die Verrecas was gelapnaamd Sissen de Bok, want zijn broer, algemeen als de Beijen gekend, deed ook viskommersie, maar hij woonde aan 't IJzerhekken : 't laatste huis op het hoekstje van de lange reke naast SinteKruis. Hij had daar een rokerietje om over winter schardijn te roken en Frans de Zot reed met de mandetjes gerookte schardijn naar de tramstatie aan 't Boldershof bij de Katelijnepoort. Op de grote vismarkt kwamen de kleine vismarkt per benne kopen.
Sissen Norrow was konsiërge in de oude Rame, hij onderhield ook de kleine sasdeurtjes van de binnenreitjes. Met de viertand aan een lange perse over de schouder ging hij de vuiligheid van de roosteringe aftrekken en zuiveren.

Naar school in de nieuwe Rame
Hoe ik dat allemaal weet? Wel doodeenvoudig omdat het op mijn weg naar school lag over het IJzerhekken langs de Kopeure en de Zandarmerie naar de Molenmeers, oftewel door de Ganzestrate of de Vuldersstrate naar de Langestraat en door 't Kerzenboomstraatje naar de nieuwe stadsschool de Rame bij 't Zeruzalem.
Als zesde en jongste kind mooht ik tot aan mijn veertien jaar naar school gaan, mijnheer Dubois was oppermeester. Ik ken ook nog de namen van de andere meesters; mijn -heren Plasman, Caljow, Norrow, Van Haecke, Theunis en Andries, mijnhere Verhaege woonde neffens de school. Onderweg bleef ik dikwijls haperen in 't Kerzenboomstraatje, mijn nonkel Feliks werkte toen nog in de reke huizetjes, de blekslagerij Pietje Klerk. Ik drumde het liefst langs de huizetjes om niet ene 't oog uit te terten, want al de overkant langs de hoge blinde muur lagen er veel sanwills zonder geweer. Nonkel Feliks wachtte mij op en dievelinge duwde hij een handsvol ronde blekstjes in mijn hand, uitgeperste bommetjes van drinkpullen. In een wip was ik met dat speelgoedje op de speelplaats en wij schoten de rechtgezette ronde blekstjes met onze marbels omver.

Ik was het enigste kind in mijn gebuurte dat niet naar de parochieschool op de Madelene ging en dat kwam omdat mijn vader een beetje al de rode kant helde. Reeds in 't jaar 1905 las hij de Vooruit en hij liet zich inschrijven in het Werkerswelzijn in de Kuiperstraat, maar verder deed hij niet mee aan politiek, maar vader was en bleef een viesman. Je gaat gaan horen: voor mijn eerste kommunie, aan mijn elf jaar, had ik zoals de andere kinders goed de lering gevolgd en de kàtekismus kende ik op mijn duim van buiten. Nu in de opvraging bleef ik aan, en ik mocht met de drie langst aangebleven kinders kampen en was de tweede. maar op de plechtige dag zat ik ... op de laatste rij. Ja, ja dat was dan zo een" strijd, mijn moeder verstond dat, maar vader zou eens zijn gedacht aan de pastor zeggen: «Menere pastor heeft onze Mories goed geantwoord ja of neen? Hij was toch ook een schaapje van je kudde, waarom zet gij hem als een zwart schaap heel langs àchter? » Maar... ',t bleef erbij, vàder had zijn gedacht gezegd en ik zou naar de zondagschool niet gaan.
Dat kwam wel een beetje omdat vader niet van alhier was, hij kwam van Bienkom bij Leuven en had als Sasseur te Brugge moeder leren kennen. Moeder woonde toen op 't Hoogstuk in een bierhuis zonder « anseing » maar de klanten zegden gewoonweg: « We gaan naar 't Bijtertje ». Dat was de lapnaam van grootvader Warten, die hij gekregen had als werkman in de suikerfabriek langs de Damse vaart te Sinte-Kruis. Gelijk naar gewoonte kwam hij een zaterdagavond langs de Kruisveste met zijn weekloonbeurzetje op zijn herte naar huis gegaan, wordt hij daar niet aangerand dan, en in de vaart gesleurd tewege. Grootvader verweerde hem in 't vlotgars, beet de schobbejak schier de duim af tot hij loste en zwom naar de overkant om langs 't IJzerhekken naar 't Hoogstuk te gaan, maar hij is het Bijtertje gebleven.

Wandel en handel op 't Hoogstik
Het Hoogstuk - tussen de Koppeure en de Ganzestraat - was een verlaten vuil zijstraatje, want de bewoners smeten toen nog hun vuiligheid op straat. Margot, de baas van de vui1karre, kwam maar een keer te weke met driewielkarre en peerd door de zijstraatjes gereden en hij durfde al een keer schrikkelen, zodat de vuiligheid bij hoopjes in 't midden van de straat bleef liggen. Ja, ja, bij zoverre dat ge 's zomers best uw broekspijpen toebond voor vlooien en ander ongediertje, want er lagen daar rotte viskoppen tussen de vette van keunekoten en een uitgerafelde slunse of een gebroken teljoor. En zeggen dat de oude Bosman nog die vuilhoopjes kwam uitrakelen op zoek naar een slunse, een soepebeen of een gekleurd brokje gleiers om op een bloempot te plakken.
Grootvader Warten van Izegem :hield, zoals ik zei, een bierhuis open en was slunsemarsjang in zijn vrije tijd: dagelijks deed hij zijn ronde, zijn kortewagen bleef op ieder straathoek staan en hij de straat in met de zak over de schouder: «Slunsen en benen! koper en tin! hé je geen keunevellen ! ~ Thuis in de boeie sorteerde hij .alles in drie zakken: merinos, slechte broeken en voeringe; de konijnenvellen hing hij op een houten spriet aan een ijzerdraad te drogen gelijk de waste. Wekelijks verkocht hij zijn slunsen aan Marie de Slimme in de Balsemboomstrate, :zij woog op de baskuul al de profijtige kant: hard gemeten en achter de duim gesneên, en bekende vlakaf: «Aneei! zere toe, elk zorgt voor 't zijne dat is kommersie, en niemand is gedwongen hier te komen, ik kan die pezewevers en azijnzekers best missen, is 't alzo niet ? Ge mag zekers zijn Marie had haar lapname, de Slimme, niet gestolen, zij deed goede zaken, had veel vrouwvolk in 't werk om de slunsen te sorteren om per kabiong naar de stasie te laten vervoeren de zware zak op de rug over de plank naar de bloemmolen alwaar vader alles nawoog. Hij zag algauw dat de schipper gezeurd had, op het laatst waren 200 kilos graan te kort geleverd en de schipper bleef voor goed afgedankt.
Ik zei al dat de weduwe Callewaert in onze reke ook een bloemmolen had en dat zij ganzen in het vaartje hield. Nu, vader had rond die tijd al bemerkt dat de gewarige ganzen  altijd rond hetzelfde uur aan het kwetteren gingen. Hij schoot een keer alles op zijn eentje af: twee mannen, de eerste bruggedraaier en de molenknecht sleurden elk een zak graan in bruggedraaiers huis, bovendien lag er recht over de molen een schip op anker. Vader had tijd, wachtte rustig het moment af en tekende alles juist op per dag en uur: alzo werden er 21 keers graanklutsen weggedragen. Toen kwam de zaak voor de juge want mijnheer Delecluze was op de hoogte gebracht, de uitspraak luidde: 21 dagen prizong en 21 keers 26 frank te betalen.
Enige tijd nadien is de bloemmolen van de weduwe Callewaert stille gevallen, deze doeninge werd verkocht en als azijnfabriek ingericht. De konsierge Mories die met een dochter Vande Casteele getrouwd was, woonde er neffens en verkocht naast azijn ook likeuren en korte drank. Hoe dat azijnfabriekstje later aan de broer Vande Casteele gekomen is, kan ik zo juist niet zeggen, maar in elk geval hij was er totdat het fabriekstje voor enige jaren onteigend en afgebroken werd.
Na zeventien jaar trouwe dienst als sefmolenaar heeft vader op zekeren avond bij het naar huis komen zijn been gebroken over een tramriggel. 't Was gedaan en voor goed : hij bleef krepelen, maar zijn brood wilde hij verdienen, hij speelde barbier en hield een scheerhuis. Menslief dat was nu gelijk een herbergstje bij ons, heel 't geweste van 't IJzerhekken en nog een uur in het ronde werd daar in 't scheerhuis besproken en overlegd. Vader is binst de oorlog in het jaar 1917 gestorven 62 jaar oud.

Kommersie langs de Coupure
Vanzelfs woonden er ook kommersanten langs de Koppeure. Wacht een keer! op onze kant voorbij 't Hoogstik bij 't Pleintje daar .bachten de lindebomen eer dat ge de Koppeurebrugge toekomt: eerst twee aannemers neffens malkaar: Ooenraad en Deboeg die metser en timmermansbaas was, de werkwinkel lag langs achter maar de geladen steekkar stond meestal op straat. De jongste zoon is bij mij soldaat geweest bij de zenie. Voorbij de aannemers hadt gij de Waalse steenhouwer Roesow: grote arduinen blokken werden op de platte wagen met kleine wieltjes naar het pleintje gevoerd, alzo kost het arduin gemakkelijk afslieren zonder breken. Daar op 't pleintje werden met lat en beitel «rinneuren» getrokken en met de houten hamer geklopt zodat het arduin in gepaste brokken spleet gelijk glas. Langs achter in de werkwinkel werd verder alles bewerkt en gewreven tot grafzerken en schouwtabletten met staanders. Ik mag de kuiper in de herberg De Walvis niet vergeten, die met zijn zoon op zijn grote koer kuipte. De woensdag en de zaterdag reed hij met een lange smalle steekkarre, op de goeste van een brouwerskar, vol geladen met grote en kleinere waskuipen naar de markt. De Walvis was meteen ook goed gekend voor zijn grote bolbanen.

Bohemers en pompstatie
Dat zwerversvolk van Bohemers had binst de meifoor de open plaats tendend de lange reke, de Kruispoorte toe, in kwartier genomen. Dat was wat te zeggen, een echte peste voor 't gebuurte, ge moest je daarvoor zwichten en goed 't vrouwvolk met de lange wijde rokken tot op de grond in 't oog houden.
Mietje Millekam heeft meer dan eens in haar winkeltje maar aardig gevaren. Een Boheemster zette haar half open kaba op de dis: «Vrouwtje een kwart kilo koffiebonen, neen geen zak nodig, giet de koffiebonen maar in de kanne hier in de kaba, ik moet ze seffens gebruiken en kom dan direkt betalen». Maar eer dat Mietje de smalle koperen schepper in de hoge blikken koffiedoos gestopt had was onze Boheemster, zo rap als de weerlicht, naar buiten gespotterd en bijkans 't hoekje om. Mietje ging 't geld reklameren en 't wijf zei onnozel weg: «Wat zegt ge? Koffiebonen in een kanne? Kijk, hier staat nog de kaba met de kanne op de trap van onze wagen. ». Mietje zag nu ineens, maar te laat, dat een losse bom half verdoken in de kan zat.
't Mannevolk was nog onbeschaamder: schurdig gekleed, met zak en sikkel op de rug, liepen ze langs de graskanten over 't vaartje, op zoek naar eten voor 't peerd maar de sikkel sloeg meer in een klaverstuk dan in gars. Hoveniers en boeren klaagden bij de zandarmerie dat hun vruchten gestolen en de kiekens gedund waren, alzo werden de Bohemers gedwongen hun « roelotten » ergens elders op te slaan.
Dicht bij Millekams stond de bloemmolen van madam Callewaert. Deze weduwe wrocht met knechten en een koppel peerden. Ze hield ook ganzen in 't vaartje, die beesten zijn stijf gewarig, zo gewarig als een hond: als ze kwetteren zijt zekers dat er verraad is, 'k ga je dat later vertellen
In mijn kinderjaren, 't kan 1905 zijn, wierden de stoomtramrigels tussen de bomen en voorbij onze reke tussen de Gentpoorte en de Kruispoorte langs heel de Buitenveste gelegd. Dat was de lijne Brugge - Aardenburg al over SinteKruis en Moerkerke, maar de Kruispoortebrugge werd te licht bevonden en de Gentpoortebrugge was juist daarom al vroeger vernieuwd. De waterpomp wierd rechtover 't Piottekazern voorbij de lange reke huizen gezet, daar lagen ook de wissels op die open gebleven plaats en de machinist kwam er zijn kolen en brieketten kuisen. Al de kinderen marbelden en speelden tussen en op de riggels, geen wonder dat de machienist aantijden tuitte eer hij aan de huizenreke toekwam en toch is er een jongetje verongelukt maar... het was gevallen van een aangekoppelde wagen met kolen. In het najaar lagen soms acht of tien wagens met suikerbieten aangekoppeld.
's Avonds wisten wij precies hoe laat het was, want de laatste tram kwam rond negen uur naar de «dippo» te Assebroeke gereden

Haringrokerij
De grote kommersant van de Koppeure woonde eigenlijk al de overkant bij de Boneveste, daar hadt gij de grote rokerie Vanden Abeele, de haringroker Kootje Rau uit de Karmersstrate kost daar niet aan, in het haringseizoen wrochten daar 'k weet niet hoeveel vrouwen. Het schipje met haring en schaIdijn had veel moeite aan 't IJzerhekken om zijn korte draai en zwaai te halen en zonder ievers tegen te dokken de Koppeure binnen te varen naar de overkant tot bij de barkadere Vanden Abeele langs de kaaie. De grote bruinwissen manden vol vis werden aan de twee oren vastgemaakt, met een «kaperstrang» (kaaps tand) op gedraaid tot aan het platvorm van de eerste verdieping. Mannen kuisten de haring in semen ten bakken en de vrouwen moesten ze op de tafel aan stootjes door de kieuwen steken om ze alzo in de kave te roken te hangen. Ze rookten met zaagmeel en boomschorse, van uit ons huis kosten wij de vele kaven met kapje op boven de rokerie zien staan. , Fonsen Jonckeere uit 't Hoogstik was roker en bleef daar maar een man of drie buiten het haringseizoen in het werk want  's zomers lag dat al verre stil, maar de rokeriereuke bleef door de muren stralen, ze kwam u tegen als de wind
Je mag zekers zijn dat de zaak goed draaide en veel afzet had, met een koppel peerden en kabions voerde de dikke koetsier de mandetjes gerookte haring en schardijn, rolmops en elebut ter plaats of naar de statie. Baas Vanden Abeele was goed gezien en liep en kommandeerde in de rokerie gekleed lijk een here met hoed op, hij zat er goed voor en bewoonde een groot huis met inrijpoorte naast de rokerie, want hij voerde treing.

Steenlossers
En zeggen dat ik nu nog over de steenlossers niet verteld heb, dat waren alleszins de mannen van 't geweste, want er kwam wekelijks een schipje met stenen, sement en kalk voor de Grave, de kommersant in bouwstoffen aan de Prekersbrugge. Zeg dat was ook nog een hele toer voor de schipper om door 't sas aan de Koppeurbrugge te varen. Sarel de sasmeester woonde achter het water neffens de school van de Marullen, en sasmeester zijn was geen kinderspel, dat was een serieuze post weet je. Hij moest goed opletten wanneer 't water moest verhogen of zakken, al naarvolgens dat er water verspeeld was, langs de kaaimuur was de lat met nummers vastgemaakt. In de sasput maakte de schipper dikwijls van zijn neuze : «Zeg! kan je me nu eigenlijk niet doorlaten, 'k lig hier al mijn schone tijd te verspelen?» maar de sasmeester was niet te overhalen: «Ik heb mijn orders ziet ge, ik weet wat ik te doen en te laten heb».
In rode baai, panen broek, een sluier met fringen rond de leên; stonden de steenlossers op de sloefen daar met de kortewagens al op wacht bij de driewielkar om te lossen aan de Zandarmerie. De steenlossers, de mannen van 't Hoogstik, met Wannes den Hane een echte vechtersbaas aan de kop: 't Koperhoofd, de Appelzak, de Struik, de Snee, de Kokkenutte, de Witten, de Strontboer en de Werkman, al mannen van in 't ronde, echte stielmannen in stenen smijten, vangen en klasseren op de kortewagen en driewielkar, gene van beter. Twee op het schip, twee om een kortewagen over de planke te voeren en de andere bij de driewielkarre om de bakstenen hoeksgewijze te klasseren. Alzo geklasseerd boezeerden de stenen voor niets, de karre mocht nog over een hobbelige kasseie dokkeren. Maar een keer het schip gelost, waren de steenlossers niet meer te temmen, ze hadden trouwens geld op zak en dat was gevaarlijk. Zonder verletten reden ze met de kortewagen naar de Tievoli aan de Katelijnepoorte om een kwartje bier en 't was drinken en klinken zonder weerkeren, zingen en springen en daarna aan 't battevieren en vechten slag om slinger, ieder een wist het: de steenlossers hebben een schip gelost. Ja ja! absoluut een volkst je apart en bovendien waren ze goed akkoord met de steenlossers uit de Karmersstrate, maar van een gezworen steenlosser heb ik bij mijn weten niet gehoord.

Koolwegers

 

Wel kende ik gezworen biervoerders en ook nog gezworen koolwegers met de grove zakkap op het hoofd, halve negers als zij aan het lossen waren, maar dat was eerder alde kant van de Kruispoorte of de Gentpoorte alwaar koolmarsjangs woonden. 'k Heb genoeg de schepen zien voorbij varen: grote ijzeren kassen van vierhonderd ton en kleiner houten sochepen van tweehonderd ton. Sommigen werden door 't schippers volk zelf getrokken: twee mannen aan de lijne of drie de schippersvrouw meegeteld, deze scheepstrekkers met hun verweerde gezichten lagen in de schouderband en zwakten regelmatig van het ene been op het an

dere. Toch ketsten ze reeds veel meer met de peerden, 's zomers droegen deze een gevlochten koordennet met gekleurde flossen over de borst om de vliegen te weren. Een Waalse

schipper had stal aan boord en de vermoeide ketsepeerden stapten 's avonds gedwee over de planke het schip in, om 's nuchtends vroeg weer voor de pinne te komen. Ik heb die seremonie meer dan eens gezien want 't schip bleef aan 't IJzeehekken overnachten, juist rechtover Millekams winkeltje in onze reke alwaar schippers vrouwe avondeten kwam kopen.

De brugge aan 't IJzerhekken werd in 1916 door de Duitsers opgeblazen en is nooit herlegd,  voor een paar jaar werd heel ons geweste opgeruimd, huizen en bomen en fabriekstje hebben plaats moeten maken voor het modern verkeer, voor de ringlaan, het Zuidervaartje ligt

nu overkoepeld.

M. Cafmeyer

NIEUWE BESTEMMING
De oude mestzate te Assebroek kreeg na de tweede wereldoorlog een nieuwe bestemming. Brugge had nood aan speel-en sportterreinen en de opgevulde moerassige gronden van de mestzate waren daarvoor blijkbaar geschikt. Even werd ook gedacht om op het 'Wit Zand' te Assebroek, ten zuiden van de Daverlostraat, een sportterrein aan te leggen In 1947 was een voorontwerp klaar en in 1951 besliste Brugge met werklozen 5 ha van de oude mestzate te nivelleren, te beplanten en af te boorden. In 1957 vond de officiële inhuldiging plaats van het Julien Saelensstadion..

Het Brugs sportstadion werd in 1968 aangekocht door BLOSO en kende een uitbreiding met een sporthome, kleedkamers, sportzalen, kinderspeeltuin; sauna's en een nieuwe atletiekpiste. Het geheel betreft thans een oppervlakte van omtrent 7 ha.
Ook inzake openbare wegenwerken viel heel wat te noteren want rond de binnenstad werd de Ringlaan aangelegd om het verkeer buiten het Centrum te houden. Zulks betekende het inpalmen van de gronden tussen de Ringvaart en het Zuidervaartje dat gedeeltelijk werd overwelfd. Huizen, bomen, jaagpad, tramsporen en de kasseiweg maakten plaats voor een brede rijweg als onderdeel van de Brugse Ring.
Alleen aan de Coupure ter hoogte van de Kazernevest ligt nog de stenen voet waarop tot in 1917 de brug van het IJzeren Hekken draaide.

 Kontaktblad Gidsenbond Brugge en West-Vlaanderen, febr.1999

Met dank aan Walter Baes als auteur en Jo Berten als voorzitter van de Gidsenbond voor de bereidwillige toelating tot publicatie van dit artikel op onze site.