Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

De molen van Vivenkapelle te Sint-Kruis

"Wie vroeger het grote gehucht Vivenkapelle vanuit Brugge bereikte langs de Zwaanstraat, bemerkte even vóór hij oog in oog kwam te staan met de kerktoren, op zijn linker zijde de oude verweerde molen Van Haecke. Vivenkapelle behoorde in die tijd nog bij de gemeente Sint-Kruis maar het gehucht en de molen lagen één uur ver wandelen van de dorpskom. De molen stond tussen de huidige en de vroegere Moerkerkse Steenweg, vier kilometer ten noordoosten van de kerk van Sint-Kruis. De oude houten molen was één van de parels van dit gehucht dat op zichzelf toch al niet verstoken :was van interessante neogotische monumenten.

Volgens sommige bronnen werd hij hier opgericht met de steun van het Brugse Spermalieklooster op cijnsgrond van het Godshuis van Jeruzalem te Brugge omstreeks de jaren 1570-1580. Andere bronnen suggereren dat de molen dateert van omstreeks 1510, dat hij inderdaad door de kloosterlingen van Spermalie werd gebouwd, echter niet hier, maar op hun gronden te Sarepta. Pas later zou de molen dan naar hier zijn overgebracht. In alle geval is het een feit dat men hem in de negentiende eeuw nog steeds de Spermaliemolen noemde. De oude molenaar en bakker Van Kerschaever woonde er. toen vlak tegenover in het molenhuis. Het was een houten standaardmolen op teerlingen die gebouwd was op een mote, die hier de Meuleberg werd genoemd. De molen waaide kort vóór de tweede wereldoorlog in het jaar 1938 omver.

Over de oudste geschiedenis van de molen zijn we niet goed ingelicht. De molen zou reeds vrij vroeg, meer bepaald tijdens de Geuzentijd, overgebracht zijn naar Vivenkapelle. De Geuzentijd ...dat waren nu precies de jaren 1570-1580 en dus zouden beide data, zowel 1510 als 1570-80, kunnen kloppen, de eerste als bouwjaar van de molen, de tweede als datum van verhuis naar Vivenkapelle. De bedoeling van deze verhuis zou geweest zijn meel te kunnen leveren aan de dorpen van het Brugse Vrije die tijdens de Geuzentijd nogal geteisterd werden. Men mag niet vergeten dat in die tijd windmolenaars nog een soort monopolie   hadden. En reeds heel vroeg telden kloosters en abdijen molens onder hun eigendommen. Over het algemeen werden de klanten er op beurt door de maalder bediend. De regel gold: wie eerst komt, eerst maalt, uitgenomen de pastor en de schout. Die gingen vóór.

Na een lange periode van iets meer dan een eeuw, waarin we over de molen niets meer te weten komen, duikt zijn naam weer op in het begin van de achttiende eeuw. Toen werd hij begaan door een lid van het bekende molenaarsgeslacht vanden Broele. Waar dit mulders-geslacht vandaan kwam, is niet meer te achterhalen maar er was een tak verspreid in het Roeselaarse, een tweede in het Veurnse en een derde in het Brugse Vrije. En het is die laatste tak die ons hier interesseert. Rougier vanden Broele had uit een eerste huwelijk met Katelijne de Backere zes dochters. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde hij in 1653 te Sijsele met Cornelia Haneca die hem nog twee zonen schonk, Laureins ,en Rougier junior. Intussen had vader Rougier in 1651 de Warandemolen te Sijsele verworven, die hij tot bij zijn afsterven in 1675 zou blijven gebruiken.

Zijn zoon Rougier junior was geboren op 21 maart 1669 en huwde in mei 1691 met Joanna Sabboth, de dochter van een rijke boer die op het Goed ter Bolle aan de Antwerpse Heerweg te Sijsele woonde. Op korte tijd schonk Joanna hem vier dochters en een zoontje, die, op Isabella na, met dezelfde regelmaat stierven. In 1701 verloor Rougier junior zijn vrouw en hertrouwde het jaar daarop te Moerkerke met Petronella de Cloet, die hem nog eens drie zonen en twee dochters schonk. Zo raakte hij in Moerkerke ingeburgerd, in de omgeving van Vivenkapelle, waar op een bepaald moment de Spermaliemolen vrijkwam nadat de vorige pachter Jan de Keysere de molen verliet. Rougier junior twijfelde geen ogenblik: hij werd er de nieuwe pachter. Dat zou uiteindelijk ook zijn dood worden want op 6 april 1719 vertelden de inwoners van Vivenkapelle elkaar het tragische nieuws: Rougier vanden Broele was verongelukt bij een val uit zijn korenwindmolen. Met hem verdween trouwens een van de laatste telgen uit dit voornaam molenaarsgeslacht vanden Broele dat zijn naam maakte in het noorden van onze provincie en vooral in het Brugse ommeland. Zoals gebruikelijk in die tijd, was PetronelIa twee maanden na het ongeval reeds hertrouwd met Jan Serlet en in 1725 zou ze zelfs nog een derde maal in het huwelijk treden. Pieter vanden Broele, een van de zonen uit haar eerste huwelijk, heeft nog een tijdje gemalen op een molen te Damme. Maar hoe het verder verliep in Vivenkapelle, daarover zwijgen voorlopig de bronnen weer in alle talen. 

In de negentiende eeuw was bakker Jan Van Kersschaever er de eigenaar en molenaar en hij woonde in het huisje vlak tegenover de molen. Jan was enkel eigenaar van de molen zelf. De grond waarop hij stond was volgens de oudste kadastergegevens eigendom van de Rumbeekse eigenaarsfamilie De Thiennes-De Draeck. In 1847 heeft Jan zijn molen overgelaten aan zijn drie kinderen Jean-Baptist, Pieter en Barbe. Blijkbaar heeft eerst Jean-Baptist de molen uitgebaat maar een jaartje later, in juli 1848 is de eigendom door de anderen verkocht aan Pierre Van Kersschaever-Stockman, die er ook de nieuwe molenaar werd. Hij bleef op de molen werken tot aan zijn dood in 1889. Toen ook vrouw Stockman in 1895 overleed werd de molen eigendom van hun kinderen Charles, Barbara, Theophiel, Camiel, Emma en Edmond, die gemeentesecretaris was in Sint-Kruis.

Een paar van hen gingen zich als bakker in het dorp vestigen en het was uiteindelijk een schoonzoon, Henri Van Haecke, die het molenbedrijf overnam en verder zette. Henri was als molenaarszoon in Beernem geboren op 6 mei 1866 en was gehuwd in Vivenkapelle met de dochter van de molenaar, Emma Van Kersschaever. Samen hadden ze acht kinderen, waarvan er op het einde van de twintigste eeuw nog een paar in leven waren, ondermeer Gerarda, die toen nog steeds het molenaarshuis aan de Vierschaarstraat bewoonde. Van de molen was er toen echter al zestig jaar geen sprake meer.

De Gazette van Brugge verschaft ons de details over een ongeval dat op de molen van Van Haecke gebeurde op 9 februari 1905. Een der kinderen van molenaar waagde zich te dicht bij het raderwerk terwijl de molen aan het werk was. Het ongelukkige kind werd door de wielen gevat en ingedraaid. Uiteraard werd het kind hierbij verschrikkelijk verminkt. Toen men er eindelijk in slaagde het slachtoffer te bevrijden had het reeds de geest gegeven. Steeds volgens de gegevens van de Gazette Van Brugge was de molen toen een staakmolen met open voet. een zadeldak. een olmen staak. een giet-ijzeren askop. een ijzeren geklink-nagelde binnenroede van de Firma Verhaeghe uit Ruddervoorde en een houten buitenroede.

De Van Haeckes zijn de laatste uitbaters van de molen geweest. Ondertussen werd de oude molenaar Henri. die ook voorzitter was van de plaatselijke kerkraad. op de molen reeds bijgestaan door zijn zoon Octaaf. De molen overleefde het oorlogsgeweld van de eerste wereldoorlog. maar werd stilaan toch wel een oud beestje. Op 14 januari 1938. kort voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. gebeurde dan wat eens moest gebeuren. Die zaterdag morgen woedde er een zware storm over de streek maar toch was de 29-jarige Octaaf aan het werk op de molen. Opeens is de molen krakend ingestort. Enkele dagen voordien had de Nederlandse molendeskundige I.J. Kramer uit Leidschendam de molen nog bezocht. Hij had vastgesteld dat de molenkast helemaal' scheluw' was en dat veel houtverbindingen los waren of met gebroken pennen zaten. Er werd nietemin erg hard mee gedraaid!

De oorzaak van de ramp was een breuk in de olmen staak door houtwormaantasting juist boven de zetel. Als bij wonder kwam Octaaf bijna ongedeerd van onder de logge massa te voorschijn. Hij had slechts enkele schrammen. Naast de molen stond een Onze Lieve Vrouwkapelletje dat eveneens door het neervallende gevaarte helemaal werd vernield. Maar als bij wonder kwam ook hier het Onze Lieve Vrouwbeeldje zelf. dat het interieur sierde. ongehavend uit de ramp

Gezien de zware kosten voor herstel en de sterk gewijzigde bedrijfsomstandigheden door de steeds verder ingrijpende mechanisatie, werd de Vivenmolen nooit heropgebouwd. ondanks het feit dat hij blijkbaar geklasseerd was. Vermoedelijk zal ook het uitbreken van de oorlog enkele maanden later roet in het eten gegooid hebben

Zelf had de molenaars-familie in alle geval het nodige geld niet om haar molen te laten herbouwen. tot grote spijt van de oude molenaar die dan reeds 55 jaar op zijn molen werkzaam was. Hij was door het geval zo getroffen dat hij zelfs weigerde het puin te verkopen. Hij had er nachten in doorgebracht en wilde liever het puin nog enkele maanden zien liggen. Samen met de molen van Lapscheure verdwenen aldus in de Zwinstreek twee waardevolle pittoreske monumenten uit hetzelfde tijdperk. En daarmee was Sint-Kruis ook zijn laatste molen kwijt".

Overgenomen uit: Curiosa, jg. 2004, 

molenhuis teViven

Molen van het Proossche

1550: "in sinte cruus, zuudtwest byder kercke, binder scependomme..
oost by de proosche muelen".


Protestantse molenaar te Sint-Kruis?

De godsdienstberoerten van het protestantisme in ons land, leidden tot de opstand van de Noordnederlandse provincien, waardoor in 1568 de Tachtigjarige oorlog begon tussen Noordnederland en Spanje,en die zou eindigen door het verdrag van Westfalen, gesloten in 1648,waarbij de onafhankelijkheid van Noordnederland door Spanje werd erkend.

Van 1578 tot 1584 was de stad Brugge in handen van de Calvinisten,die het grootste deel van het graafschap beheersten. In 1584 ging Brugge en het grootste deel van Vlaanderen terug over naar de dominatie van de Spaanse koning en tot het katoliek geloof.

In 1585, door de inname van Antwerpen door de Spaanse troepen, was in feite de scheiding voltrokken tussen de Noordnederlandse en de Belgische provinciën. Oostende bleef bezet door de Noordnederlanders en ging in 1603, na een driejarige belegering terug over naar Spanje.De Noordnederlanders namen in 1604 definitief de stad Sluis in, zodat de vijand om zo te zeggen dicht bij de Brugse stadspoorten lag. In juni 1631 poogde Frederik van Nassau, prins van Oranje,Brugge te overvallen vanuit Sluis, maar Jan van Nassau,in dienst van Spanje, kwam het Brugs garnizoen ter hulp,zodat de aanvallers naar Sluis moesten terugkeren. Daaraan herinnert het halfverheven beeldhouwwerk van het nu onlangs hertselde huis De Mortier in de Wollestraat te Brugge, op de hoek van de Kartuizerinnenstraat.

Sedert het terugkeren van Brugge onder het gezag van Spanje, en naar de katolieke godsdienst,werd in de Zuidelijke Nederlanden een oog in 't zeil gehouden om verkapte protestanten, collaborateurs en sympathisanten ven de protestantse Noordnederlanders te ontmaskeren.

Een die er aan moest geloven was de molenaar die woonde buiten de Kruispoort,onder de parochie St-Kruis, maar nog binnen de Brugse paallanden.Hij werd verdacht van sympathie voor de geuzen en werd uitgewezen.
In juni 1631,wanneer de Noordnederlandse troepen Brugge naderden, had hij verklaard:"Ick sie liever wayen Oraignie als Bourgoignie" Waardoor hij zijn voorkeur te kennen gaf voor de protestantse Noordnederlanders, aangevoerd door de prins van Oranje,en niet voor de nationale troepen die onder het gezag stonden van de opvolgers van de hertogen van Boergondie, namelijk ven de koning van Spanje.
Zijn naam was Cornille Antoine ANSSENS, geboren te Gilze,in Noordbrabant, ten westen. van Tilburg. Hij verbleef sedert 17 jaar "au quartier de Bruges, pays de contribution",t.t.z. hij woonde buiten de stad in een niet omwald gebied, dat onder bedreiging van brandstichting, oorlogsbelastingen moest betalen te Sluis aan de Noordnederlanders.Volgens zijn verzoekschrift aan de koning oefende hij het beroep van molenaar uit. Door zijn ouders werd hij opgevoed in de katolieke godsdienst.Sedert zijn huwelijk pachtte hij de molen van Sint-Kruis en maakte deel uit van de eed van de Brugse molenaarsgilde.Buiten zijn beroep hield hij zich met niets bezig.Door kwaadwilligen word hij beschuldigd betrekkingen met de vijand te onderhouden. Hij werd voor de Brugse schepenen gedaagd,die hem bevel gaven in het binnenland te gaan wonen op zes mijl van de stad Brugge.
Maar de molenaar,overtuigd van zijn onschuld, vluchtte in het Brugse klooster van de Kartuizers, nu de kazern in de Langestraat, waar hij genoot van het kerkelijk asylrecht en aldaar niet kon aangehouden worden door de burgerlijke overheid.
Van daaruit stuurde hij een verzoekschrift aan de koning van Spanje om zijn zaak te laten onderzoeken door de bisschop ven Brugge, die meer bevoegd was dan de stedelijke magistraat, daar het hier ging om verdenking van ketterij. In afwachting van het afsluiten van het bisschoppelijk onderzoek, vroeg hij aan de koning"lettres de sècurité de corps" of sauvegerdebrieven,om voorlopig te mogen blijven wonen te Sint-Kruis.
De Geheime Raad te Brussel zond op 16 maart 1632 dit verzoekschrift naer de bisschop van Brugge, die het ontving op 30 maart.
Op 6 mei 1632 werden de twee pastoors van Sint-Kruis ontboden op het bisschoppelijk paleis. De parochie van Sint-Kruis telde toen twee kerken, de ene buiten de stad te Sint-Kruis en een hulpkerk binnen de stad, die later de Brugse Brugse St Annaparochie zou worden.Beide pastoors deden beurtelings een week dienst in de hoofdkerk (Sint-Kruis) en in de hulpkerk (St Anne).
Op het bisschoppelijk paleis werd ieder van beide pastoors ondervraagd, na gezworen te hebben"met de rechterhand op de borst", dat zij de waarheid zouden zeggen. Zij waren reeds ondervraagd door de officiaal of kerkelijke rechter.
Magister Judocus de Tanquere, 50 jaar, kende de molenaar van buiten de Kruispoort als een van zijn parochianen.Onder het volk was hij gekend als Cornelius de Muelenaere.Hij was ook nog gekend als Cornelis de Geus.Waarschijnlijk kreeg hij deze naam" om zijn verdachte tong en zijn lichtzinnige daden. "De pastoor zelf had nooit iets verdachts van hem gehoord, dat hij in geweten had moeten mededelen aan zijn oversten.De pastoor wist echter niet dat in de maand juni 1631, wanneer de belegering van Brugge door de prins van Oranje zou beginnen, Cornelis gezegd had:"Ick sie liever wayen Oraignie als Bourgoignie!". Hij had ook nooit geen ketterse boeken gevonden in het huis van de molenaar.Deze laatste gaf hem eens een.gedrukt Engels boekje, door een Engelsman alaaar achtergelaten, en dat scheen nota’s te bevatten over de psalmen. De pastoor scheurde het terstond en wierp het in het vuur. Hij had de molenaur ook nooit persoonlijk gevraagd naar zijn opinie over de dogma's van de katolieke kerk. Alleen wanneer de molenaar te biecht kwam werd daarover gesproken en nooit oordeelde de pastoor het nodig de man afzonderlijk daarover te ondervragen.Wat de kennis van de catechismus bij de kinderen van de molenaar betreft, het oudste kind was slechts vijf of zes jaar oud.De pastoor kwam er eens aan huis toen de vrouw bezig was aan de kinderen de gebeden te leren.De molenaar woonde nu reeds zeven jaar te Sint-Kruis.Hij naderde regelmatig tot de sakramenten, hield zijn Pasen en kwam op zon-en feestdagen naer de mis zoals de andere parochianen. De andere pastoor Magister Egidius Storme,50 jaar,werd ook ondervraagd over de molenaar.Aan deze laatste had hij eens gezegd dat hij zich niet moest laten noemen Cornelis de Geus; als pastoor wilde hij geen parochianen van dit soort.
Een Kartuizer, die stamde uit de omgeving van Gilze in Noord-brabant, had aan de pastoor verzekerd dat de molenaar stamde van goede katolieke ouders.Hij ging als pastoor aldaar regelmatig op bezoek,maar zocht er nooit naer ketterse boeken. Hij ondervroeg de molenaar nooit over de dogma's van het katoliek geloof. Deze leaatste kwam regelmatig met de andere parochianen naar de kerk en naderde er tot de sakramenten, zoals de anderen.
 
Hoe de zaak verder is afgelopen staat niet vermeld in het dossier.

Jos De Smet, Brugs Ommeland, 1965, 151-155.

Molen van de Spycker

In 1497 "metten zuythende daeran streckende, metten zuudthende anden heerwech daer een muelenwal in licht, gheheeten spyckers muelenwal, metten westsyde anden pypwech". 

De Berghemolen

Oliemuelen ghenaemt de Berghmuelen staende buyten der Cruyspoorte, in de prochie van sinte Cruys by tgalghestick"(1580) (Zestendelen 327)

Een molen op cijnsgrond buiten de Kruispoort; oost van de kerk van St-Kruis. "up de berghen ghenaempt niet verre van 't Smulleken".

De familienaam Cattoor vonden wij voor het eerst in het "Registre van huysen, muelens, erfve ende landt ghestaen ende ghelegen buyten de stade van Brugghe, binnen de paele ende schependomme van diere, tusschen de Speypoorte ofte Damsche poorte ende de Cruyspoorte, te weten tusschen de Damsche vaert ende den Aerdenburgschen heerwech (d.i. de huidige Moerkerke steenweg), ghemaect ende ter Halle ghepublieert den 21° van novembre 1579 Op bladzijde 9 lezen wij: een coornewyntmuelen metten walle staende buyten de Cruyspoorte deser stede, bi der paele van schependomme van diere, pertinent Lieven Cattoir.

De 17e juni 1619 bezetten deze Lieven Cattoir en zijn echtgenote Joryne Vassemoet, op deze molen die zij nieuwe hebben ghedaen maecken, een rente van 6 sch. 8 gr. sjaers, ten profyte van het ambocht van de muelenaers van Brugge: mits dat deze laatsten toestonden "vrij te maelene alle de graene die van buyter paele t'zijnder muelen zijn commende ende deselve vermoghen te gheriefen met multere (5) in plaetse van graen zonder dat hij (de molenaar) zal vermoghen 'tselve te doen van eenighe inwonende van deser stede, noch oock te haelene ofte doen haelene eenich graen van poorters van dese stede, up peyne van wat door de keuren voorzien is, maer indien eenighe van de voorn. poorters lyberlick quaemen met behoorlicken teecken, de molen vermach deselve wel te maelene". Lieven Cattoir ondertekent deze akte van bezetting met de afbeelding van het molenijzer. Deze molen werd opgericht op t Galghevelt, west van de herberghe 't Smulleken".
In 1625 koopt hij een molenwal te Koolkerke en hierop bouwt hij de molen van 't Galghevelt, die door tempeest ende storm was omgewaaid.

René De Keyser in Rond de Poldertorens

Jan Rotsaert in Brugs Ommeland 

Dorpsmolen of molen Debruyne

De Molen Debruyne was een houten graan- staakwindmolen met twee zolders die stond op het terrein, ter hoogte van de huidige basisschool in de Leopold Debruynestraat 56, langs de vroegere aardeweg.

Het draaiende werk van de molen, die toebehoorde aan Pieter de Clerc, werd in 1779 geschat op £60-11-10. Aldus waren er soms drie eigenaars  in één molen; de eigenaar van de grond, de eigenaar  van de vaste delen en de eigenaar van het draaiend werk
Sebastiaen De Maere kocht de molen in 1786 van Anna Clara Biebuyck, weduwe Pieter De Clercq.De molen werd beschreven als "eenen wel-gekallanten Koorn-Wind-Molen en Bakkerye... ter Prochie van S. Kruys by Brugge, gebruykt by Cornelis Verhuyst ten 42 pond gr. 's jaers. Einde van de nog lopende pacht op 30 april 1787. De wettelijke passering van de koop vermeldde dat voor de bouw van de molen een octrooi verkregen werd in 1692. De Maere kan zijn financiële verplichtingen echter niet nakomen en in 1791 werd de molen gerechterlijk verkocht. Op de openbare verkoop kwam echter geen enkele koper opdagen en de schuldeisers kochten uiteindelijk zelf de molen. In 1792 werd Pieter De Bruyne uit Beernem de nieuwe eigenaar. Hij kwam in aanvaring met de pachter, Martinus Caeckaert, die weigerde te vertrekken omdat De Bruyne hem de draaiende werken van de molen niet wilde terugbetalen. De Bruyne spande een proces in maar werd in het ongelijk gesteld. Martinus Caeckaert verliet daarna de molen en ging werken op de Veldmolen te Sijsele.

De molen bleef in de familie: Pieter, gehuwd met Isabella Clara Vandenbroucke, werd op de molen opgevolgd door zijn zoon Robert, die trouwde met Isabella Clara Timmerman. Robert De Bruyne verzette zich in 1853 tegen het afsluiten van de Schaakwegel
De volgende generatie op de molen was hun zoon Leopold Debruyne (1843-1912), die trouwde met Clemence Sophie De Schepper. Leopold was tevens een vooraanstaand inwoner van Sint-Kruis. Molenaar Leopold Debruyne liet in 1905 aan de Schaakstraat 93 een vrijstaand molenaarshuis bouwen, naar een ontwerp van architect Walter Van Robays uit Sint-Kruis. Naast het woonhuis vroeg hij ook een vergunning tot het bouwen van een maalderij, stallingen, een wagenhuis, bakhuis en winkel aan. Dakkapel met verzorgd houtsnijwerk en met datum "1905" en initialen "L B". Dit dubbelhuis van twee bouwlagen in verankerde rode baksteen is opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed. Leopold werd opgevolgd door zijn zoon Leon Joseph Albert, getrouwd met Bertha Augusta Maria Viane.
André De Bruyne zou de laatste bewoner van het molenaarshuis zijn geweest.
De staakmolen werd in 1922 gesloopt.
Een halve molensteen van deze molen bevindt zich aan de inrit van het huis  Aardenburgseweg 50, vroeger bewoond door André Vermeulen.

Reyedyckmolen

Processen over molens zonder octrooi.

De watergraaf-Moermeester van Vlaanderen, verantwoordelijk voor het toezicht op de wind- en watermolens, moest bijna ononderbroeken optreden tegen molenaars die zinder vortelijk octrooi molens oprictten en/of de maalbestemming van bestaande molens wijzigden. Hiervan een paar voorbeelden uit de jaren 1560 ( zowat 20 jaar na het keizerlijk placaat van Karel V uit 1747 op de algemene octrooiverplichting.

In  een akte op perkament dd 21.08.1594 maakt de watergraaf, Messire Robrecht du Celier, melding van de volgende overtreding. Hij stelt dat het aan niemand, die  geen vrije  maalderij bezit, "gheoorloft en es eenighe muelene te ghebruijcken zonder alvooren van zijne Majesteijt dies gheauctoriseert  verworfven thebben behoorlicke letteren van octrye daertoe dienende, up peine van dezelfde muelene te moeten afbreken tzijnen coste ende te verbeuren de boete van 20 carolus guldenen". Desniettegenstaande heeft de watergraaf vastgesteld dat ene Olivier Meersman tegenwoordig en korenwindmolen gebruikt " upden dyck vanden oude Sweene" binnen Koolkerke en bovendien nog een andere windmolen, staande binnen de parochie van Sint-Kruis "upden dyck vander Reye talfweghe tusschen de steden van Brugghe ende Damme". Deze laatste molen was "eertyts vuytghegheven om olie te slaene"? Van deze beide molens maakt Meersman gebruik om te "malen allerande sorte van graene tzynen beliefte, al zonder behoorlick octroy, contrarie de voors. ordaonnanten ende grootelickx on precudicie (ten nadele) van zyne Majesteyts Regale Rechten". De watergraaf eist dat de molen in Koolkerke zou worden "afghebroken ende geweert te zynen koste" en dat de molen van Sint Kruis alleen nog zou gebruikt worden om oliete slaan; de boete moet tweemaal 20 carolusgulden bedragen. Bij weigering van Olivier Meersman wil de watergreef " de Ryne ofte muelenyser van tusschen de steenen" wegnemen en de beide molens "toezeghelen".

Bij vonnis van de Raad van Vlaanderen dd 18.05.1565 wordt de verweerder, Meersman, verplicht het Hof te informeren nopens het tijdstip van oprichting van de molen te Koolkerke.
Het eindvonnis van de Raad van Vlaanderen is bevat in een andere akte op perkament dd 16.07.1565. Daarin is o.m. ook de verdediging opgenomen die de aangeklaagde inbrengt. Olivier Meersman stelt dat "de wyntmeulene te Coolkercke ghemaect ende ghestaen hadde gter plaetse daer die nu staet langhe voor tjaert xLvij, ende alsoo voor de date van ordonnancie prohibitive.
Hij zegt dat "de zelve muelene ghestelt was up eene oudere muelewal aldaer eeneghe jaeren ghestaen hebbende". En in verband met de molen in Sint-Kruis verklaart hij dat die is "gheerigiert ende ghestaen [heeft] over de jaeren xxv (dus opgericht rond 1540) en dat de is "van deen handt in dandere bij succesieve vercoopinghen ghebrocht ende cintinuelijck verpacht tallen oirbare soo wel om stampen als om malen". Ten slotte verklaart hij ook dat zijn "voorsaeten int jaer 1539 den wint [haden] uytghenomen vanden Commisen vande Majesteyt zo dat tcause vane erectie vander selver muelene niet mesdaen en conste wesen".

Daarop valt dan twee maanden later (op 16 juli 1565) de eindbeslissing:
- Met de molen te Koolkerke mag Meersman "maelen allerande graen midts betalende in recognoissance ten behoeve vande Majesteit [...] de somme van 3 scellynghen 4 penninghen grooten bij jaere". En bovendien moet hij aan de watergraaf betalen voor de "verachterhede vandiere sichtent den jaere 1540".
- In verband met de "stampmuelene" te Sint-Kruis wordt Meersman veroordeeld daarmee geen graan meer te malen 'te dien fijne worden de steenen daerinne gheleyt (stilgelegd). Hij wordt bovendien veroordeeld tot een boete van 20 gulden, verhoogd met de proceskosten.

RAG, Archief Oudburg Gent , nr 2392.  Dit dossier betreft een betwist optreden van de watergraaf in de periode 1660-1685 ivm in beslagname van handkeernen, maar het bevat ook een aantal 16-eeuwse retroacta, waaronder de beide die hier behandeld werden. 
P. Huys in Molenecho's, 2001