Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Thomas Becket

THOMAS BECKET TE MALE
Haec Olim, jaarboek Oud-leerlingen St.Lodewijkscollege Brugge 1970
 

In het wintertij van 1170, in de vroege namiddag van 29 december, werd Thomas Becket vermoord in zijn katedraal van Canterbury (Kantelberg) (1). De 52-jarige aartsbisschop was nauwelijks drie weken terug uit een ballingschap, die hem van november 1164 tot december 1170 op Franse bodem hield (2).
Weinig heiligen vonden onder hun tijdgenoten zoveel biografen als Thomas Becket. Van de 11 biografen waren er dan nog 4 ooggetuigen van de moord in de katedraal (3).
De meest waardevolle levensbeschrijvingen zijn van de hand van William Fitzstephen en Herbert van Bosham, twee klerken van de aartsbisschop (4). De Vitae en de brieven van Becket vullen 7 delen van de Rolls Series (5) en werden tendele overgenomen in de Patrologia Latina van J. P. Migne (6).
Dit jaar viert men dus het achtste eeuwfeest sinds zijn dood. Over de beroemde aartsbisschop van Kantelberg werd zeer veel geschreven (10). Toch hebben de historici slechts matige belangstelling getoond voor Thomas Becket in ballingschap. over zijn tweejarig verblijf in de Cisterciënserabdij van Pontigny is nog niets kritisch geschreven (8). De vier jaren die hij daarop doorbrengt bij de Benedictinessen van Sens trokken al evenmin veel aandacht. Zijn verblijf in Vlaanderen wordt door Engelse geschiedschrijvers slechts even gememoreerd. Nu wil een taaie traditie dat de heilige Thomas Becket nogal enkele plaatsen in Vlaanderen met een bezoek vereerd heeft. Oude kronieken vermelden zijn onthaal bij de graaf van Vlaanderen, in het kasteel te Male, zijn oponthoud in het kasteel van Tillegem, en zijn kortstondig verblijf in Diksmuide. Verder bewaarde men in de Duinenabdij te Koksijde (9), en in de Eeckhoutabdij te Brugge (10), waardevolle relieken van Thomas Becket. Te Doornik kan men nu nog een kazuifel bewonderen, die eens aan de aartsbisschop zou hebben toebehoord (11).

Waar en wanneer verbleef Thomas Becket in Vlaanderen? Op deze vraag hebben wij in deze bladzijden gepoogd een antwoord te geven. Mogen wij wel onderschrijven hetgeen de zusters van de St. Trudoabdij te Male in hun nieuwe folder beweren: "In 1166 werd de herbouwde burchtkerk ingewijd door Sint Thomas, aartsbischop van Kantelberg, die om aan de vervolging van Hendrik Il van Engeland te ontkomen, als balling in Vlaanderen verbleef (12) Lang vóór de vlijtige chronista van de St. Trudoabdij schreef M. Kervyn de Lettenhove ook reeds in die zin (13). De Bruggeling N. Despars dateert het bezoek van Becket aan Male in 1170 (14). Dit leest men ook in een ernstige studie van de Duitse historicus J. Johnen (15), onlangs geloofd door Prof. Van Werveke als: "een belangrijke mijlpaal voor de kennis van Filips van de Elzas' leven en loopbaan" (16). Geen enkele van deze auteurs verwijst naar een oudere bron. Dit is trouwens ook het geval met de 17e eeuwse geschiedschrijver, I. Malbrancq (17), en met de bekende 16e  eeuwse Vlaamse historiograaf Jacob de Meyere of Meyerus. Deze laatste schrijft in zijn Commentarii sive Annales rerurn Flandricarum : "Thomas Cantuarimsis apud Philippum Comitem in magna fuit dignatione et honore. Dedicavit Flandri comitis sacellum apud Maleam prope Brugas" (18). De Meyere geeft dus geen jaartal op. Waar haalt hij dan zijn bewering vandaan? Men zal zich herinneren dat deze Blankenbergse pastoor de legende van de overbrenging van het H.Bloed naar Brugge mede verspreid heeft (19). Toch moet men nog naar de 14e  eeuw terug om de oudste vermelding te vinden van het bezoek van Thomas Becket aan Filips van de Elzas te Male, en van de wijding van diens slotkapel. Het is immers Jan van Ieper of Iperius, abt van Sint-Bertijns van 1363 tot 1383, die het eerst gewaagt van dit bezoek (20).
Nu is abt Jan een heel onbetrouwbare gids. Zijn kroniek van het klooster, het Chronicon Sancti Bertini, waarin hij bij het jaar 1170 het verblijf noteert van Becket te Male, is een aaneenschakeling van foutieve lezingen.vergissingen en slecht gefundeerde tradities (21). In verband met de reliek van het H. Bloed werd hij door Dom Huyghebaert op meer dan één vervalsing betrapt (22). Naast Dom Huyghebaert, hadden de Maurist Brial (23), J. Johnen (24) en de Bollandist J. Van der Straeten (25) reeds bewezen dat Iperius de meest ongelooflijke legenden uitgevonden heeft. Uit bijna alle legenden treedt het grafelijk huis van Vlaanderen schitterend naar voor. Iperius' eerbied voor de dynastie van de graven van Vlaanderen is bijzonder groot. Het is klaar dat hij de regerende graaf, Lodewijk van Male, hiermee goede diensten bewijst. Door de legenden van het H. Bloed en van Thomas Becket's verblijf op het kasteel te Male, wint de graaf aan gezag en invloed bij het volk, en gaat hij tevens door als een voorman van de Kerk.
Wij weten dat Iperius bij het opstellen van zijn Chronicon over twee kronieken beschikte uit de 12e  eeuw, zeer betrouwbare teksten, die gelukkig bewaard zijn gebleven. De eerste kroniek is bekend onder de naam "Gesta" van Simon van Gent", de tweede is een anonieme voortzetting daarvan (26). Welnu, de Anonymus schrijft in een 14e  hoofdstuk: "over de wijze waarop Thomas, aartsbisschop van Kantelberg, in de abdij St. Bertijns ontvangen werd" (27). In een betrekkelijk korte paragraaf wordt daarin gesproken over de landing, de aankomst te Clairmarais, het driedaags verblijf in een ermitage, en uiteindelijk hoe abt Godescalc van St. Bertijns de eerbiedwaardige vluchteling gastvrijheid verleent. Na enkele dagen (paucis transactis diebus) vertrekt Thomas naar Frankrijk. Na zeven jaar keert hij, met een bedriegelijke vrede, naar Engeland terug, waar hij in zijn eigen katedraal, voor het altaar vermoord wordt in 1170.
Wat doet de handige Iperius nu met die sobere 12e  eeuwse tekst? Hij voegt er aan toe, en dit meer dan 200 jaar na de feiten, dat Filips, graaf van Vlaanderen, Thomas Becket tot in Engeland begeleidde, nadat de heilige aartsbisschop eerst de kapel te Male had ingewijd (28).
Wij hebben reeds aangestipt dat Iperius niet van zijn eerste legende is gestorven. De autenticiteit van zijn verhalen is niet onaantastbaar. Dat hij zeer goed bevriend was met Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen, komt duidelijk tot uiting in de studie van Dom Huyghebaert (29). In het licht van deze gegevens is het niet moeilijk om te besluiten dat Iperius, omwille van zijn relaties met het grafelijk huis, en uit meer dan gewone belangstelling voor wonderlijke verhalen, de legende in het leven roept van de inzegening van de burchtkapel van Male door Thomas Becket.
Wat zeggen de 12e eeuwse Vitae van Thomas Becket ons in dit verband? Van zijn biografen hebben Jan van Salisbury, William FitzStephen en zijn sekretaris Herbert van Bosham de hele ballingschap mee ondergaen. Zij zijn met hem op 2 november 1164 te Oye bij Gravelingen geland en keerden op 1 of 2 december 1170 met hem terug naar Canterbury. Eén van hen, de fijnzinnige humanist Jan van Salisbury heeft een onderhoud gehad met Filips van de Elzas over de verhouding Becket-Hendrik II van Englfand (30). Waarom zou Jan van Salisbury dan zwijgen over de kapelwijding te Male, temeer daar hij een bekende is van de graaf ?
William FitzStephen zegt alleen dat Becket met passend medelijden en eerbied door graaf Filips een geleide werd gegeven om naar de koning van Frankrijk te reizen (31).
Herbert van Bosham schrijft een veel uitvoeriger relaas (32) Van bij zijn aankomst schuwt Becket graaf Filips, omwille van diens relaties met de Koning van Engeland, en staat hij evenzeer argwanend tegenover Matheus, graaf van Boulogne, en broeder van Filips van de Elzas. Als kanselier immers had Becket zich verzet tegen het huwelijk van Matheus met de uitgetreden abdis van Ramsey, een politiek manoeuvre van Diederik van de Elzas, die het Vlaams gezag in Boulogne wou doen overheersen (33). Daarom wil Becket zich niet lang ophouden in Vlaanderen. Hij reist eerst naar Clairmarais, verbergt zich 's anderendaags in een vroegere kluis van Sint-Bertinus en komt na drie dagen terecht in de abdij van St. Bertijns, waar hij door abt Godescalc en het hele konvent goed ontvangen wordt. Zijn verblijf is dan al even kort (paucos ibi faciens dies). In de nacht vertrekt hij naar Soissons, vergezeld door Milo, de bisschop van Terwaan (34), en door Godescalc, abt van Sint-Bertijns.
Men kan uit het verhaal van Herbert maar moeilijk besluiten dat Becket door graaf Filips en diens kanselier Robrecht van Aire allerhartelijkst onthaald werd (35). Hij houdt zich op drie verschillende plaatsen schuil, en kiest bij voorkeur de nacht om uit Vlaanderen weg te trekken.
Een andere biograaf van Becket, die gewoonlijk Roger van Pontigny genoemd wordt, voegt hieraan enkele détails toe (36). Bijna gelijktijdig met Becket landt te Gravelingen Richard van Luci, de gezant van de Koning van Engeland (37). Hij moet Filips en de koning van Frankrijk inlichten over het "verraad" van de primaat van Engeland. Daarom stuurt Becket twee abten naar Filips om een vrijgeleide te vragen (38). Hierop antwoordt de graaf van Vlaanderen dat hij bedenktijd vraagt. Becket wantrouwt dit voorzichtig antwoord, en vlucht zo spoedig mogelijk naar Frankrijk, om aan de bedreigingen van Filips te ontsnappen (tali itaque modo Flandrensis comitis minas evasit).
De allervroegste bronnen tekenen ons dus een zeer argwanende houding van de aartsbisschop van Canterbury ten overstaan van zijn gastheer Filips van de Elzas. Hij weet Filips te veel beschermeling van Engeland, en voelt zich daarom bedreigd op Vlaamse bodem. Ook vreest. hij een represaille vanwege de graaf van Boulogne, die hij eertijds openlijk aangeklaagd heeft bij paus en koning. Becket is blij zo haastig mogelijk naar Soissons door te kunnen reizen. In de bisschop van Terwaan en de abt van Sint-Bertijns vindt hij waardevolle reisgezellen. Dit alles speelt zich af in 1164. Er kan werkelijk geen spraak zijn van een bezoek aan Vlaamse steden of burchten. Van 1164 tot eind 1170 blijft Becket in Frankrijk. Door de koning van Engeland gedwongen, verlaat Becket de abdij van Pontigny in 1166. Hij neemt dan zijn intrek in de abdij Sainte-Colombe te Sens tot zijn definitieve terugkeer naar Engeland. Het staat wel vast dat hij in Frankrijk enkele steden bezocht, o.a. Vézelay en la Ferté-Bernard. Maar hij kan onmogelijk in 1166 de burchtkerk van Male ingewijd hebben.
Als enige mogelijkheid zou dan nog open blijven dat hij die wijding voltrok in 1170, toen hij door een gedeelte van Vlaanderen reisde om in te schepen in de kleine haven van Witsant, in het graafschap Boulogne. Maar dit feit wordt niet vermeld, noch in de eigentijdse kronieken van Sint-Bertijns, nog in de levensbeschrijving van Becket. Na het feest van Sint Andreas (30 november) maakt Thomas zich, weeral 's nachts, klaar voor de overvaart. Iperius beweert dat Filips van de Elzas de overtocht meemaakte. Uit de teksten blijkt dat Becket slechts met enkele getrouwen, niet naar Dover - omdat oproermakers hem daar afwachtten- maar naar de haven Sandwich koers zet.
Toch zijn er kontakten geweest tussen Thomas Becket en graaf Filips. Op verzoek van Hendrik II brengt Filips de aartsbisschop van Canterbury naar la Ferté, in juli 1168, voor een nieuwe verzoeningspoging (39). Tussen Filips en Becket is er nooit rechtstreeks enige briefwisseling ontstaan. De naam van Filips komt niet voor in de omvangrijke briefverzameling (niet minder dan 808 stukken) die door Robertson als dienstig materiaal voor de geschiedenis van Thomas Becket bijeengelezen werd (40). Wel schrijft Becket twee brieven aan de kanselier van Filips, de invloedrijke Robrecht van Aire (41). In één van die brieven wordt Robrecht door Becket -met niet weinig overdrijving- de "enige vriend" genoemd die hem" in de nood is trouw gebleven" (42).
In 1165 schrijft Paus Alexander III, die ook als balling in Frankrijk leeft, naar Filips van de Elzas een aanbeveling om Becket te beschermen, waarop de graaf antwoordt dat hij zal ijveren om de vrede te bewerken tussen aartsbisschop Thomas en de koning van Engeland (43).
In een brief aan Alexander III schrijft Becket terloops over Filips: "de graaf onderscheidt zich niet alleen door zijn luisterrijke afstamming, maar. ook, wat meer is, door zielenadel, door de handhaving van vrede en recht, door zijn krijgsroem, door de omvang van zijn landsheerlijkheid en door zijn overvloedige rijkdommen". "Filips beteugelt de misdrijven", zegt Becket, met de volle gestrengheid van zijn rechtspraak, maar hij heerst zachtmoedig en gematigd over hen die het recht eerbiedigen, hij eert de Kerk en beschermt haar". En verder: "Zijn onderdanen vervolgt hij niet, noch zoekt hij in zijn rechtspraak naar voorwendsels om de armen uit te zuigen of om de rijken van hun schatten te beroven" (44).
Deze brieffragmenten zijn onverdeeld gunstig voor Filips. Zij werden geschreven in 1169, toen de ballingschap ten einde liep. Toch is deze briefstijl karakteristiek voor de tijd. Woorden als "luisterrijke afstamming. zielenadel, handhaving van vrede en recht, krijgsroem" komen regelmatig terug in brieven aan vorsten en gezaghebbende personen. Zij worden aangeleerd bij de kunst van het briefschrijven. (45). Men mag deze uitdrukkingen niet zien als een persoonlijk getuigenis van Becket over de hem mogelijks bekende levenswijze van graaf Filips (45a).
Feit is toch dat de strakke houding van Filips ten overstaan van Becket evolueerde naar een open kontakt met de aartsbisschop. Veel later ontstaat dan een formele vijandschap tussen Filips en de koning van Engeland (46). Maar Thomas Becket was al van het strijdtoneel verdwenen.
De legende dat Thomas Becket eens in een holle boom ging schuilen in het bos van Tillegem (Sint-Michiels] gaat slechts terug tot de 17° eeuw. Zij werd verspreid door de anders verdienstelijke bibliograaf Sanderus in zijn beroemd werk Flandria illustrata (47). Sanderus verwijst naar geen enkele bron voor deze legende, en begint zijn wonderlijk verhaal met het magisch woord: "fertur", of "men zegt"... Ook in Tillegem zou Becket een kapel gewijd hebben, en zouden, in Sanderus' tijd, nog gewaden bewaard zijn die de heilige heeft gebruikt voor de eredienst.
De bronnen leren ons dat Becket in november 1164 iets meer dan een week vertoeft in het graafschap Boulogne, dat onder de rechtsmacht valt van de graaf van Vlaanderen, toen Filips van de Elzas. De graaf Filips durft niet onmiddellijk stelling nemen in het "geval" Becket-Hendrik II, en wekt daardoor het wantrouwen op van Thomas Becket, die 's nachts naar Frankrijk doorreist. De houding van Filips wordt met de jaren soepeler, en hij strijdt openlijk voor een verzoening tussen Becket en de koning van Engeland. Over het itinerarium of de reis route die Becket volgde, toen hij, in november 1170, Sens naar de haven Witsant in Boulogne trok, is niets bekend. Was het uit wantrouwen dat hij ook de nacht verkiest om vanuit Vlaanderen in te schepen naar Engeland?
Het is abt Iperius, die in de 14° eeuw voor het eerst schrijft over de kapelwijding te Male door Thomas Becket. Dit stimuleert Sanderus nog drie eeuwen later, om even te gewagen van eenzelfde wijding te Tillegem.
Men is geneigd om aan de spreuk habent sua fata libelli het woord bij te voegen et sancti. Ook heiligen beleven geheimnisvolle wederwaardigheden. Misschien nog het meest na hun dood. Tot vrome stichting van voorbije generaties, en soms tot ongenoegen van de moderne mens, die de 'legende niet meer verkiest boven het autentiek gebeuren.
Steenbrugge, Anselm Hoste

(1) Wegens de grote toeloop van middeleeuwse pelgrims uit onze streken, kreeg de stad een Vlaamse benaming. Sinds de 14e eeuw werd Kantelberg nog meer beroemd door het werk van G. CHAUCER, De vertellingen van de pelgrims naar Kantelberg, Spectrum-Utrecht, 1969, 566 blz. De Nobelprijswinnaar T.S. Eliot dichtte een volksdrama op Becket's dood, Murder in the Cathedral (Moord in de kathedraal. Uit het Engels vertaald door A.F. Kern, Brugge, 1948, 88 blz.).
(2) Voor de algemene bibliografie over het leven van Becket, zie nota (7). Hier leze men L. HALPHEN, Les Entrevues des Rois Louis VlII et Henri II durant l'exil de Thomas Becket en France, in Mélanges d'histoire offerts à M.Ch. Bémont, Paris, 1913, p. 151-162. Overgenomen in ID., A travers l'histoire du Moyen Age, Paris, 1950, p. 162-171.
(3) De uitgaven van de biografiëen worden geciteerd in nota (5). De 4 ooggetuigen waren: E. Grim, Jan van Salisbury, William Fitzstephen en Herbert van Bosham. Alleen Edward Grim bracht de moed op Thomas Becket te beschermen.
(4) Over Herbert van Bosham schreef de Bollandist P. Grosjean : "le compagnon fidèle par excellence, le témoin de tous les jours et le narrateur le moins soucieux de brièveté, in Analecta Bollandiana, 70 (1952), p. 223-226.
(5) J.C. ROBERTSON, Materials for the History of Thomas Becket, Archbishop of Canterbury, London, 1875 (Rolls Series 67), 7 din.
(6) P.L. 190 (1893), c. 1-740.
(7) De bibliografie over Becket werd, tot 1942, bijeengebracht door R. FOREVILLE,
L'eglise et la Royauté en Angleterre sous Henri II Plantagenet, Paris, 1942, 612 blz. 
Een goede bibliografie vindt men ook in Vies des Saints et des Bienheureux, par les Bénédictins de Paris, dl 12, Paris, 1956, p. 776-788. Onder de recente literatuur leze men de fijne studie. van D. KNowles, Archbishop Thomas Becket : a character Study, in The Historian and Character, Cambridge, 1963, p. 98-128. Voor de iconografie raadplege men H. FARMER-M.C. CELLETTI, Tommaso Becket, in Bibliotheca Sanctorum,- dl 12, Roma, 1969, c. 598-605.
(8) De gegevens over Becket's verblijf in deze bloeiende abdij zijn eerder schaars. Sommige teksten doen veronderstellen dat hij daar als monnik leefde, terwijl andere teksten laten aanvoelen dat Becket gesmeekt wordt om niet zo luxueus te leven in de abdij. Vanuit Frankrijk neemt Becket 35 handschriften mee, die hij aan de Benediktijnen geeft van Christ Church te Canterbury (waarvan hij abt is). Men neemt aan dat de meeste handschriften uit Pontigny afkomstig zijn. Zie C.D. DODWELL, The Canterbury School of Illumination, Cambridge, 1954, 130 blz. + 72 platen. Vooral p. 107-108.

(9) Als relieken van Becket bewaarde men in de Duinenabdij een kazuifel, en zelfs een kovel en habijt. Misschien zijn deze laatste afkomstig van de Cisterciënserabdij van Pontigny, waar Thomas gedurende twee jaar het witte habijt van Citeaux droeg? Zie A. VAN ITERSON, Een Memorieboek van D. Antonius de Blende, abt van Ter Duinen, in Citeaux in de Nederlanden, 2 (1951), p. 90.
(10)  "In de Eeckhoutabdij bewaarde men robijnen, waarvan men beweerde dat zij eens aan Sint Thomas hadden toebehoord" schrijft N. HUYGHEBAERT, In de oude Eeckhoutabdij te Brugge, Biekorf, 1968, p. 21-22.,
(11) Zie J. WARICHEZ, La cathédrale de Tournai et son Chapitre, Wetteren, 1934, p. 376-378. De kazuifels van Thomas Becket blijken als reliek erg in trek geweest te zijn. Men vindt er zowat overal. Mgr. Callewaert liet zich eens fotograferen te Sens met een kazuifel van Becket. Zie Liturgisch Parochieblad, 11 (1929), p. 329.
(12) Male-Sint-Trudoabdij, 1969, 34 blz. + 34 platen. Aan dit citaat gaat de tekst vooraf: " Graaf Filips (+ 1168) was, zo niet de eerste, dan toch de grote bouwheer van Male". De huidige bewoonsters van Male laten hun bouwheer 23 jaar te vroeg sterven. Filips stierf op 1 juni 1191 te Akko. Zie J. DHONDT, Vlaanderen onder het huis van de Elzas, in Algemene Geschiedenis der Nederlanden, dl II, Utrecht, 1950, p. 118-133. In 1188 ontvangt Filips, op zijn kasteel te Male, de abt van Affligem, die aan de graaf komt vragen of hij de monniken van Sint-Andries in de boeien wil slaan en gevankelijk naar Affligem voeren. Zie CH. VAN DEN HAUTE, Une chronique inédite de I'abbaye bénédictine de St.-André-lez-Bruges, in An. Soc. d'Emul. de Bruges, 59 (1909), p. 286. Vanaf 1187 resideert Filips gewoonlijk te. Male. Voordien verbleef hij meest op de kastelen van Rihoult en Nieppe. .
(13) M. KERVYN DE LETTENHOVE, Histoire de Flandre, dl I, Bruges, 1874, p. 159 : "Th. Becket visita la Flandre, et y bénit de ses mains vénérables la chapelle du chateau de Male".
(14) N. DESPARS, Cronycke van den lande ende Graefscepe van Vlaenderen, 1° deel, Brugge, 1837 (geschreven in 1562), p. 347: "wiedende daer sgraven capelle te Maele, by Brugghe ».

(15) J. JOHNEN, Philipp von EIsass, Graf von Flandern, in Bulletin de la Commission Royale d'Histoire, 79 (1910), p. 341-467.
(16) H. VAN WERVEKE, Filips van de Elzas als biografisch probleem, in Medea  van de K. VI. Acad. voor Wet., Lett. en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren, 31 (1969).
(11) I. MALBRANCQ, De Morinis, dl III, Tomaci, 1654, p. 287. Jacobus Malbrancq is van St.-Omaars afkomstig. Hij trad in bij de Jezuiëten, stierf te Doornik in 1653. Het derde deel is dus posthum verschenen. Malbrancq gebruikt als bron veel de onbetrouwbare Iperius en het Chronicon Andrense van Andreas Martianensis.Over Malbrancq, zie Bibliothèque des ecrivains de la Compagnie de Jesus, Liège, 
(18) J. MEYERUS, Commentarii sive Annales rerum Flandricarum, Antwerpia, 1561, f. 50r-50v.
(19) Zie noot (22).
(20) Hij wordt ook Johannes Longus genoemd.
(21) Het Chronicon werd rond 1380 geschreven. Het werd uitgegeven door
O. HOLDER-EGGER, in de Monumenta Germ. Hist., Script. XXV, Hannover, I880, p. 736-866 en eerder in MARTENE-DURAND, Thesuarus Nov. Anecdot.,III, Paris, 1717, c.637-653.
(22) N. HUYGHEBAERT, lperius et la translation de la relique du Saint-Sang à
Bruges, in An. Soc. d'Emulat. de Bruges, 100 (1963), p. 110-187.
(23) D. BRIAL, Recueil des historiens des Gaules et de la France, dl Xlrn, p. XLVII-XLIX (éd. L. DELISLE, Paris, 1869). Brial somt slechts de grofste dwalingen op, omdat er anders te veel zijn om over te disscussiëren.
(24) Zie noot (15), vooral p. 362, n. 3 ; 372, n. 4 ; 400, n. 2.
(25) J. VAN DER STRAETEN, Sainte ldisberghe et saint Venant honorés en Artois.
in Anal. Bollandiana, 77 (1959), p. 138-139.(14) N. DESPARS, Cronycke van den lande ende Graefscepe van Vlaenderen, 1° deel, Brugge, 1837 (geschreven in 1562), p. 347: "wiedende daer sgraven capelle te Maele, by Brugghe ».
(15) J. JOHNEN, Philipp von EIsass, Graf von Flandern, in Bulletin de la Commission Royale d'Histoire, 79 (1910), p. 341-467.
(16) H. VAN WERVEKE, Filips van de Elzas als biografisch probleem, in Medea  van de K. VI. Acad. voor Wet., Lett. en Schone Kunsten van België, Klasse der Letteren, 31 (1969).
(11) I. MALBRANCQ, De Morinis, dl III, Tomaci, 1654, p. 287. Jacobus Malbrancq is van St.-Omaars afkomstig. Hij trad in bij de Jezuiëten, stierf te Doornik in 1653. Het derde deel is dus posthum verschenen. Malbrancq gebruikt als bron veel de onbetrouwbare Iperius en het Chronicon Andrense van Andreas Martianensis.Over Malbrancq, zie Bibliothèque des ecrivains de la Compagnie de Jesus, Liège, 
(18) J. MEYERUS, Commentarii sive Annales rerum Flandricarum, Antwerpia, 1561, f. 50r-50v.
(19) Zie noot (22).
(20) Hij wordt ook Johannes Longus genoemd.
(21) Het Chronicon werd rond 1380 geschreven. Het werd uitgegeven door
O. HOLDER-EGGER, in de Monumenta Germ. Hist., Script. XXV, Hannover, I880, p. 736-866 en eerder in MARTENE-DURAND, Thesuarus Nov. Anecdot.,III, Paris, 1717, c.637-653.
(22) N. HUYGHEBAERT, lperius et la translation de la relique du Saint-Sang à
Bruges, in An. Soc. d'Emulat. de Bruges, 100 (1963), p. 110-187.
(23) D. BRIAL, Recueil des historiens des Gaules et de la France, dl Xlrn, p. XLVII-XLIX (éd. L. DELISLE, Paris, 1869). Brial somt slechts de grofste dwalingen op, omdat er anders te veel zijn om over te disscussiëren.
(24) Zie noot (15), vooral p. 362, n. 3 ; 372, n. 4 ; 400, n. 2.
(25) J. VAN DER STRAETEN, Sainte ldisberghe et saint Venant honorés en Artois.
in Anal. Bollandiana, 77 (1959), p. 138-139.
(26) Beide kronieken kan men lezen in de Montumenta Germ. Hist., Scriptores, dl XIII, p. 635-666. Een vollediger uitgave werd bezorgd door M. GUERARD, Cartulaire de l'abbaye de Saint-Bertin, in Collection des cartulaires de France, Paris, 1841, 488 blz.

(27) M. GUERARD, op. cit., p. 335. Sint-Bertijns had ook eigendommen te Gravelines, waar Thomas Becket landde. Zie N. HUYGHEBAERT, L'abbé Lionnel de Saint-Bertin à la seconde croisade. Etude sur quelques sources du chroniqueur Iperius, in Bulletin trimestriel de la Soc. Acad. des Antiquaires de la Morinie, 20 (1963), p. 97-113. Over Gravelines zie A. VERHULST, Un exemple de la politique économique de Philippe d'Alsace: la fondation de Gravelines, in Cahiers de Civil. Médiévale, 10 (1967), p. 15-28.
(28) " ...beatus Thomas ad sedem suam revertitur, Philippo Flandriae comite per Flandriam usque in Angliam conducente et concomitante. In transitu ipse beatus archipraesul capellam in. Male, hospitio. Flandriae comitis, consecravit », ed. MARTENE-DURAND, op. cit., III, c 657.
(29) Zie noot (22). Lodewijk van Male en abt Jan van Ieper ontmoetten elkaar o.a. in de Bloedprocessie, op 3 mei 1379
(30) Dit onderhoud situeert zich in 1164, misschien vóór de vlucht van Becket, tussen Arras en Douai. Zie Epistula 55, in ROBERTSON, op. cit., V, p.36. Over Jan van Salisbury leze men de recente studie van BlRGER-MUNK-OLSEN, L'Humanisme de Jean de Salisbury, un Ciceronien au 12e siècle, in Entretiens sur la Renaissance du 12e siècle, (éd. M. DE GANDILLAC et E. JEAUNEAU), Paris, 1968, p. 53-69. Onmiddellijk na de moord op Becket, nam Jan van Salisbury wat bloed op en bracht dit mee naar Chartres, als reliek.

(31) P.L. 190, c. 146.
(32) P.L. 190, c. 1165-1169.
(33) Over het huwelijk van Matheus met de abdis Maria van Ramsey leze men vooral JOHNEN, art. cit., p. 357. Omwille van het verzet van Becket tegen dit huwelijk, droeg Matheus hem een grote haat toe: " unde et comes Bolariae ex tunc perfecto eum odio oderat » (P.L. 190, c. 1165).
(34) Bedoeld is hier Milo II, bisschop van Terwaan, die stierf op 16 juli 1169. Zie O. BLED, Régestes des évêques de Thérouanne, I, St. Omer, 1904, p. 149. De biograaf van Becket, Roger van Pontigny, beweert dat Milo II van Engelse afkomst was (P.L. 190, c. 89-90). De opvolger van Milo II op de bisschopszetel van Terwaan is Desiderius, afkomstig van Kortrijk. Van hem beweert Van Cappel dat hij Becket nog ontving te Rijsel, toen Desiderius daar proost was. Quod pie creditur. Cfr E. VAN CAPPEL, Zalige Desiderius van Kortrijk, bisschop van Terwaan in Album English, Brugge, 1952, p. 381-397.
(35) Zoals Prof. Van Werveke schrijft in zijn aangehaald artikel, p. 17.
(36) P.L. 190, c. 89-90.

(37) Richard de Luci en Thomas Becket ontmoetten elkaar te Sint-Bertijns, en niet te Clairmarais, zoals Roger van Pontigny verkeerdelijk schrijft. E. Grim heeft de juiste tekst (P.L. 190, c. 30).
(38) Dit zouden de abten van Clairmarais en Sint-Bertijns kunnen zijn. De andere biografen schrijven dat Becket «iemand» zond naar Filips.
(39) Anno 1168. Zie Epistula 434, bij ROBERTSON, op. cit., p. 455-459: "de
mandato regis Angliae illuc Flandriae traxerat comes"
(40) De brieven werden door Robertson uitgegeven in delen, V, VI en VIL

(41) ROBERTSON, op. cit., V, p. 327 en VII, p. 68. Over Robrecht van Aire, zie
W. BLOMMAERT, Robert d' Aire, chance lier de Flandre, in Annales de la Société d'histoire et d'archéologie de Gand, 8 (1908), p. 264-287.
(42) Aangehaald door VAN WERVEKE, art. cit., p. 8.
(43) ROBERTSON, op. cit., V, p. 246 i 248-249. Epistulae 137 et 139.
(44) Vertaald door VAN WERVEKE, art. cit., p. 17.
(45) Cfr het hoofdstuk L'exagération littéraire in J. LECLERCQ, L'amour des lettres
et le désir de Dieu, Paris, 1957, p. 128-130. Veel gebruikte topoi worden bestudeerd in E. CURTIUS, Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter, Bern, 1954.
(45a) Graaf Filips wordt door Johnen, art. cit., o.a. grootheidswaanzin en ijdeIheid toegekend.
(46) Misschien onder invloed van Robrecht van Aire. «De politiek van Filips van de Elzas wordt van 1173 af uitgesproken vijandig tegenover Engeland. Cfr J. DHONDT, op. cit., p. 126.
(47) A. SANDERUS, Flandria lllustrata, t. I, Coloniae Agrippinae, 1641, p. 290. De legende staat ook afgedrukt in Dit is West-Vlaanderen, Brugge, 1962, p. 1776.

De Prinsenwieg

ROND DE PRINSENWIEG TE MALE
 

DE NAAR BOEKHOUDING VAN HET GRAFELIJK HUIS
 

1330
 

 

Een Franse koningsdochter kwam midden oktober 1329 met groot gevolg uit Parijs (over Gent) te Ieper aan. De wetheren moesten haar bij de Menenpoort niet gaan opwachten, vestingen en poorten van de stad lagen ten dele gesloopt. Bittere nasleep van Zannekins neerlaag bij KasseI. Aan de prinses werden niettemin de gebruikelijke geschenken van de blijde inkomst, zilverwerk en laken, aangeboden. Ze was immers Mevrouwe van Vlaanderen, echtgenote van graaf Lodewijk van Nevers, en had zich reeds als zodanig veertien dagen te voren te Gent laten huldigen. Om de zege van de Franse kroon op de volksopstand van het Westland te vieren hielden de ridders van haar gevolg een schitterend steekspel vóór de Ieperse Lakenhalle. (Comptes d'Ypres 11 1012-1016).
Gravin Margareta, dochter van koning Filips V, was 23 jaar oud en sedert tien jaar officieel getrouwd met onze graaf. Voor de eerste maal betrad ze nu de grond van het graafschap, op weg naar Male, waar het kasteel in gereedheid was gebracht voor het lang uitgestelde echtelijk samenwonen met Lodewijk van Nevers.    
In dit kasteel, gelegen op een uur van Brugge, zou Margareta op St.-Katelijnedag (25 nov.) 1330 het leven schenken aan het kind dat onze laatste graaf uit het Huis van Vlaanderen geweest is .:. een Lodewijk, die de naam van Male heeft verbonden aan zijn eigen doopnaam Bij onze annalisten moet men de plaats en de tijd van geboorte van onze graven niet gaan opzoeken. Wel leren ze ons somtijds hoe oud een graaf was bij zijn afsterven. De bijnamen: van Rijsel, Bethune, Bergen, Dampierre, Nevers, Jeruzalem, Konstantinopel zijn geen aanwijzingen van geboorteplaats. AlIeen over de geboorte van onze laatste «Vlaamse» graaf, het prinsenkind dat 1330 te Male het licht zag, zijn de inlichtingen overvloedig.
De kronieken hebben de geboorteplaats opgetekënd, en aan Lodewijk de naam «van Male» gegeven naar het kasteel van zijn geboorte (1). De rekeningen van het grafelijk huis doen het echter beter: ze laten ons achter de schermen kijken van een geboorte die met koninklijke luister werd omringd en die dan een aantal bladen in het handboek van de grafelijke thesaurier met buitengewone uitgaven heeft overdekt.
Die rekeningen zijn in het frans opgesteld. De hofhouding te Male was franstalig, zoals de hofhouding van Robrecht van Bethune - de Leeuw van Vlaanderen van Conscience – en van Gwij van Dampierre en voorgangers steeds franstalig geweest was.
Een toeval heeft gewild dat het «dossier» van de geboorte te Male in het grafelijk fonds van het Departementaal Archief te Rijsel, onder een verkeerde datum werd geklassificeerd Voor het eerst krijgen deze documenten hier nu hun juiste datering en hun juiste historische attributie (2).    
De uitgaven voor het prinselijk kraambed zijn.aanzienlijk, en  toch geenszins ongewoon. Een blijde gebeurtenis zette de beurzen wijd open. De gravin profiteerde ervan om haar «garde-robe te verrijken met een groot aantal kostbare klederen van buiten gewone lengte en breedte die dan later konden dienen om er nieuwe uit te maken (3)
De prinses maakte ook aanspraak op een volledig ingerichte en gestoffeerde kamer. Dit alles behoorde tot een traditie die in de “comptes dela gésine “ weerspiegeld ligt. Ook de kamenieren van de prinses werden van nieuw kleer- en beddegoed voorzien. De uitaet van de baby zelf was ook zeer ruim opgevat en op jaren berekend

Hier volgt nu de inhoud van het dossier van de grafelijke ambtenaar.

Uitzet van de kleine prins

De thesaurier hëeft eerst een memorandum opgemaakt naar een  naar het model uit het Huis Nevers. Een lijst die uit de jaren 1290-1300 stamde. Naar dit model zou hij dan zijn eigen lijst en budget te Male vaststellen met. de volgende inhoud.
Zilver: Een klein wasbekken en een ander bekken. Een pollepel,een melkpot met deksel. Een wijwatervat. Een kleine gouden en een zilveren paplepel. Vier papschotels om er kindermeel in te bewaren.

Koper: Een groot bekken dienende als kinderbad. Twee waterkannen. Twee diepe bekkens van verschillende grootte.

Beddegoed: Twee witte paviljoenen (hemeling boven de kinderwieg Drie groene sargiën voor de. bedden van de achterwareggen, d.i.de vroedvrouw, de wiegster en de voedster: Drie kleine “covertores” uit gewoon eekhoornbont (gris), te weten: een van duizend ruggen voor de vroedvrouw, de twee andere elk van 800 ruggen. Een covertor van ruggen van konijnen voor de kamenierster. Zes paar linnen bedlakens van 2 1/2 breedte, 2 paar van dubbele breedte.
Een covertor(couvertoir) was een groot beddekleed uit laken met zware voering van bont.

Wieg van het kind. - Voor vier covertors wordt een aankoop voorzien van 11 ellen groen Parijs laken, van 700 wammen (buikdeel) noors  eekhoombont (petit-gris) voor het ene paar covertors en van 600 wammen fijn eekhoornbont voor het andere paar. Een sprei van groene zijde met drie grote kruisen, eveneens voor de wieg.
Voor het bergen van de uitzet van het kind waren twee koffers voorzien..:Tot zover het memorandum.
Het definitieve budget van de thesaurier verhoogt vooral de luxus van de bekleding van de wieg. De kinderkamer te Male krijgt eigenlijk twee wiegen: een voor overdag, een voor 's nachts. Gordijnen en paviljoen (of. esprevier) zijn uit groen laken van 12 en 8 breedten. De pelsvoering is ook kostbaarder dan te Nevers. Het naburige Brugge was immers een belangrijke pelsmarkt. Twee covertors van scharlaken worden gevoerd, de ene met gewoon eekhoornbont, de andere met wit-en-grijs eekhoorn. Een derde covertor bestemd voor de dagwieg, is uit goudlaken en gevoerd met hermelijn. De wiegeband van de dagwieg is geborduurd met de wapens van Vlaanderen en van Frankrijk. De nachtwieg heeft een wiegeband uit effen zijde.    
De thesaurier bestelde ook nog twee doopmantels : een uit noors eekhoorn, een ander uit hermelijn. En ten slotte nog een mantel van fijnste witte konijnenvellen «om het kind warm te houden ».

De kamer van de gravin
De stoffering van de kamer der gravin zou, volgens een eerste budget, bestaan uit fluweel met goudborduursel plus een stel tapijten, en daarbij 8 zetels met bekleding van gelijk fluweel en borduurwerk. Rijker dan fluweel waren de fijne soorten Oosterse tafzijde (sindaal en tarter ; fr. cendal, tartaire) die in het naburige Brugge op de markt kwamen. De kamer werd dan ook feitelijk van boven tot onder bekleed met effen groen .sindaal, bezaaid met een «nieuw patroon» van borduurwerk. De vloer kreeg tapijten van dezelfde kleur en met hetzelfde nieuw patroon. De twee bedden, naast elkaar elk onder een hemel opgesteld, hadden gordijnen en
hoofdeinden, alles uit effen groene tafzijde. De vijf zijden oorkussens waren bijzonder rijk afgewerkt met paarlen borduursel en kostten niet minder dan 700 pond parisis.   Het covertor van het bed der gravin was uit goudlaken met een zware voering van hermelijn. Bij de twee lijnlakens, bestemd om op de geborduurde sprei te liggen, noteert de thesaurier dat het linnen ervan «zo fijn en zo licht moet zijn, dat het borduurwerk van de sprei er door schijne ».
Een paviljoen van groen laken hing over de badkuip die in de kamer was opgesteld. Ander gordijnwerk was bestemd voor aanpassingen op de bezoekdag (jour de regard) en de dag van de kerkgang (relevailles).
Voor deze laatste belangrijke dagen voorziet het budget twee klederen voor de gravin: een eerste met drie beleggingen van geborduurd fluweel op de bezoekdag, een ander met borduurwerk van paarlen en de daarbij passende kaproen voor de kerkgang.

De doopplechtigheid
De kleine prins werd gedoopt in de slotkapel van Male, vijf dagen na de geboorte, op St.-Andriesdag. Meyerus spreekt van een nieuwe doopkapel (baptisterium) die voor de gelegenheid in het kasteel zou gebouwd zijn (4). De rekening zwijgt over doopkapel en doopvont. Het bericht van Meyerus is echter best overeen te brengen met het dekreet dat paus Clemens V in 1311 had uitgevaardigd: een vernieuwd verbod van doopkapel in de kastelen, met uitzondering echter voor de koningen en prinsen (5).
De overlevering gewaagt van een gouden doopvont of gouden doopbekken, een motief dat mogelijk samenhangt met het historisch feit dat Lodewijk van Male gedurende zijn regering de eerste goudmunten in Vlaanderen heeft doen slaan.
De doop werd toegediend door de bisschop van Doornik, Guilielmus de Ventadour,. bijgestaan door Petrus Rogerius, bisschop. van Atrecht, de latere paus Clemens VI ; de abten van Vlaanderen waren nagenoeg voltallig aanwezig met de prelaten vn St.-Bertijns, St.-Baafs, Duinen en St.-Niklaas (Veurne) aan het hoofd.
Op 29 november was hertog Jan van Brabant te Male aangekomen om er 's anderendaags dooppeter van de kleine Lodewijk te zijn, samen met de graaf van Blois en Gwijde van Vlaanderen.
Het kind had ook drie meters: de gravin van Namen, de gravin van Loon en Alise van Vlaanderen, vrouwe van Fiennes. Met dit matig aantal doopheffers geeft het Huis van Vlaanderen blijkbaar de goede toon in een tijd die op grote cijfers van peters en meters gesteld was, en er tegelijk bedenkelijke praktijken op nahield om de gevolgen van het geestelijk maagschap te ontduiken.

Geschenken van steden en kloosters
De giften van de peters en meters kennen we niet, de geschenken van de steden en kloosters werden echter door de grafelijke thesaurier in een inventaris opgetekend die gedeeltelijk bewaard is gebleven. De lijst ervan ziet eruit als volgt.
De stad Brugge: 5 dozijnen zilveren schotels; 2 dozijnen zilveren schalen; 6 zilveren potten; een covertor en 4 kussens van scharlaken met geborduurd wapen van Vlaanderen en Frankrijk.
Het Vrije van Brugge: een zilveren kroon... (onvolledig).
De stad Gent (onvolledig): vier rode scharlakens; vier «brune sangwyne» scharlakens; twaalf «gemyngde» lakens van verschillende soort.
De stad Ieper: twee parelschelpen met geëmailleerd deksel; zes zilveren vergulde waterkannen.
De stad Kortrijk: 24 zilveren schotels.
De stad Oudenaarde: een zilveren geëmailleerde bonbonnière (tregienap; oft. dragier) en een vergulde pollepel.
Een zekere heer Goldolf van Brugge presenteerde een schaakbord met de stukken.
De geschenken van de kloosters moesten voor deze van de steden niet onderdoen.
De abt van St.-Baafs schenkt: twee parelschelpen met geëmailleerd deksel; een zilveren vergulde herder «die trompt»; een kleine vergulde kroes (crosèquin), geëmailleerd, met deksel.
De abt van de Duinen: een kamerfontein uit verguld zilver, geëmailleerd.
De abt van Veume: een verguld en geëmailleerd tafelschip.
De proost van St.-Maartens (Ieper): een vergulde beker met deksel.    .    I
De abt van St.-Andries: drie stukken, zijnde een schaal, een waterkan en een pot, alles uit verguld zilver.
De stad Gent was in 1330, bijzonder feestelijk gezind bij de geboorte van die "kleine prins, die als graaf wel dikwijls buiten de muren van Brugge, in Male, zou gaan resideren, die echter binnen de muren van Gent de. Sanderswal (het latere Prinsenhof) zou komen bewonen en het onhuiselijke Gravensteen aan zijn lot overlaten; nog binnen Gent zou hij bij de Posteerne van de Houtlei een lusthuis bouwen en ten slotte, binnen het bereik van de stad, het prachtige kasteel van Wondelgem oprichten in het jaar dat zijn dochter Margareta, steeds te Gent, trouwde met Filips van Bourgondië. De stad schijnt een soort voorgevoel te hebben gehad dat het kind van Male een « Gentse graaf» zou zijn... En men weet dat de goede bettekkingen tussen de graaf en de stad jarenlang zouden stand houden, tot aan het fatale optreden van Filips van Artevelde. .
De geschenken van Gent in 1330, die slechts fragmentarisch bekend zijn, moeten royaal geweest zijn. In de stadsrekening zijn volledig bewaard de uitgaven betreffende «de prosente, die gedaen waren den hertoge van Brabant, doe hi eerst in de poort quam in s. Andries avonde ende voer te Malen waerd omme te heffene mijns heeren zone van Vlaenderen ». Hertog Jan ontving voor hem en zijn gevolg een vat St.-Janswijn, alsook een present snoek en paling als begroeting. De schepenen zonden hem nog drie lakens: een «brunscaerlaken strijpten », een «rood scaerlaken strijpten» en een «getraelleden» laken. Bij zijn terugreis over Gent werd aan de hertog nogmaals een vat wijn aangeboden, alsook snoek en paling, terwijl zijn trompers en zijn menestreel - die het doopfeest te Male hadden opgeluisterd - elk een flink drinkgeld kregen. De doorreis van de hoge Brabantse peter kostte aan de wethouders een som van ca. 700 pond parisis (6).
Deze belangrijke uitgave, samen met enkele andere op latere datum, maakt het duidelijk dat de drie lakens, die in de boven medegedeelde lijst van geschenken voorkomen, slechts een onderdeel van het doopgeschenk der stad Gent uitmaakten.
Margareta van Vlaanderen, de dochter van Lodewijk, wordt in de geschiedschrijving ook naar het kasteel genoemd omdat zij er geboren werd; ze werd er gedoopt op 15 april 1350 door de abt van St.-Pieters van Gent, zo leert de Vlaamse kroniek. Meer bijzonderheden zijn over deze prinselijke geboorte te Male niet voorhanden. In: de wieg te Male moeten ook bastaardzonen van graaf Lodewijk het licht hebben gezien, wie en hoeveel is onbekend, daar enkele van zijn onechte kinderen binnen en buiten het Gentse prinsenhof en het kasteel van Wondelgem zijn ter wereld gekomen.
Van 1350 tot 1478 stonden geen (echte) prinsenwiegen meer in VIaanderen: de hertogen Jan, Filips en Karel van Bourgondië werden te Dijon, Maria van Bourgondië te Brussel geboren. Deze laatste prinses, gehuwd met hertog Maximiliaan, schonk in 1478 in het Prinsenhof te Brugge het leven aan erfprins Filips, die met grote luister in de St.-Donaaskerk gedoopt werd. En de zoon van Filips (de Schone) kwam ter wereld in het andere Vlaamse Prinsenhof, te Gent, en werd er als prins (de latere Keizer) Karel met nog groter praal ten doop gedragen naar de St.-Janskerk (huidige St.-Baafs). De geschenken waren daarbij telkens zo rijk en overvloedig dat we aan de opsomming ervan niet mogen beginnen. Eén bijzondere attentie van de Brugse schepenen in 1478 mag hier echter in herinnering worden gebracht: aan de jonge moeder in het Prinsenhof zonden ze o.m. een prima keuze van 300 sinaas en granaatappelen. Na het doopfeest lieten de wetheren gouden en. zilveren munten «ter hallen huut» strooien terwijl Markt en Burg. in de laai van de vreugdevuren stonden. En terwijl de gelukkige vader, hertog Maximiliaan, met zijn ruiterij naar de «frontieren van Vlaenderen » was uitgetrokken om er de Franse koning in het oog te houden.

A.Viaene

1. Meyerus, Annales Flandriae, ed 1561, f.134, Chronicon Flandriae, in corpus Chron. I 209
2. De teksten uit het archief van de Rekenkamer komen voor bij Ch. Dehaisnes, Documents et extraits divers concernant l’histoire de I'art dans la Flandre, l' Artois et le Hainaut.avant le XVe siècle. t. I (Lille 1896) .p. 73-76 ;' coll. p. 282. De geleerde uitgever heeft de ongedateerde documenten die behoren bij de geboorte te Male gekoppeld aan een ongedateerd «Mémoire » betreffende een vroegere  geboorte in het Huis van Nevers en alles.gedateerd
omstreeks 1281 ». - Onze attributie «.Male 1330» is afgeleid uit de heraldiek Frankrijk-Vlaanderen, uit de vermelding van.”madame de Flandres” en van het kasteel van Male, uit de vermelding van  Riquard de Ruede. zaakvoerder van graaf Lodewijk van Nevers bij wie een deel van de geschenken te Bruggë werden gedeponeerd. Deze Riquard (al. Rikewars) de Ruede wordt als grafelijk ambtenaar en zaakvoerder herhaaldelijk vermeld in de Brugse stadsrekeningen van 1316-1337. (Gilllodts, Inventaire I 412-452-454-481; III, 170-171; V 94.
3. L de Laborde, Glossaire français du moyen âge 328 (Parijs 1872)
4. Meyerus a.w.f. 134 parafraseert eenvoudig de tekst « in fontibus novis ad hoc preparatls » van het Chronicon t.a.p.

5. J.CobIet, Histoire du Sacrement de Baptême I 169.
6. J. Vuylsteke, Gentsche Stads- en Baljuwsrekeningen 1280 1336, p. 755-756 (Gent 1900)