Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Stadhuis

De heerlijkheid van Male maakt deel uit van het Brugse Vrije, en is rechterlijk en bestuurlijk onafhankelijk. Vóór de heerlijkheid een baronie wordt, staat hier reeds een huis "het hooghe huus" genoemd, waar de wet besproken wordt.
Het huis is beschreven als een "ofsteide binnen den dorpe te Male…op den houc vander strate…jeghens over den gracht vanden casteele".
In 1560 wordt de heerlijkheid, onder Jean Lopez Gallo, verheven tot baronie. De burgemeester van Male, Lodewijk van Ghistele, koopt het huis in 1566. Het "hooghe huus" wordt nu ook als "stadhuys" vernoemd. Er volgt een grondige herstelling, met inrichting van een "schepenen camere". Het stadhuis heeft in de kelder een "civile ghevanghenisse" voor kleine misdrijven, daarnaast beschikt het kasteel over een "pit ofte steen". Tot aan de verkoop van het goed in 1799 wordt het huis verpacht. De pachter die er tevens een herberg uitbaat is eveneens cipier en veehoeder (1574) en conciërge (17de eeuw). 
Tijdens de godsdiensttroebelen, op het eind van de 16de eeuw, loopt het stadhuis ernstige beschadigingen op. De vergaderingen gaan door in Brugge en het stadhuis blijft zeker in onbruik tussen 1600 en 1612. Eens de rust is teruggekeerd laat de baron het geplunderde raadhuis herstellen, dit is zeker voltooid in 1662. De vleugel haaks op het schepenhuis wordt in de 17de eeuw als brouwerij ingericht. Op de hoek van het oude gebouw komt er een beeldnis met een beeld van Maria met Kind. 
Baron François Claesman (tussen 1710-1769) laat het schepenhuis herinrichten. De achtergevels worden bepleisterd en aangepast in een classicistische stijl. Na de Franse Revolutie wordt Male, in 1795, bij Sint-Kruis gevoegd. Het bestuurscollege van Male vergadert een laatste keer op 17 februari 1796 in het huis van de griffier. In 1799 verkopen de Fransen het "cabaret" als nationaal goed. Circa 1800 wordt de gevel van het lagere rechterdeel gewijzigd en het dak verlaagd. Op een aquarel van Auguste de Peellaert van 1843 steken in de top van de trapgevel twee rondboogvensters en is de linkergevel afgebeeld met een topgevel, de vensteropeningen zijn voorzien van ramen met een kleine roedeverdeling. Op een foto van 1937 is de linker trapgevel verdwenen, de kruiskozijnen op de begane grond zijn dichtgemetseld, aan de voorkant zijn de rondboogopeningen in de trapgevel en de vensters in de dakvensters vervangen door 19de-eeuwse rondboogvensters. 
Het schepenhuis wordt in 1952, samen met het kasteel, in pacht genomen door het augustinessenklooster van Sint-Trudo. In 1960-1961 volgt een restauratie van schepenhuis en klooster volgens een ontwerp van architect Arthur Degeyter (Brugge). Het betreft een historiserende restauratie: aan de linkerzijgevel wordt op de bewaarde aanzetten de trapgevel herbouwd, het lager rechterdeel krijgt opnieuw zijn oorspronkelijke dakhelling. Een lage aanbouw rechts wordt vervangen door een toegangspoort naar de abdij.
Laag hoekhuis bij de Lodewijk van Malestraat, gebouwd op L-vormige plattegrond onder pannen zadeldaken, 16de-eeuwse kern met aanpassingen in de 17de, 18de en 19de eeuw. Bestaat uit een hoekgedeelte met twee keer twee opkamertraveeën, rechts een lager deel met zes traveeën en achteraan een dwarsvleugel met blinde straatgevel. Verankerde, gele baksteenbouw met trapgevels bij het opkamergedeelte. In het rechterdeel steken twee dakvensters onder zadeldak met trapgeveltjes en zandstenen bolkozijnen. Vensteropeningen met natuurstenen kruiskozijnen of bolkozijnen onder ontlastingsboogjes en met zandstenen aanzet- en sluitstenen met mascarons. Vensters met glas-in-lood en luiken aan het benedenvlak. Korfboogdeuren met zandstenen bovenlichten. Op de zuidwesthoek beeldnis met natuurstenen beeld van Maria met Kind op dito sokkel en onder baldakijn.
Rechterzijgevel met muurvlechtingen, korfboogdeur en in de topgevel geblokt rondboogvenster. Tegen de gevel een houten beeld van Christus aan het kruis onder een luifel.
Achtervleugel aan de Lodewijk van Malestraat met nagenoeg blinde straatgevel, een getoogde kelderopening.
De achtergevel van het hoofdgebouw is in de 18de eeuw opgetrokken tot twee bouwlagen. Verankerde, witbeschilderde bakstenen lijstgevel.
Op de begane grond rechthoekige vensteropeningen met kleine roedeverdeling, korfboogdeur met zandstenen, gedeeld bovenlicht. Op de verdieping rondboogvensters, eveneens met kleine roedeverdeling, geprofileerde tussendorpel en waaiervormig bovenlicht. 
De achtervleugel, uit de eerste helft van de 18de eeuw, bestaat uit twee traveeën en één bouwlaag onder pannen zadeldak met rechterdakschild. De verankerde tuingevels in classicistische stijl op een bakstenen sokkel hebben bepleisterde en witbeschilderde lijstgevels met geblokte hoekbanden. Kelderverdieping met segmentboogopeningen, vensters met kleine roedeverdeling. Hoge, rondbogige vensteropeningen gevat in vlak lijstwerk en met kleine roedeverdelingen, geprofileerde tussendorpels. Vlakke omlijstingen en geprofileerd bij het waaiervormig bovenlicht.
Interieur. De voormalige herberg ligt rechts van de inkom: moer- en kinderbalken en een schouw in Balegemse zandsteen. Links van de inkom bevindt zich de voormalige schepenzaal met plankenvloer, barokke volutenschouw; het bordes met Lodewijk XVI-balustrade is afkomstig uit het kasteel. De eiken vleugeldeur met paneelwerk geeft toegang tot de 18de-eeuwse schepenzaal. Rococosalon met stucwerk, cartouches boven de marmeren schouw.
Kelder onder tongewelven.

Bronnen:
ARCHIEF ROHM WEST-VLAANDEREN, Monumenten en Landschappen, archief DW002015.
Bron: Gilté S. & Van Vlaenderen P. met medewerking van Dendooven K. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Brugge, Deelgemeente Sint-Kruis, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL21, (onuitgegeven werkdocumenten).

Heemkunde Sint-Kruis Heemkunde Sint-Kruis Heemkunde Sint-Kruis