Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Pijpeweg

In de leeszaal van de Biekorf-bibliotheek bevindt zich onder nr. BR 67.92 een monografie van R. Van den Berghe uit 1958 met als titel: De  Pijpweg en de middeleeuwse waterleiding van Male naar Damme.
Hieronder vindt je de integrale tekst, spijtig dat de meeste illustraties ontbreken.

R. Vandenberghe R. Vandenberghe R. Vandenberghe R. Vandenberghe

In de 13de eeuw had de stad Damme gebrek aan drinkbaar water. Het grondwater zal er nog brak of ziltig geweest zijn door de langdurige overspoeling met zeewater en de inzimpering van water uit het Zwin.
Buiten het drinkwater nodig voor de behoeften. van de ingezetenen en van de zeelieden, zal er ook veel  gebruik gemaakt geweest zijn van water voor het reinigen van vaten, in verband met de wijn- en haringstapel.
Het putwater was dus niet te gebruiken. Op de vangst van regenwater langs de daken kon men ook niet veel rekenen; de meeste woningen waren met stro gedekt. Alleen woningen met een tegeldak of een schaliedak - en hadden die dan nog afvoergoten? - en grote openbare gebouwen als de kerk, de halle, het hospitaal, konden regenwater opvangen.

In 1269 verleende de gravin van Vlaanderen, Margaretha van KonstantinopeI, aan de stad Damme de toelating om water te trekken uit de vijver van Male (fig. 17).
Het charter dat deze begiftiging bevestigt, gegeven te Male door de gravin en haar zoon Guy, in mei 1269 is in de volgende termen opgesteld:
“Je Margherite, contesse de Flandres et de Haynnau et je Guys ses fius, cuens de Flandres et marchis de Namur, faisons savoir à tous que nous pour la grant necessité et la grant deffaulte que nous veimes et seumes, que nostre bon aimez, li eschevins et li communs de nostre ville du Dam avoient de douce eauwe, et pour lamendement perpetuel de celi ville, nous avons donne et ottroie as eschevins et ale communite devant diz, le usage del yauwe de nostre vivier de Male, en la maniere, que cy apres est devisee. Est assavoir, que il poent le yauwe de celui vivier faire venie, par conduis dessoubz le terre, au Dam paisihlement et sans debat, perpetuelment tout ainsi comme il leur samblent mieuIx au pourfit et alaise de le ville du Dam, pour douce eauwe a avoir; .Et cel vivier il porront faire fouir et esbraier et netteir, tout a leur volonte, sauf ce quil ne destourbent a ceulkx de nostre ville de male, lor usage quil y ont.
Et avons encore donne et ottroie a nos eschevins et au commun du Dam devant diz, une voie france et paisible de V verges de le tres celui vivier dusques au lieu la ou li parc de male sestent, vers la ville du Dam pour le conservacion et le rapareillement des devant diz conduis, et cele voie si devant diz eschevins et communs doivent faire et retenir a leur coust perpetuelment, tele que on y puist charier par este et par yver et doit estre commune a tous ceulx qui passer y vaulrons. Et si retenons en nostre garde et en nostre protection les conduitz devant diz, et le voie tres li vivier devant diz, jusques a la ville du Dam.
(Volgt hierna in dezelfde oorkonde de toelating om te Damme een kraan op te richten).
Et en tesmoingnage et en confirmante de ce que deseure est dit et devise nous avons fait mettre noz seauIx a ces presentes lettres qui furent donnees en lan del incarnacion Nostre Seigneur Jhesu-Crist MMC soixante noef, el mois de May» (1).

Uit de bepalingen in deze oorkonde gestipuleerd, blijkt:
1) Dat de gravin en haar zoon Gwijde van Dampierre kennis hadden van het groot gebrek aan drinkbaar water (douce eauwe) waaraan de schepenenen en 't gemeente van de Dam leden, nood welke zij de visu vastgesteld hadden.
2) Dat ze aan de schepenen en 't gemeente van de Dam toestaan gebruik te maken van het water «de nostre vivier de Male» en dit water ten eeuwige dage, ongestoord en zonder dat er daarover enig geschil zou kunnen rijzen, langs een ondergrondse leiding mogen naar Damme brengen.
3) Dat die van Damme de vijver volgens hun goeddunken mogen uitdelven en zuiveren, zonder evenwel aan de ingezetenen van Male het gebruik van het water uit de vijver te onttrekken.
4) Dat ze (de gravin en haar zoon) daarbij aan de schepenen en 't gemeente van de Dam een vrije weg schenken van vijf roeden breed van aan de vijver en het park van Male tot aan Damme, waarin het “conduit” of de waterleiding zou gelegd worden, tot beter bewaring en herstellingsmogelijkheid van van deze leiding.
5) Dat de stad Damme op haar kosten die weg zal aanleggen en ten eeuwigen dage zal in goede toestand en berijdbaar houden zo in de zomer als in de winter en er gebruik van laten maken door aIlen die het begeren. Het zou dus een openbare weg worden, zoals hij heden nog is.
6) Dat de gravin en haar zoon de waterleiding evenals de weg onder hun bescherming stellen.

Door deze oorkonde wordt niet uitdrukkelijk bepaald dat de vijver, die aan de gravin toebehoorde, in eigendom geschonken wordt aan de stad Damme; echter wel de weg naar Damme.
Heeft Damme naderhand eigendomsrecht over de vijver gekregen? Of zich in later tijd dit recht toegekend? In de stadsrekeningen uit de 15e en 16e eeuw komt regelmatig, onder de rubriek “hoofscheden” volgende post terug: “Insghelycx ghegheven den prater van male in hoofscheden, omme dat hij jaerlicx den vivere ende den pypwech aldaer bewaert der stede toebehoorende” (2).

En in de stadsrekening van 1433 - 34, f° 21, r., lezen wij: “mids dat de voorseide vivere der stede vanden Damme toebehoort”..
Nochtans, als de stad Damme in de 17e eeuw de Pijpweg verkoopt, wordt de vijver niet meeverkocht.
Mogelijk zal het water uit de vijver eigendom geweest zijn van Damme, doch de waterkom niet.

De Vijver.

Waar lag de vijver van Male?
Hij staat aangeduid, omringd door een dam of barm (3) op de kaart van de Watering van den Broucke, gemaakt in 1562 door de Brugse schilder Pieter Pourbus (3 bis).
Ook op twee kaarten van het gebied der Baronnie van Male (4). Op een dezer plans, getekend door François Lobberecht en Jan d'Herbe, in 1711-1712, ligt de vijver in het 7e begin onder nr. 29, tussen de “Groene wegh”, een nog bestaande landweg, heden genoemd “De Linde of Achter de Linde”, en ”de Antwerpsche heerwegh” of de rijksbaan Brugge-Gent. Langs de oostzijde van de vijver, op kleine afstand ervan, loopt de straat die, nevens het oud stadhuis van Male, de Antwerpse heerweg met de Brieversweg verbindt.
Bij De Flou (5) vernemen wij : “Les restes de l'étang de Male forment aujourd'hui les bassins de la campagne de M. le baron Peellaert. Le chemin qui cotoyait l'acqueduc existe encore et est désigné par les cultivateurs des environs sous le nom de pypeweg” (1856).
Het kasteel “Les Viviers” van de heer Baron de Peelaert werd gebouwd in de 19e eeuw en is gelegen met de erbij horende warande waarin zich de vijver van Male bevindt, langs de Gentse baan op een paar honderd meter west van de hovingen van het kasteel der graven van Vlaanderen. Omstreeks 1930 werd het goed “Les Viviers”  in percelen verkaveld en het kasteel omvormd in “Auberge Lodewijk van Maele”. Achter dit gebouw vindt men nog een overblijfsel van de vijver. Op de aanslibbing in het midden van de waterkom heeft zich een eiland gevormd dat begroeid is met riet en waterplanten (fig. 18).
De vijver kreeg water van de omliggende landerijen; vooral van het ten westen gelegen kasteelgoed Puidenbroek (5) en van het hoger gelegen gebied ten oosten en zuid-oosten. Hij was door grachten verbonden met de twee ringwallen die rond het kasteel Puidenbroek lagen, met de walgracht van het grafelijk kasteel en ook met de Maleleie.
Om aan de stad Damme en de bewoners van Male genoegzaam water te verschaffen moet de vijver een nogal aanzienlijke uitgestrektheid gehad hebben. Wij hebben niet kunnen achterhalen hoe groot hij geweest is in de 13e  en 14e  eeuw, het tijdperk van de hoogste bloei van de stad Damme en dus ook van haar grootste behoefte aan bruikbaar water.
Het ware logisch te denken dat hij langzamerhand door plantenaanwas zal verminderd zijn in oppervlakte. Het lijkt dan ook vreemd dat in opgaven die gekend zijn, het tegenover gestelde voorkomt. Volgens een denombrement van het leenboek van 1642 besloeg de vijver dan een oppervlakte van 15 gemeten en 2 roeden (6 ha 64 a) terwijl de Ommeloper van 1711-1712 opgeeft 16 gemeten 44 roeden (7 ha 14 a) (6). Welke van de opgegeven maten is nauwkeurig?
We mogen aannemen dat in de 17e eeuw de oppervlakte tussen 6 1/2 ha en 7 ha moet gelegen hebben.
Volgens de kadastrale legger van Popp (1841) had art. 44 
nr. 194 : “bosch met vijver” een opp. van 5,8290 ha; 
nr. 192 : weide (rond de vijver oostwaarts) 0,4850 ha; 
nr. 193 : weide (id.) 0,4020 ha. Bos en weiden, blijkbaar op aanwas uit de vijver. 
Maakt samen: 6,7160 ha (6).

Tussen de vijver en de leidingspijp naar Damme lag er een “fonteyne”, waarschijnlijk een soort grote zimperput met het doel te verhinderen dat meespoelende waterplanten of slijk de leiding zouden verstoppen. Dat deze put regelmatig moest gereinigd worden ligt voor de hand en blijkt uit volgende notulen over een vergadering van de magistraat van Damme:
“Actum den XII April XVIC XXXVIII. Vergadert extra.ordinaire tot cause van dat het waeter niet en is lopende. Gheresolveert te suyveren het fontainken bij de Maele vijfvere om te besiene de occasie van het schorsen van de waeteren ende daertoe ghecommiteert den voorschepen [Pieter van RakeIbus] met Severin Loys [sergeant vande camere]”.(7).
De prater (8) van Male werd door de schepenen van Damme aangesteld om toezicht uit te oefenen over de vijver en de Pijpweg : “omme dat hij jaerlicx den vivere ende den pijpwech aldaer bewaert der stede toebehoorende “ (Reken. Damme 1479). Zijn taak als toezichter bestond wellicht in het verhinderen dat het vijverwater zou bevuild worden, en naar kan blijken uit een post uit de Damse stadsrekening van 1638 : “bewaert hebbende de male vijfvere aen het conduyt “ na te gaan of de slib in de “fonteyne” niet dreigde de mond van het conduyt te verstoppen. Hij ontving daarvoor jaarlijks “in hoofscheden” veertig schellingen parisis. In de 17e  eeuw droeg de prater de titel van “officier van Male”. (hoofschede= voordeel uit een ambacht met betrekking tot de uit ligging (bv. aan water) voortspruitende voordelen)

De Pijpweg.

De weg welke de stad Damme mocht aanleggen tussen Male en Damme zal waarschijnlijk van den beginne af de naam “Pijpweg” gekregen hebben (in de volksmond heden nog (”Pupeweg “) naar het doel waarvoor hij gemaakt werd: bewaring en herstellingsmogelijkheid van de leidingsbuis, in die tijd “pijpe” genoemd.
De Pijpweg begon tegenaan de vijver en liep in noord-oostelijke richting naar Damme. Hij kruiste de Brieversweg (een oude weg van St.-Kruis naar St.-Laureins), de Aardenburgse Hereweg, (weg heden gekend als Moerkerkse steenweg en eertijds verbindende de oude Vlaamse stadjes Oudenburg en Aardenburg) en de Legeweg (een landweg St.-Kruis-Moerkerke-Middelburg) .
Hij was recht door de landerijen getrokken; met een paar lichte buigingen, tot aan de Stenen Heule over de Maleleie, waar hij nu aan de steenweg Damme-Viven-Sijsele schijnt te eindigen; doch vroeger liep hij door tot Damme, afzwenkende in noordelijke richting tot aan de Malepoort aan de oude veste. Na het aanleggen van de tweede vestingsgordel werd hij oostwaarts doorgetrokken tot aan de St.-Katherinepoorte die de nieuwe uitgansweg van de stad werd naar Male en de kerk van de St.-Katherineparochie. De Pijpweg had een lengte vanaf de vijver tot Lettenburg (kruising met Moerkerkse steenweg) van ca.1600 m; Lettenburg-Stenen Heule ca. 2100 m;, Stenen Heule-Damme ca. 500 m; samen ongeveer 4.200 m.
In het begiftigingscharter bepaalde gravin Margaretha de aan te leggen weg op een breedte van vijf roeden, d.i. 19,20 m.
Een baan zo breed als de grote verkeerswegen van die tijd! Zou de gravin niet meteen het inzicht gehad hebben haar slot van Male door een rechte, brede, goed berijdbare weg te verbinden met haar goede stede van den Dam, die dan in volle bloei zijnde Zwinhaven, waarvoor ze een biezondere belangstelling betoonde en waar haar grafelijke tol op het Zwin gevestigd was die haar zeer ruime inkomsten bezorgde?
Heden is het overgebleven deel van de Pijpweg, d.w.z. van Male tot de Stenen Heule, een lange, brede dreef langs weerszijden met bomen beplant. Tussen Lettenburg en Male zijn er zelfs vier rijen bomen en werd vóór enkele jaren het middenvak van de weg verhard. Zijn breedte, belendende grachten overmeten, bedraagt nog: tussen de vijver en de Linde: 16,5 m; tussen de Linde en Lettenburg: 18 m; tussen Lettenburg en de Stenen Heule: 15,5 m (fig. 19). Is de weg oorspronkelijk niet breder geweest? Of hebben de aanpalers in de loop van de eeuwen geleidelijk een deel van de breedte ingepalmd? Volgens de Ommeloper van Damme, 1620, besloeg het gedeelte van de Pijpweg, dat binnen de Pale van de stad lag 2 lijnen.
De stad Damme moest jaarlijks, in hoedanigheid van eigenares van de Pijpweg, betalen als spyckerschuld (9) de waarde van een bepaalde hoeveelheid landvruchten, vermoedelijk omdat de weg getrokken was door een deel grondgebied toebehorende aan het Proossche van Brugge, grondgebied dat onderworpen was aan tiendenbelasting te betalen aan de Spycker van 't kwartier van Brugge. Dit blijkt uit volgende post uit de stadsrekening van Damme van 1634-1635 : “Betaelt anden ontfanghere vanden spykere int quartier van Brugghe over proostschuIt gaende vuyt den pijpewech de stede toebehorende, beghinnende vande stede van Damme tot den Maele vijfvere, 't jaers een half hoet terruwe, het zeste deel van een half hoet terruwe, drie hoet en half ende het achtste deel van een hoet ruywen evene (haver), hier over het jaer 1610” (10).
Nog een andere en eigenaardige belastingsschuld lag op de Pijpweg. Ieder jaar, op Paasavond moest Damme een “ myte” (1/72 van een stuiver) betalen aan de gevangenis van Brugge: “Betaelt over het draeghen van een myte upde vanghenesse tot Brugghe up assensioens avont ter cause van het patronaatschip gaende uyt de voornompde pijpwech” (ll).
De Pijpweg werd in de 17e  eeuw door de stad Damme, bij aanbesteding, aan landbouwers in huur gegeven, wellicht als schaapdrift of om er koeien te laten op hoeden op de grasstroken nevens de zijgrachten, of voor hooiwinning. Hij werd eerst in drie percelen verpacht: “vande Kathelinepoort [te Damme] tot het heulkin; van theulkin tot den steenen conduicte ende voorts vanden steenen conduicte tot den rooden huyze; vanden rooden huyze tot den maelschen vivere ». Later (bv. in 1641) in één perceel

De pijpleiding of het conduyt.

Volgens de opgaven van de Belgische stafkaart ligt de bodem aan de vijver van Male 6,94 m boven de zeespiegel en te Damme, te zuiden van de kerk, 4,73 m. Deze bodemhelling van 53 mm per 100 m zal dus voldoende geweest zijn voor een regelmatige watertoevoer.
De leidingsbuis wordt in oude bescheiden genoemd: het conduyt - tconduut - de pipe vanden conduyte - de buse.
Ze was gemaakt in lood: “de loodine buse commende uute den vivere van Malen tot den pijpkine” (12).
Het is ons niet bekend welke de doorsnede was van die buis. Op het stadhuis van Damme bewaart men een oude kraan of sleutel waarmede men de toevoer van water in de waterputten kon afsluiten. Aan die kraan zit nog een klein stuk loden buis met een binnenste middellijn van 8 1/2 cm. De loden wand is 1 cm dik en iets dikker aan de naad. Het is haast niet te denken dat de pijpleiding tussen Male en Damme geen groter opening zou gehad hebben. Er moest zich onvermijdelijk in de pijp een lichte bezinking neerzetten die op de duur aanleiding kon geven tot verstopping (fig. 20).
Evenmin is het gekend of de ondergrondse leiding in het midden van de Pijpweg of meer ter zijde lag en hoe diep ze stak.
Dat ze het immers na een paar eeuwen te Damme zelf niet meer wisten, blijkt üit volgende tekst (1433): “... ende dat sij dolven dweers den pijpweghe omme te vinden hoe diepe dat lach de loodine buse ...” (13).
De pijpleiding eindigde te Damme aan de plaats “het pijpkine” genoemd. Dit pijpkin, gemaakt in metselwerk, stond aan de oude veste nabij de St.-Katherinakerk en de plaats waar de Maleleie in de oude veste uitmondde.
Wij hebben in de archiefstukken geen juiste verklaring kunnen vinden over de functie van het pijpkin. Vermoedelijk was het een soort spuiken ofwel een vergaar- en bezinkingsput, waarin een kraan of sleutel zat om 't water af te sluiten en van waaruit het water onder de vestingsgracht in de stad en naar de verschillende fonteinen geleid werd. Aan de binnenzijde van de stad, tegenaan de veste, was het conduyt in metselwerk gemaakt (14).

De fonteinen.

Het water werd in de stad verdeeld over verschillende openbare waterreservoirs, fonteinen genoemd, waar de inwoners kwamen water putten.
Ze waren in de grond kroonvormig op gemetst, misschien boven de grond zeszijdig, gelijk nu nog de waterput op de Haringmarkt.
Nevens de fonteinen - althans nevens deze op de markt was er ook een pijpkin gemaakt en daarin zat de sleutel om zo nodig de loop van het water af te sluiten.
Aangezien het water moest geput worden, hetgene telkens een omroering in het bezonken slijk en vertroebeling van het water teweegbracht, trachtte men dus door middel van het pijpkin te Male, door dit bij het inkomen van de stad Damme en door een pypkin bij ieder waterput het water zo helder en zuiver mogelijk in de fonteinen te krijgen. Het was een soort zuiverings- of filtreersysteem van die tijd. Het pijpkin gemaakt in 1566 bij de waterput in 't hospitaal van Damme werd een “trasbak” genoemd.
In de middeleeuwen waren er te Damme, buiten de Kerkstraat en de kaaien, weinig straten geplaveid. Het is begrijpelijk dat er dan rond de fonteinen, vooral in de wintermaanden een slijkpoel ontstond. Daarom liet het stadsbestuur de plaats rondom de waterputten kasseien of er duinzand strooien. “Ghevaren te Brugghe ... ende omme te halene de calchyeders omme te calchiedenne rondt omme de nieuwe fontaine» [op de Markt] 12 s. par. (15).
“Betaelt Comelis Valckaert, over dat hij ghebrocht heift, een scip vol duunsandts, om up de mart voor tscepenhuus te stroyene, ende omtrent de fonteyne” (16).
Bij herstellingen aan een fontein werd er potaarde of pottebakkersklei gebruikt (17). Deze diende tot bescherming van de loden moerbuis zoals blijkt uit de aanhaling: “van dat hi de moederpipe van den conduite decte en beleyde met leeme ende met poterde” (V 311) in het Glossaire flamand van Gaillard.
Potaarde werd ooit gebruikt om de voegen tussen de tegen elkaar geschoven buismonden dicht te maken (17).
Door bescheiden uit de stadsrekeningen en andere oude documenten kennen wij de standplaats van vier stadsfonteinen :

1. De fontein genoemd “De vier Leeuwen” :

Ze werd vermeld als zijnde “de principaele fonteyne der stede ghenaemt de vier leeuwen” (18).
Deze fontein stond aan de oostzijde van de Kerkstraat rechtover het koor van O.-L.-Vr. Kerk, ongeveer waar nu de schuur van de hofstede “De Cousse” gebouwd is (18 bis). In de 13e  tot de 17e  eeuw lag daar de “Westerste Paerdstrate” waarvan later een deel verdonkerd en een deel bij de 17e  eeuwse vestingsgordel ingelijfd werd. In die omgeving waren ook de lakenvollerijen gevestigd en was er ook een badstove opgericht, inrichtingen die een groot waterverbruik hadden.
Mogelijk komt de naam gegeven aan de fontein voort van de naam der woning “De vier Leeuwen” waarbij ze stond.
Enkele aanhalingen waarin de fontein vermeld wordt: (19)
- “Huus ende land Pieters Bloten staende bi der fonteine naest Willems huus van Atrecht” (Akte Hosp. arch. 1355) ;
- “De fonteyne bij der stove” (Rek. Damme 1478.79);
- “Een huus dat wijlen een stove was met twee upgaende ghevels deen neffens den anderen, staende bij Onser Vrauwen kercke, in de straete loopende van der stede fonteyne ter vestewaert» [Paerdstrate] (Doc. Hosp. 1480);
- “De stede fonteyne de vier leeuwen”;
- “Bogaerdekin bachten de vier leeuwen bij den barm van der veste daer de vulderien gheordonneert ende ghestelt waren» (Akte Kerk arch. 10 hoym - 1560);
- “Een huuze, erfve ende schuuren staende bij Ste Katharina poorte neffens de vier leeuwen ende barm vander veste, een plaetse wijlent een stove ande westzijde ten voorhoofde metter noortzijde ande strate die loopt vander fonteine ter vestewaert» (Reg. Wettel. Pass. 14 nov. 1588);
- “Huis De vier Leeuwen achter den koor van de prochiekerke... zijnde tselve huyys daer sedert ingevallen en de erve bij niemand angetrocken” (Rek. Hosp. 1736);
- “Ontf. van Lodewijck de bel derthien scheIl, ses gr. over een jaer pacht van een eynde straete langs den waterganck nevens d'erfve van het huys de vier Leeuwen recht over de kercke binnen Damme groot 11 1. 12 R verschenen alf maerte 1780 ...” (Rek. Damme, Hoeke en Meunikereede 1782). (De Familie De Bel bewoonde de hofstede “De Cousse “. - De vermelde straat is verdonkerd doch de watergang bestaat nog).
De ligging van de fontein “De Vier Leeuwen” staat aangeduid op de geschilderde « Caerte figurative van de stede ende fortificatie van Damme» gemaakt door Jacques Lobberecht in 1660 (20) en is aangewezen door de letter L.
Er is anders van deze principale fontein geen spoor overgëbleven.

2. De fontein op de Markt:

Ze stond vóór de oude halle die opgericht werd in 1241. Deze werd afgebroken in 1464 en vervangen door een nieuwe die meteen scepenhuus was, het tegenwoordig nog bestaande stadhuis.
Het stadsbestuur maakte in 1464 van deze gelegenheid gebruik om de oude fontein te laten slopen en een nieuwe op te richten. Stond de oude fontein te dicht bij de halle of was ze bouwvallig geworden? De stadsrekeningen geven daarover geen uitleg. .
Andries Centurion, zoon van de stadstresorier, ondernemer van de “temmeraige ende houtenwere” van het stadhuis, werd met het oprichten der nieuwe fontein gelast en Willem de Bosschere, van Brussel, die “den steenwercke van tscepenhuus” in aanbesteding had, kreeg opdracht er nevens een pijpkin te metsen waarin de sleutel moest komen (21).
De fontein op de Markt wordt aangeduid op de plattegrond van Damme, voorgesteld op het gekende groot plan van Brugge gemaakt door Marcus Gerards in 1562 en op de kaart van Sanderus (22) en Blaeu (23).
Heden wijst een hardstenen deksteen van 80 X 65 cm, die in de bestrating van de Markt 1igt op 7 m vóór de pui van het stadhuis, de plaats aan waar de fontein stond en waaronder nog de waterput van dezelve zit.

3. De fontein op de Korenmarkt:

De Korenmarkt lag te noord-westen van de Markt, van de Reie en de Speibrug, daar waar nu de brug 1igt over het Napoleonkanaal Brugge-Sluis en op de oostzijde van deze brug. Het kanaal is in 1810 door de Korenmarkt getrokken.
De fontein op de Korenmarkt is eveneens voorgesteld op het plan van Marcus Gerards en op dat van Sanderus.
In 1394 bouwde de stad Brugge, te Damme op. de Reie, een nieuwe spui of zeesas (de Grote Speie) op de hoek gevormd door de westzijde van de Kerkstraat en de noordzijde van de Speistraat. Vermoedelijk zal langs daar het ondergronds conduit gelopen hebben dat het water uit de vijver van Male doorheen de Reie naar de Korenmarkt bracht.
Bij de oprichting van de nieuwe speye werd de loden water. pijp, beschut in een houten lade, onder dit zeesas gelegd en aldus in verbinding gebracht met de fontein op de Korenmarkt.
Vóór het uitvoeren van het werk, zond het stadsbestuur vier werk1ieden naar Male om er de watertoevoer naar Damme af te stoppen en het maakte tevens van die gelegenheid gebruik om de verschillende stadsfonteinen te laten ledigen, en reinigen (24).

4. De fontein het Zeugsken :
Deze fontein stond in de Kerkstraat, tegenover de 13e  eeuwse gevel van het St..Janshospitaal, op de rechterhoek van de brouwerij genoemd “Het Zeugsken”, heden de herberg “Hertog van Brabant”..
- “In de Kercstrate ande oostzijde brauwerie gheheeten de Zeughe» (Akte Kerkarchief 1496 . Uit nota's Opdedrinck).
- “Brauwerie de Zeughe” (Verclaers 1555).
-“ ... de fonteyne staende bij den godshuuze, ghenaemt tzuegsken» (Akte Hosp. arch. 1566 - N. Opdedr.).
- “Huus het Suexken” (Kerkrek. 1634 - 35 - N. Opdedr.).
De fontein moet opgericht geweest zijn in 't begin der 15e   eeuw, daar de stadsrekening van. 1427-28, f° 34. v. spreekt over. “Costen ghedaen an de nieuwe fonteyne in de Kercstrate”.

Ze kreeg haar water uit de principale fontein “De vier Leeuwen“.
In 1566 willigden de schepenen van Damme het verzoek in van de Overste van 't Hospitaal om water te mogen trekken uit de stadsfontein het Zeugsken. Hierover een aanhaling uit het werk van pastoor Opdedrinck (25). Wij lezen in een schepenakt van 8 Hooimaand 1566: “Alzoo Mevrauwe ende tghemeen convent vanden hospitale van Sint Janshuus der stede van Damme, bevindende tongherief dat zij hebben deur dat die vanden Godshuuse twatere moeten haelen metten lijve ende slaen met grooten aerbeid ande fonteyne staende bij den voomoemden godshuuze, ghenaemt tzuegsken, dat heift zekere loopende buuse commende vande principaele fonteyne der voorzeyder stede, ghenaemt de vier leeuwen» ... schenken Burgmeesters en schepenen het oorlof om het water uit de fonteine het Zeugsken tot in de keuken van 't hospitaal langs loden buizen af te leiden (Reg. Doc. Hosp. nr. 182)..
 “De gasthuisrekening 1565-66 handelt breedvoerig over de verbinding van het Zeugsken met de keuken van 't godshuis. Zij spreekt van een waterput met een wippe om het water te putten, van een trasbak met metalen slot om de waterafleiding te sluiten en den ijzeren sleutel, van 494 pond loods om aan de afvoerbuis en den trasbak te verwerken, enz. “.
De openbare pomp welke men heden ziet op de hoek van de herberg “Hertog van Brabant” trekt nog het water uit de oude waterput van de fontein het Zeugsken. Deze put die juist vóór de pomp ligt, is veranderd in een “kwelmput” nu bevoorraad door opwellend grondwater en is tegen de grond afgedekt met een arduinen deksteen (fig. 21).
Waren er nog meer stadsfonteinen? Het is mogelijk dat er in het stadsgebied dat lag tussen de oudste vestingslijn en de tweede versterkingsgordel ook fonteinen kunnen bestaan hebben. De stadskring is sedert de 13e  eeuw, in tegenstelling hetgene te Brugge en in andere steden gebeurd is; tweemaal verminderd in oppervlakte. Uit die eerste periode zijn er geen stadsrekeningen overgebleven die ons zouden kunnen inlichten over de toenmalige toestand van de waterbedeling ; de oudste gaat maar terug tot 1392.
De rekening van 1395 spreekt over “den pit ter melcfonteine” (26). Gilliods-van Severen, in zijn toelichting bij het stadsplan van Jac. van Deventer, meent erin de fontein achter de kerk, dus waarschijnlijk de Vier Leeuwen te zien:
“Le puits dit Melcfontein, derrière l'église» (27), doch haalt niet aan waarop hij die situering steunt.
In de stadsrekening van 1657-58, f° 5, r. wordt een fontein aangehaald met naam: “De witte Leeuw”, zonder aanduiding van standplaats. Er kan hier geen spraak zijn van een verkeerde opgave voor de fontein “De vier Leeuwen”, daar deze ook vermeld wordt op hetzelfde blad (27 bis).

Onderhouds- en herstellingswerken.

In 1385 onderging de versterkte stad Damme een merkwaardige belegering. Na de slag bij Westrozebeke, in 1382, bleef de stad Gent in opstand tegen de graaf van Vlaanderen Lodewijk van Male en diens opvolger Filips van Boergondië.
Gebruik makende van de afwezigheid van Rogier van Gistel, die gelast was met de verdediging van Damme, slaagde de Gentse hoofdman, Frans Ackerman, erin op 17 juli 1385 (datum volgens Froissart) in de stad binnen te dringen en er zich meester van te maken.
De koning van Frankrijk, Karel VI, op verzoek van zijn oom Filips van Boergondië, kwam, vergezeld van al zijn vassalen, waaronder de hertogen van Orleans, van Berry, van Bourbon, en van Bretanje, “met grote heyrcrachte naer Vlaenderen” om Damme te belegeren. Zijn leger was nog versterkt door de Brugse en de Ieperse militie en door vrijlaten en werd, volgens de kronieken, geschat op honderdduizend man.
De stad werd heldhaftig verdedigd door Ackerman en Jac. de Schotelaere met 1500 Gentenaars en enige Engelse archiers gedurende een en twintig dagen.
Tijdens het beleg had Filips van Boergondië, graaf van Vlaanderen en echtgenoot van Margaretha van Male, samen met de Franse koning, zijn intrek genomen op het grafelijk slot te Male.
De belegerden in de omsingelde stad, die te vergeefs naar beloofde hulptroepen uit Engeland hadden uitgezien, kregen gebrek aan krijgsvoorraad en aan levensmiddelen. Te Male beschikten de legerhoofden over het middel om hun toestand nog hachelijker te maken; zij lieten aan het pijpkin van de vijver de toevoer van drinkbaar water naar Damme afsnijden. Volgens een andere versie, deze in de Cronijcke van Nicolaas Despars, zou men te Male het water bevuild en ondrinkbaar gemaakt hebben... «”infecterende voorts ooc met diversche vuilichheden ende onreynichheden tvaersch watere van haerlieder fonteynen, nemende source ende oorspronc uyt de vivere te Male, dat zyder alleghadere zieck of bedeghen, ter causen vanden heeten wedere minst ombeeren mochten... “.
Ackerman zou verplicht worden de stad prijs te geven en zich met zijn krijgslieden te laten gevangen nemen. Hij wist echter bij nachte met het grootste deel zijner manschappen naar Gent te ontvluchten.
Over de maatregelen welke nadien genomen werden om de bedeling van drinkwater in de stad terug in orde te brengen, zijn wij niet ingelicht.
Het lijdt geen twijfel of Damme moet, inde loop der eeuwen, veelvuldig herstellings- en onderhoudskosten gehad hebben aan de fonteinen, de waterleiding en de vijver. Hierover halen wij enkele biezonderheden aan.
Regelmatig moesten de fonteinen gereinigd worden. Zo vermeldt de stadsrekening van 1395-96 volgende post: “Betaelt van den fonteine scoone te makene 4 lb. par”.
In oogstmaand 1398 stelde de magistraat van Damme twee en vijftig arbeiders aan om te delven en te zoeken naar een “gebrec” in de loden pipe tussen Male en Damme. De aard van het “gebrec” wordt niet opgegeven (28).
In 1433 moeten er te Damme menigvuldige klachten opgegaan zijn over de slechte hoedanigheid van het water in de stadsfonteinen.
Het bestuur van de stad vond de klachten gegrond. Het zou een grondig onderzoek instellen naar de oorzaak van het kwaad en alle maatregelen nemen en geen kosten sparen om het te verhelpen.
De muederare, persoon aangesteld voor de reinigingsdienst, werd. gelast met het kuisen en zuiveren van al de fonteinen “omme scone watere der bi te ghecrighene”. Hij mocht zich op kosten van de stad schoppen en bezems aanschaffen (29).
Het stadsbestuur ontbood Diederic de Brune, loodgieter te Brugge om “te visenteerne de fonteynen de welke zeere versleten waren”. Het lood in de waterputten werd vernieuwd “mids dat van nooden was” en Diederic kocht aan de stad 414 pond oud, verwezen lood af, dat uit de putten kwam (30).
De brug in de Heerstraat te Male werd hersteld.
Ook het pijpkin vóór de vestingsgracht van Damme onderging een nauwkeurig onderzoek. Er werd een opening gekapt in het metselwerk en een gracht gedolven om het water van dit pijpkin in de vestingsgracht te lozen, vermoedelijk om het grondig te kunnen zuiveren. In de breedte van de Pijpweg liet men een greppel graven met het inzicht te zoeken naar de diepteligging van de moerbuis (31).
Het was echter niet in of rond de stad dat het euvel lag, maar te Male zelf, in het vijverwater dat door de eronderliggende goorlaag bevuild en bedorven was.
De schepenen namen dan het besluit de vijver te laten reinigen. Ze ontboden een bevoegd werkman van Sint-Omaars en vergezelden hem naar Male om zijn advies in te winnen over de manier waarop men de vijver “oorboorlicxt scone maken zoude” daar hij “metallen ghecorrumpeert” was» (32).
Naar zijn oordeel zal het enige doeltreffend middel geweest zijn, de vijver uit te diepen en het slijk te verwijderen.
De muederare kreeg opdracht, met zijn gezellen, een bootje op een wagen te laden, het naar Male te voeren en in de vijver te leggen.
,Tweemaal trokken de burgemeesters en gedeputeerden van Damme met aardewerkers er heen om de vijver rond te varen en te “tinten” naar het dieptepeil van het water en de dikte
van de modderlaag (33).    
Ook uit andere steden werden bevoegde “meesters van graefwerckers” ontboden om hun raadgevingen in te winnen over de schoonmaking of de uitbaggering van de vijver (34).
Een afvaardiging van het stadsbestuur, bestaande uit zes personen, met de twee burgemeesters aan het hoofd, begaf zich naar Brugge bij de Heer Roeland van Uutkercke aan wie, door de graaf van Vlaanderen, de heerlijkheid van het park van Male geschonken was, om hem voor ogen te leggen dat “'t ghemeente vanden Damme” beslist had de vijver van Male, die zo ze beweerden, aan Damme toebehoorde, te doen zuiveren en hem de toelating te vragen om aldaar te mogen de wegen opdelven, het water uit de vijver aflaten en het baggerslijk
neerleggen waar het geschiktst en met de minste kosten kon gedaan worden (35).
De Heer van Uutkercke gaf voor antwoord, dat hij, vooraleer zijn toestemming te geven, de zaak eerst ter plaatse wilde overzien en in beraad nemen of er door deze werken geen schade kon gebracht worden aan zijn warande.
Het probleem een geschikte plaats te vinden voor het uit te baggeren slijk, kreeg intussen ook een oplossing. In de nabijheid van de vijver had de voorname Brugse poorter Filips Metteneye grond liggen in eigendom. De tresorier en de greffier van Damme werden naar hem afgevaardigd met het verzoek “dat men den baggaert van den vivere derup draghen mochte”.
Deze vraag zal wel ingewilligd geweest zijn, daar er verder naar geen ander stortingsplaats voor het slijk uitgezien werd.
De eigenaar deed ten andere, gezien onder het oogpunt van grondverbetering, geen slechte zaak (36).
Daar het antwoord van de Heer van Uutkercke uitbleef, zond de Damse Magistraat de burgemeester van schepenen en de stadsgriffier naar Gent, waar Heer Roeland zich tijdelijk
bevond. Zij herhaalden andermaal hun verzoek, de nadruk leggende op 't eigendomsrecht van de stad Damme op de vijver, op de grote nood welke de stad had aan “varschen watere”
en de dringende noodzakelijkheid met de zuiveringswerken te beginnen, waarvoor alle nodige schikkingen getroffen en het nodige materieel aangekocht was. Het was reeds verre in 't jaar, voegden ze eraan toe, en “de zaken begheerden cortinghe”; daarmede wellicht bedoelende dat ze voor de uitvoering van het werk de periode van droogte, van lage waterstand en van lange dagen wilden te baat nemen.
De Heer van Uutkercke beloofde zonder verwijl naar Male te gaan “omme de zaken te overziene” en daarna een bode naar Damme te zenden met zijn beslissing; belofte welke hij, en in gunstige zin voor de stad, volkwam (37).
Na de uitvoering van dit omvangrijk werk zal de waterbevoorrading aan de bevolking van Damme gedurende een lange periode voldoening gegeven hebben.
Wel waren er de gewone onderhoudszorgen aan de fonteinen of herstellingswerken aan het conduit. Zo zien wij dat in 1464 “Maeye de lijnenmakeghe koorden levert omme de fontaynen huut te slane te diverschen stonden” (38). t.t.z. te ledigen van water en bezonken slijk, en dat in 1510 vier arbeiders moeten delven tussen de fontein de Vier Leeuwen en de veste, om te zoeken naar een gebroken buis (39).
Doch over het uitdelven van de waterkom te Male is er geen spraak meer.
Hoelang heeft Damme water gekregen uit de vijver van Male?
In 1615 werd Damme, die dan als haven van geen betekenis meer was, ingeschakeld in het verdedigingsstelsel van de Spaanse Nederlanden tegenover dit van de Verenigde Provinciën en ingesloten in een nieuwe gebastionneerde versterkingsgordel, omringd door een dubbele natte ringgracht. Het stadsbeeld kreeg daardoor een nieuw uitzicht voorgesteld op de stadsplans van Hoeck, Blaeu, Sanderus en Lobberecht.
Werd daarmede de watertoevoer uit Male stopgezet? Neen, want wij zagen hoger dat in april 1638 twee gedeputeerden van de stad gingen onderzoeken welke de oorzaak was “dat het waeter niet en is lopende” (7). Het zal heel wat moeite gekost hebben om het waterconduyt doorheen de twee vestingsgrachten en door de omwalling in de stad te brengen. Waarschijnlijk was dit werk begrepen in de aanbesteding van de versterkingswerken en uitgevoerd op de kosten van de Domeinen van hunne Hoogheden de Aartshertogen.
Was, na de ondergang van de haven, de burgerlijke bevolking van Damme erg geslonken, met de versterking van de stad en inzonderheid tijdens de opeenvolgende oorlogen van de 17e  eeuw, kwam, benevens een vaste garnizoensbezetting, een gedurig afwisselende inkwartiering van troepen het aantal inwoners aanvullen en meteen een onverminderde behoefte aan drinkbaar water in stand houden.
Nochtans zien wij dat de stadsoverheid sedert het einde van de 16e eeuw minder belangstelling toont voor het water uit de Maalse vijver. Gedurende twee eeuwen had de prater of officier van Male jaarlijks een bedrag van veertig schellingen parisis ontvangen om toezicht te houden op de vijver en de Pijpweg.
In de stadsrekening van 1593 staat de post nog aangehaald. doch zonder vermelding van het uit te keren bedrag. Ook in de rekeningen van de eerste helft der 17e  eeuw wordt, als een traditionele stadsuitgave, de tegemoetkoming aan de prater ingeschreven, maar telkens erbij: “nyet” of  “voor memorie”.
Maakten, in 1635, de inwoners van Damme hun beklag over het water in de stadsfonteinen, en werd de prater van Male gepolst over de toestand van de vijver? Het is mogelijk, want dit jaar werd hem nog een tegemoetkoming toegekend van 3 schellingen 4 groten. De benarde toestand van de stadskas kon niet ingeroepen worden om de geringe vergoeding van 40 scheIl. af te schaffen, daar waar het ging om een zo belangrijke stadsdienst als de watervoorziening.
Eens dat de Maalse officier niet meer betaald werd voor zijn toezicht, zal hij zich niet meer bekommerd hebben noch over de vijver, noch over de Pijpweg. De ware oorzaak zal geweest zijn dat. het water van Male niet onontbeerlijk meer was voor Damme.    .
Wij mogen aannemen dat het grondwater te Damme in de 17e eeuw zijn zilte smaak verloren had en drinkbaar geworden was. De overspoeling met zeewater was sinds eeuwen voorbij en de loop van het Zwin (39bis), waarin toch nog zeewater kwam, was gereduceerd tot een smalle waterloop, de schim niet meer van de vroegere zeearm.
Talrijke inwoners van Damme zullen wel hun toevlucht genomen hebben tot het steken van steenputten. Op 5 à 6 m diepte, gelijk dit heden nog het geval is, komt men op wateraders.
Heeft de inspectie van de vijver en van de fontein aan 't conduyt te Male (7) uitgewezen dat men voor dezelfde toestand stond als in 1433 en dat de vijver opnieuw zou moeten
uitgebaggerd worden?    .
Misschien wel, doch het stadsbestuur, inziende dat de benarde toestand van de stadsfinancies, zal het nutteloos geoordeeld hebben nog verdere kosten aan vijver en waterleiding te besteden.
In 1653 komen de Schepenen van Damme met een radikaal voorstel voor de dag: afzien van het water uit Male; de pijpleiding laten uitbreken en het lood dat ervan kwam, alsmede de Pijpweg zelf, verkopen. De stad zou meteen ontslagen zijn van onderhouds- en herstellingskosten en kon het ijzerwerk uit de fonteinen laten wegnemen, dat anders door de ingekwartierde soldaten gestolen werd (40).
Nog een andere beweegreden zal daarbij een rol gespeeld hebben. De schepenen jammeren gedurig bij het landsbestuur over de armoede van de stad. Deze steekt tot over de oren in de schuld. De inkomsten zijn miniem en slinken van jaar tot jaar. Er is noch handel, noch nijverheid. De stapelrechten en andere inkomstenbronnen in verband met de haven zijn herinneringen uit het verre verleden.
De opvolgende inpolderingen op het Zwin hebben de verzanding en de ondergang van deze waterweg in de hand gewerkt en geleidelijk in de Zwinstadjes de handel en de scheepvaart doen vervangen door de landbouw en de veeteelt, die op hun beurt de stadsfinancies moesten rechthouden; doch de zee had weelde en overvloed gebracht en dat kon de landbouw niet, onderhevig, in een voortdurende oorlogstijd, aan de plundering en vernieling door roofzuchtige legerbenden.
De grootste last die op de stad drukte en die een eeuw lang de nachtmerrie van de magistraat uitgemaakt heeft, kwam van de inkwartieringskosten der officieren van 't garnizoen en van de hier gestationneerde troepen; kosten welke de stad moest afdragen. Ze werden opgebracht door belastingen of geschotten gelegd op de paallanden, dus door de landbouw, waardoor regelmatig het stadsbestuur in wrijving en conflict gebracht werd met eigenaars en pachters.
Men kan begrijpen dat de schepenen gretig elke andere gelegenheid te baat namen om aan inkomsten te geraken. Het verkopen van de aanzienlijke hoeveelheid lood welke de pijpleiding zou opleveren, was er een waarvan ze de beste verwachtingen hadden.
Die verkoping liep zo maar niet van een leien dakje. Men had rekening te houden met de administratieve rompslomp en andere moeilijkheden. Het volstond niet met de beslissing van de schepenen; de toestemming moest er zijn én van de notabelen, én van de Raad van Vlaanderen, én van de Privé-Raad van het Hof te Brussel.    .
Sedert 1594 waren, door Filips II, de drie verarmde Zwinstadjes Damme, Hoeke en Monnikenrede verenigd onder een. zelfde bestuur en rechtsmacht. Door deze vereniging waren de waterleiding en de Pijpweg gemeenschappelijke eigendom geworden en hadden de schepenen en notabelen van Hoeke en Monnikenrede, zowel als die van Damme toe te stemmen in het verkopen van de loden buis en de weg.
De 12 mei 1653 verzocht de .magistraat de toestemming van de notabelen om aan de Raad van Vlaanderen en aan de Privé-Raad een octrooi tot verkopen van het lood en van de Pijpweg te mogen vragen. Tezelvertijd werd hen verzocht te consenteren in het leggen van een belasting van zes schellingen per jaar en per gemet op de paallanden voor de duur van drie jaar. Ze stemden erin toe op voorwaarde dat ze nogmaals zouden gehoord worden bij de verkoping en dat de belasting op de paallanden zou verminderd worden of wegvallen zohaast de stad over de penningen van de verkoping van het lood kon beschikken. De opbrengst zou dus hoofdzakelijk moeten dienen om de lasten te verlichten die op de paallanden en derhalve op de landbouw drukten (41).
Om de zaak nog ingewikkelder te maken was er intussen oppositie gekomen tegen het verkopen van lood en weg. Door wie en om welke reden, kan moeilijk uit de bewaarde archiefstukken uitgemaakt worden, doch ze was er de oorzaak van dat het verlenen van het verkopingsoctrooi drie jaar bleef aanslepen.
Het was de Raadsheer de Gomicourt te Gent. die zich vooral met de zaak bezig hield.
De 13 mei 1654 werden de stadsgriffier en de tresorier naar Gent afgevaardigd “omme te hooren de redenen van oppositie, vande opposanten jeghens het vuyt doen ende vercoopen van de buuse”. Er is geen verslag te vinden over hun onderhoud met de Gomicourt. De 4 mei 1654 geven opnieuw acht notabelen toestemming tot verkopen van het conduyt (42) en andermaal de 14 december 1654 consenteren Louys du Flos ende Guille van Ramsbeke, notabelen van Damme, Hubrecht Caf, Bartholomeus Dirycx en Joos Vander Veken, notabelen van Hoeke en Jan Vander Heecke notabele van Monnikenrede, in het schieten van zeven schellingen per gemet en per jaar voor de jaren 1655, 1656 en 1657 “alles op conditie dat de voornoemde ghemeente van het voorseide gheschot ofte deel van diere sullen worden ontlast ende ghedechargeert, soo haest de loode buuse sal vercocht worden, ofte. de stede bij eenighe andere middelen sal worden gheprovideert...”.(43 )
Nog driemaal wordt de stadsgriffier naar Gent gezonden om schot in de zaak te krijgen (44) tot eindelijk de Gomicourt laat weten dat de Raad van Vlaanderen de 27 mei 1656 geconsenteerd heeft in het in aanbesteding geven van de pijpleiding, op voorwaarde dat men met de uitvoering van het werk eerst mocht beginnen op de datum vastgesteld door het Hof.
De “notables ende ghemeenten” van de verenigde stadjes worden de 2 juni 1656 opgeroepen om met de magistraat de voorwaarden van de aanbesteding vast te stellen en een bevoegd
persoon aan te stellen gelast met “den ontfanck ende administratie van de pennynghen danof te procederen” (45).
Er werd dus, buiten de jaarlijkse stadsrekening om, een afzonderlijke boekhouding voorzien van alle ontvangsten en uitgaven dienaangaande.
Hier volgen enkele bepalingen van de aanbestedingsvoorwaarden.
Het opgravingswerk van de loden pijp wordt in vier loten verdeeld; drie loten ieder van driehonderd roeden lang en het vierde lot voor het overige vak. Deze loten worden gemeten en afgebakend door een gezworen landmeter. Ieder vak zal toegekend worden aan de aannemer die het laagste aanbod per roede doet. De aannemers zullen iedere dag, vóór het sluiten van de stadspoort (46), al het lood dat ze die dag uitgedolven hebben, binnen de stad en in het vleeshuis brengen. Daar zullen twee wegers, aangesteld respectievelijk door de schepenen en door de aannemers, het lood wegen. De aannemers zijn gehouden de bepaalde hoeveelheid lood af te leveren waartoe ze zich verbonden hebben; zoniet zal er voor het ontbrekend metaal, van hun tegoed een bedrag afgetrokken worden, berekend tegen een eenheidsprijs gelijk aan de meest voorkomende verkoopprijs van het lood. De aannemers zullen na de opgraving de Pijpweg in dezelfde. toestand brengen zoals hij voorheen was. Ze moeten ook een solvabele borg stellen. De aangestelde ontvanger zal aan de aannemer, binnen de acht dagen na het aanvangen van het werk een derde betalen van het bedrag der aanbesteding en het overige binnen de veertien dagen na het verkopen van het lood.
Er zal overgegaan worden tot de verkoping van het lood na het inzamelen van de ganse hoeveelheid en na gemaakte ruchtbaarheid “door publicatien ende affixe van billetten soo in dese als andere omligghende steden”. De verkoping zal geschieden bij opbod en per honderd pond lood, onder voorwaarde dat elke koop vijfhonderd of duizend pond moet bedragen, ter optie van de koper. De koopsom moet betaald worden een derde comptant, een derde binnen de zes weken en het overige derde binnen de volgende zes weken. Ook de kopers moeten een borg stellen (45).
De Pijpweg zou verkocht worden met inbegrip van “last van spijckerschuldt ende van liber passagie te voet, te peerde ende te waghene, als van ouden tijden”. Deze servituten vormden een bezwaar tegen het verkavelen van de weg in percelen. Om deze reden besliste “het collegie” hem in zijn geheel te verkopen (45).
In de voorwaarden is niet gestipuleerd of de ganse. Pijpweg, van aan de O.L.Vrouwpoort te Damme tot aan de vijver van Male, zou vervreemd worden. Mogelijk was het maar het deel dat buiten de pale van de stad lag, t.t.z. van de Stenen Heule tot Male, vermits het vak van de huidige steenweg Damme-Vivenkapelle (tussen Damme-dorp en de Stenen Heule) dat vroeger ook tot de Pijpweg behoorde, heden nog eigendom is van de gemeente Damme.
De afzonderlijke boekhouding over de inkomsten en uitgaven, in verband met het uitdelven van de loden pijp en het verkopen van het lood en van de weg, is zoek geraakt of vernield en tot nog toe niet teruggevonden, evenmin als de dubbels welke de aangestelde ontvanger, Jan de la Rue, gehouden was aan de Raad van Vlaanderen en aan het Hof over te maken.
Er is dus noch over de uitslag van de aanbesteding, noch over de uitgevoerde werken, noch over de opbrengst van de verkopingen enige inlichting te vinden.
In het archief van de Raad van Vlaanderen (47) berust over deze aangelegenheid enkel een brief gezonden door de Robiano, uit naam van de Privé-Raad van 't Hof, aan de Raad van Vlaanderen, waarbij hij het advies van deze instelling vraagt over een rekwest hem toegestuurd door de magistraat van Damme en de te nemen beslissing overlaat aan de Raad van Vlaanderen. Dit schrijven geven wij in bijlage (48).
Als gevolg daarvan werd de toestemming verleend tot het houden van de aanbesteding, welke plaats greep de 4 oogst 1656 (49).
Om mogelijke verduistering of bedrog uit te schakelen, beslisten de schepenen van zelf en beurtelings elke dag aanwezig te zijn bij het inbrengen en wegen van het lood, zelf het gewicht te noteren en de opgaven over te maken aan de ontvanger de la Rue (50).
Het ware belangwekkend geweest té vernemen hoeveel lood wel aan de pijpleiding besteed was. Het zal een aanzienlijke hoeveelheid geweest zijn, dit blijkt uit het lotissement in partijen van minimum vijfhonderd of duizend pond. We mogen bovendien gerust aannemen dat onze voorouders in de 13e  eeuw, zoals ze het gewoon waren, degelijk werk wilden leveren dat de eeuwen zou trotseren en dat ze niet op enige honderden ponden lood zullen gezien hebben.
Ook de verkoping zal ruimschoots voldoening gegeven hebben.
Wij zien immers dat de magistraat presenten uitdeelt en honderd vijftig gulden van de verkoopsom schenkt aan de markies Strossy, commandant van de ingekwartierde troepen,
“.in recompense van de diensten bij hem an de stadt ghedaen. soo in tregardt van de wachten als logementen, ende vuuyt doen van de buyse” (51). .
De gouverneur van Damme, baron de Camargo, werd nog ruimer bedeeld, en ontving zeshonderd guldens van de verkoopsom “van de buyse” als beloning van aan de stadt bewezen diensten (52).
De opbrengst zal hoofdzakelijk de bestemming gekregen hebben welke de schepenen en notabelen haar voorbeschikten, t.t.z. bijdragen tot het verminderen van de geschotten op de paallanden. Een tekst dienaangaande schijnt nochtans tamelijk duister (53).
De Pijpweg werd verkocht de 8 november 1656 (53).
De stadskas is er echter geen groot rijker door geworden.
De verkoopsom, waarop ze sinds lang geluimd was, werd ingehouden door de Raad van Vlaanderen, wellicht tot aflossing van oude schulden.
De stadsrekening van 1657-1658 geeft daarover deze aanhaling :
“Dheer Valentijn Ghilmo had in pachte den Pijpwegh, dewelke met consente van de Raedt van Vlaenderen gheauthoriseert bij sijne Majestheyt is vercocht in 1656.
De coopsomme van welcke is gedaen in een particuliere rekeninghe, dannof ghedaen bij dhr. Jan de la Rue ende dannof deselven Raede de dispositie tharewaert heeft ghereserveert dus hier niet” (54).
Daarmede werd dit kapittel uit de plaatselijke geschiedenis afgesloten en is de oude Damse watervoorziening, een der getuigenisen van de belangrijkheid der oude stad Damme, stilaan in de vergeethoek geraakt.
Noch in de stadsrekeningen, noch in de resolutieboeken werd er verder over gerept, tot in 1824 de verre herinnering eraan voor de Dammenaars opnieuw opgerakeld wordt.
Men had in de dorpskom, mogelijk bij 't aanleggen van bestratings- of rioleringswerken, delen van de oude loden pijp tussen de vroegere fonteinen.teruggevonden. Een welkome vondst voor de vroede gemeentevaderen. Ze lieten door de Gazette van de Provincie West- Vlaenderen en. der Stad Brugge afkondigen dat er de 18 november 1824, 4.600 Nederlandsche ponden “oude loote Moerbuyse” zou verkocht worden (55). Dit lood bracht voor de gemeentekas een som van 531 guldens 38 cents op, meer dan een vierde van de jaarlijkse inkomsten van de gemeente in die tijd (56).
Hoeveel ponden lood moeten er dan in 1656, tussen Damme en Male, niet opgedolven zijn!
De Pijpweg, door Damme vervreemd, werd andermaal verkocht, het vak van Male-vijver tot de Stenen Heule, in 1819 (57), en nogmaals, van aan de herberg Lettenburg tot aan de Stenen Heule, in 1838 (58). Hier vermeldt de bekendmaking dat de weg in dit vak een oppervlakte had van 2 ha 86 a.
Heden wordt de Pijpweg onderhouden door het gemeentebestuur van St.-Kruis, evenwel het recht van boomaanplanting is nog in privaat bezit.
Met het afschaffen van de oude waterleiding is ook geleidelijk de naam “fontein” verdwenen uit de volksmond. In 1765 “wierd publicquelyck verpacht de suyveringe van den put op de cooremarckt ende is toegestaen op Bernaerd Canniere voor vijf guldens” (59). Geen sprake meer over fontein; ’t was een waterput geworden.    .
Als herinneringen aan de vroegere waterleiding hebben we nog: een slot of kraan komende uit een der fonteinen en bewaard in het museum op 't stadhuis; de Pijpweg naar Male; de openbare waterpomp tegenover 't hospitaal, in de Kerkstraat, die nog water trekt uit de put van de oude .fontein “ ’t Zeugsken”, en de put van de oude fontein op de Markt. In 't begin van deze eeuw stond er nog een pomp tegenaan de woning, links nevens het stadhuis; ze trok water uit de fonteinput op de Markt. Gebruik makende van de herstellingswerken aan het stadhuis in 1896, had men deze pomp een sierlijker uitzicht gegeven door ze in te bouwen in een soort wit stenen vierkante pijler met de vorm en het uitzicht van een der pinakels welke de opengewerkte balustrade aan de voet van het dak van 't stadhuis sieren. Er werd weinig gebruik gemaakt van deze pomp, die te ver van de pompput verwijderd was en daardoor het pompen zeer lastig maakte. Ze is sedert een dertigtal jaren verdwenen.

ENKELE GEGEVENS NOPENS MONNIKENREDE

Dit stadje, langs het Zwin, iets stroomafwaarts Damme gelegen, en dat met de bloei van Brugge groot was geworden, ging ook met Brugge ten onder, in zulke mate dat alleen zijn
naam is overgebleven.
Zijn inwoners zullen hun water hoofdzakelijk uit de waterlopen gehaald hebben, zoals blijkt uit enkele citaten in De Flou.
1431 : “Betaelt den leveraers, vander stede waterscip te vervaghene” (= reinigen).
1481 : “metten oosthende ander heerwech daer twaterscip in staet”.
1507 : “tusschen de stede van Muenkenreede wegh die loopt vander hoochstraete ter waterschepe waert “.

VERANTWOORDING EN BIJLAGEN

(1) Rijksarchief Brugge: Chart.
In de XV. eeuw waren de akten van verschillende previlegen, welke de stad in vroeger eeuwen van de graven van Vlaanderen ontvangen had, verloren gegaan. Op verzoek van de magistraat van Damme heeft Filips de Goede in mei 1421, Mr. Thierry Gherbode, zijn bewaarder van de charters betreffende het graafschap Vlaanderen, opdracht gegeven, een
afschrift van drie oorspronkelijke keuren uit de 12e . en 13e  eeuw aan de stad Damme over te maken. Tezelvertijd bevestigde de Vorst ten eeuwigen dage deze previlegen. De hier aangehaalde tekst van de charter van 1269 is aan dit stuk ontleend (L. Gilliodts.van Severen . Coutume des Pays et Comté de Flandre Tome deuxième; p. 248-250).
(2) Rekening Damme 1478.79, f°26, v.
(3) “Vijver in zijn barm daerinne liggende ...” (De Flou. - Woordenboek der Toponymie van WesteI. Vlaanderen, enz. - dl. X bI. 4).
(3bis) Kaart berustende op het Rijksarchief te Brugge.
(4) Rijksarchief Brugge. - Kaarten nrs. 530 en 531.
(5) De Flou. - a.w. dl. X bI. 4.
(6) Opgaven mij vriendelijk medegedeeld door Juffr. Magda Cafmeyer. 
(7) Resolutieboek Damme 1620-1661 (Brugge: Rijksarchief nr. 15771).
(8) De taak van een prater bestond in het waken tegen aanrichten van schade aan akkers, veldvruchten (ook door het vee) aan weiden en bossen toegebracht. Hij was dus veldwachter in de eigenlijke zin van het woord (Volgens Verwijs en Verdam).
(9) Spyckerschuld was een belasting op sommige gronden, verschuldigd aan de graaf van Vlaanderen, bestaande in het leveren van een last. gestelde hoeveelheid veldvruchten. Deze moesten gebracht worden naar een bepaalde bergplaats: de Spycker. Naderhand werd die levering vervangen door het betalen der geldwaarde van de te leveren vruchten.
(10) Rek. Damme 1634-35. Rijksarchief Brugge (Vrije nr. 11328).
(11) Idem – f° 22, v.
(12) Rekening Damme 1433-34, f° 29. Rijksarchief Brussel.
(13) Idem – f° 29.
(14) Zie verder herstelling in 1510.
(15) Rekening Damme 1464-65.
(16) Rekening Damme 1528 - 29 f. X 20, v. (Rijksarchief Brugge).
(17) Rekening Damme 1478 - 79.
“Idem den XIIIIn dach van september anno LXXIX ghedaen vermaken de fonteyne bij der stove was, (de vier leeuwen) daer an verbezicht VI speten poterde te eenen groote ende halve elc spet, comt midsgaders XII grooten van vrachte VIII s grooten ende pieter connent van XIIIIdaghen dat hij daer an vrochte ende calcyde te XVIII grooten sdaechs met zijnen cnape comt XXI s.gr. valent XVII lb VIII s parisis”.
(18) Doc. Hospit. 8 hoym. 1566.
(l8bis) Hofstede “De Cousse” (Kerkstraat 44) tegenover toegang naar de kerk.    .
(19) Uit nota's Opdedrinck.
(20) Kaart bewaard in Gruuthusemuseum te Brugge.
(21) “Andriese Centurion f Andries, van dat hij tsijnen laste gebroken heift d'oude fontaine ende eene nieuwe ghemaect 60 lb par” (Rek. Damme 1464 - Rijksarchief Brussel).
“Willemme de Bosschere, van dat hij ghemaect heift een nieuw pijpkin neffens der nieuwer fontaine daer eenen nieuwen slotele in staet, 34 lb., par” (id.) - (Willem was de zoon van Godevaert de Bosschere die het plan of “patroon van der maetselrije” van het stadhuis gemaakt had). 
(22) Flandria Illustrata. Keulen 1640.
(23) Joannes Blaeu. Het Tooneel der Steden van 's Konings der Neder. landen. 1649.
(24) “Betaelt van de plancken te draeghenc in de halle daer de lade of ghemaect es daer tconduit in licht onder de nieuwe speye”. (Rek. D. 1394-95 – f° 48 v . Rijksarchief Brussel).
“Costen vande lade te makene daer tconduyt in licht “. (Id. f° 49, v). “Betaelt van alle de fonteynen hute te slaene omme tvorseide conduit te leghene”. (Id. f° 49 r 20).
(25) Z.E.H. J. Opdedrinck: St.-Janshospitaal te Damme. (Tielt 1951). 
(26) De Flou. W. db. der Toponymie.
(27) Atlas des Villes de Belgique au XVI" siècle. . Brussel 1882.
(27bis) “Marijn borre gheldt telcken 22n meye XII gr. omme den cheins van XII roeden landts in de langhde ende 11 roeden inde breede ligghende tusschen de fontaine de witten leeuw ende hemlieden huys aent tselve gheappliquiert ontfaen 1657”.
(28) “Ghewrocht ende ghedolven met LII handcnapen omme te zoukeue t ghebrec dat was an de pipe vanden conduite dat comt uten vivere van Malen”. (Reken. Damme 1397-98, f° 38, v. .Rijksarchief Brussel). 
(29) “Item betaelt Adriaen Bagghe muederare van dat hi de fonteynen hier binder stede zuverde ende scone maecte, ten tween stonden, omme scone watere der bi te ghecrighene, ende voort vande scuppen ende bezemen der toe verbezicht, alsoot van nooden ende. ghecostumeert heift ghezien... “ (Rek. Damme 1433.34 f° 13, v. - Rijksarchief Brussel).
(30) “... Jan Blavoet, tresorier ghevaren te brucghe omme te sprekene met Diederic de loodghietere te dien hende dat hi hier quam omme te visenteerne de fonteynen hier binder stede, de welke zeer versleten waren, of men hemlieder helpen mochte ende mids dien beter watere te ghecrighen:.. (Rek. Damme 1433-34, f° 21, r.).
“Item ontfaen van Diederic de Brune, loodghietere te Brueghe van IIIIc XIII pont houts loods bi hem ghecocht jeghen de stede, commende vute den fonteynen van deser stede omme dat men de zelve fonteynen met nieuwen loode moeste gaen vermaken mids dat van nooden was, XX miten van den ponde, ghemerct dat hout versleten lood was...:”(Id.).
(31) “ Costen ghedaen ende betaeIt an 't pijpkin buten Damme, o.m den vivere te Malen ende ande brucghe in de Heerstrate aldaer, mids dat bi den advijze ende overeendraghene van alden ghemeente van des er stede ghesloten heift ghezyn den vorseiden vivere scone te makene bi den ghebreke ende openbare nood .die ooc hier was van goeden sconen watere alsoo. elc weet, ende dit hoven den aerbeydt ende betalinghe die tghemeente van deser stede in persoonen anden vivere ghedaen heift.
Van dat zij dolven eene gracht vanden pijpkine dweers der strate omme twater van den pijpkine in de veste vander stede te doen zuweerne, voort een gat braken in den muur beneden in tselve pijpkin omme tsuweernen swaters vorseid, ende dat sy dolven dweers den pijpweghe omme te vinden hoe diepe lach die loodine huse commende uute den vivere van Malen tot den pijpkine >. (Id. f° 29).
(32) “ Item betaelt van zekeren costen ghedaen te Malen bi Jacob van Mendonc, beurchmeester, Jacob de Clerc, Willem de Knuut, Gheeraert
Laernout, Simoen Bastier ende Anseel de welke met eenen roereman.van Sent Omaers die hier commen was, omme avijs te hehhene ende te overziene hoe men de vivere te Malen best ende oorhoorlicxt scone maken zoude moghen, mids dat ghesloten was bi der ghemeente van deser stede, dezelve vivere die metallen ghecorrumpeert was, te zuverne). (Id. f° 13, r.).
(33) “Item hetaelt Adriaen Bagghe ende zijne ghesellen, van dat zij bi beveilne vanden beurchmeesters, hier bin der stede een bootken up eenen waghen  loeden, twelke bi hemlieden te malen ontladen was, ende inden vivere gheleit, omme den voorseiden vivere der mede te tintene ende te overslane ». (Id. f° 13, r).
“Item betaelt van zekeren costen ghedaen te Malen, ten tween stonden bi den burchmeesten ende ghedeputeerden van deser stede, de welke daer gheweist hebben met zekeren graefwerckers omme den vivere te tintene, ende wiscerne hoe hi oorboorlicxt scone ghemaect zoude zijn alsoo. tgrootelike van nooden was”. (Id. f° 13,v).
(34) “Item betaelt zekere meesters van graefwerckers de welke hier ontboden hebben gheweist, omme haerlieder avijs te hehbene up tscone maken van der vorseiden vivere ende dit in hoofschede over haerlieder aerbeyt:.. (Id. f° 13, v).
(35) “Item den Xn dach inde zelve maend (april) ghevaren te Brueghe.
beede de beurchmeesters, Jacob Wulpont, Jacob Scotte, Willem. f. Willem, Jacob de clerc, Michiel Orneweder, ende Anseel an minen heere ad. Roeland van Uutkercke, mids dat hi occupeert de eerlichheit vanden paerke van male bider ghifte van onsen gheduchten heere, hem te kennen ghevene, hoe dat bi ghebreke van varschen watere, ende mids dat twatere inden vivere te malen met allen ghecorrumpeert was, tgemeente vanden Damme den zelven vivere, twater meenden af te latene ende te doen zuverne alsoot van nooden was, en toebehooren zoude, mids dat de voorseide vivere der stede vanden Damme toebehoort, versoukende dat men bi zinen consente de weghen up delven mochte, ende twater te laten
scietene daerts van nooden ende orboorlicxt wesen zoude; ende de vulichhede vanden vivere leeghen mochte, daer zyt ghelaghelicxt vinden ende aviseeren zoude ten orboore vanden zelven wercke, up ’t welcke mijn voorseiden heere verantwoorde, dat al eer bi der in consenteren wilde, bi omme de bewaemesse van zine warande, ende dat daer an
cIeven mach, de zaken overzien wilde, ende hem derup beraden alsoot
van nooden was, beloofde der toe te verstane zeere cortelike zonder speeiale tyt der toe te stellene, hier omme verteert ende vervaren mids eeneghen notabelen wesende bi minen voorseiden heere metten ghedeputeerden int caberet quamen teeren IX lb X 11 s. par “. (Id. f° 21 r).
(36) “Item ... Jan blavoet ende Anseel ghevaren te brueghe ghelast van der stede weghe omme te sprekene met philips metteneye, de welke land lieghende heift, anden vivere te malen, biddende up dats van nood en ware consenteren wilde dat men den baggaert van den vivere derup draghen mochte... ». (Id. f° 22, v).
(37) “ Item den XXIn dach zelve maend (wedemaand) Pieter van Luevene, beurchmeester ende Anseel ghevaren te ghent bi laste vanden ghemeente, van deser stede, omme te sprekene met minen heere ad. Roeland doe daer wesende also. men zeide, ende de welke verboden hadde dat men anden vivere te malen niet commen en zoude, voor bi tplein over ghezien hadde omme hem hendeliken te verclaersen, trechte dat die vanden Damme hebhen anden voorseiden vivere, ende dat tghemeente van deser stede, emmer den voorseiden vivere meenden scone te doen makene, naer haerlieder ghenouchte, ghezien dat zij ghereescepe der toe ghecocht ende besproken hadden, mids den grooten ghebreke dat hier was van varschen
watere, hem biddende dat hi hier in te vrede ende ghepast wilde zien.
Want men niet langher verheyden en mochte mids dat verre int jaer was ende de zaken corttinghe begheerden. Min voorseiden heere verandwoorde dat hi van daer tbuus waert trecken zoude, omme de zaken te overziene, of zine speciaele bode daeromme zenden twelke hi daernaer vulquam”. (Id. f° 22, r).
(38) Rekening Damme 1464-65.
(39) “Simon payen, cIaeys crepel, adriaen ende luuc bart van te delven up de veste bachter fonteyne bij den kercke, omme te zouken, een ghebroken conduyt, elc twee daghen, te elc VI s.groten. sdaechs “.
“Symon de carreman, van den steenen brycsteenen te voeren an de veste ende twee carren zands voor al XIII s “
“ Jan de broucker matsenare, van te maken tzelve conduyt mids zekere steenen ghelevert omme tconduyt te decken, voor al VII lb.,III s “. .
“ Betaelt drie delvers die tzelve conduyt weder stopten, ghemaect zinde, bij taswerke bestelt omme II lb. IIIs. Van te draghen zes hoet calc, omme twerc vande voorn. conduyte IIIs “. (Rek. Damme 1510-11, f. 24. v). .
(39bis) Het Zwin, tussen Damme en Sluis, werd sedert 1546 de “Zoute vaart” genoemd, in tegenstelling met de alsdan nieuw gegraven “Varsche vaart" (van Damme naar Sluis) die een zoetwaterkanaal was.
(40) Betaelt Mary Ghilmo…    daer in begrepen de teiren vande wercklieden dewelcke utghedaen hebben het iserwerck staende inde fontaine twelcke periculiteerde ghebroken ende ghenomen te worden vande soldaeten van.den voornoemden don Johan de Gand, de welcke vele dierghelycke insolentien waren doende, ... “ (Stadsrek. 1653, f° 44 r . Rijksarchief Brugge).
(41) “Actum den XIIn meye XVI dry ende vichtigh.
Burghmeesters ende schepenen hebhen inghevolghe van hunne voorgaende
resolutie ghenomen op de XXIn april 1653, ex officio.ghedaen daghvaerden heren Jan houek, Charles huughe, Guille van Ramsbeke ende Jan Verheecke als notables van de ghemeenten van Damme, Houcke ende Munckereede als wanneer sy in camer synde ghecompareert, bij den greffier is afghevraeght ofte sij van intentie waeren te consenteren in het versouck van octroy tot lichten ende vercoopen vande loode buuse ende pijpwegh doeronder de voorseide buuse es ligghende loopende van Damme tot inde male vivere; waerinne de ghedaeghde conformelick ende also lutelick hebben. gheconsenteert, behoudens nochtans andermael ghehoort te moetten worden opde vercoopynghe vandiere, .het welcke bij resolutie vanden collegie is  gheaccordeert.
Voorts hebben de voornoemde ghedaeghde alvooren ghevraeght wesende, op het versochte octroy tot belasten vande paellanden gheconsenteert te schieten ses schellynghen tjrs vuytte ghemete voor den tijdt van drije jaeren, op conditie dat tselve geschot sol commen te cesseren indien de lasten vande stadt, conden betaeIt ende afgheleyt werden mette pennynghen te procederen vande voorseide loode buuse ende pijpwegh, behoudens voorts de costen bij de ghemeente ghesupporteert ter cause vande oppositie bij hun jeghens het selve versouck van octroy ghedaen, metsgaeders de gone sy schuldigh sijn an hemlieden Advocat ende procureur ghedooght in het. proces loopende op het recollement van stadts rekeninghe, sullen werden betaelt vuytte casse der voorseide steden...” (Resolutieboek Damme, Hoeke en Monnikenrede 1652.1657, f°14 v . Rijksarchief Brugge). 
(42) Resolutieboek 1652-1657. Zien 4 mei 1654.
(43) Resolutieboek zien 14 december 1654.
(44) De 2 en 4 april 1655 en de 10 april 1656 (Resolutieboek 1652-57). 
(45) “Actum in camere ter extraordinaire vergaederynghe, present tgheheele collegie ghereserveert den balliu ende de Buck, latsten meye 1656. Gheresolveert inghevolghe vande ordonnancie van commissaris van XXVIIn deser te convoceren de notables ende ghemeenten deser stede jeghens vrijdagh den IIn juny ten elf euren voornoene omme te concipieren hoe ende in wat conditien men besteden sal t'uytdoen vande buuse, ende te vercoopen van diere ende vande pijpweh, voorts wyen men capabelst vinden ende denommeren sal tot den ontfanck ende administratie van de pennynghen dan of te procederen”.
“Actum in camere ter extraordinaire vergaederynghe II Juny 1656, pnt. tgheheele collegie ende de ghemeente deser steden, cito pr. michiels . ex officio. .
Conditien gheconcipueert bij burghmrs ende schepenen metsgrs de voornoemde notable ende ghemeenten op de welcke soude uytghedaen ende vercocht worden de loode buyse loopende van Damme tot anden male vivere, metsghaders den pijpwegh daer onder deselve is ligghende, inghe. volghe van de ordonnancie van den heere Raedt de Gomiecourt den 27n meye 1656, relatif op de gone van 13n der selve maendt.
Alvooren dat men ala hauche besteden sol binnen de stadt van Damme ten daghe bij den hove te prefigieren de voorseide buyse vuyt. te doen in drye distincte partijen telcken van drije hondert roeden, ende de vierde reyse de reste bij.de roede de gone voor minst doen de naerste.
Ende sullen de respectieve partijen van drije honderdt roen ende de vierde te vooren afghemeten worden bij gheswoorne Landtmeters beghinnende van de fontaine staende ande Onse L. Vrauwe poorte.    
D'annemers sullen .daghelicx voor, het luycken van de poorte verobligiert wesen binnen de stad in het vleeschhuys bij mane te brynghen alle het loodt dat sy telcken daghe vuytghedaen sullen hebben danof notitie sol ghehouden worden bij den gonen van weghen den collegie daertoe te commiteren ende bij den annemera contre notitie bij hun respective;..
Ende in cas deselve annemers soo vele lood nyet ghelevert en sullen hebben, als sy sullen aenghenomen hebben vuyt te doen, sullen deselve cortheyt presteren naer advenant den meerderen deel van 't loodt vercocht sal worden, tot verhael van welcke cortheyt de besteders sullen moghen inhouden in deele ofte gheheele de twee latste payementen van drije van
de partie van soo vele sy aenghenomen sullen hebben.
Deselve annemers sullen de pitten ten dien eynde bij hun te maecken wederom vollen, ende den wegh weder capabel maecken, omme door deselve te passeren te voet te peerde ende te waghen als voor date van diere.
Dan in cas de voorseyde aennemers par adventure bevinden dat er op eenighe platsen yet van de huyse manquierde, sullen tselve immediatelijck naer dat sij tselve bevonden hebben, te kennen gheven ende toonen ande gone bij den collegie omme sorghe te draeghen te commiteren, op peine dat sij nyet jeghenstaende de quantiteyt int gheheele sullen moeten
presteren op peine als ten IIIIn arlo.    '
D'annemers sullen beghinnen ten sulcken daghe als thof ofte den collegie ordineren sal ende int werck continuerende sonder interruptie.
Voorts sullen sij voor het volbrijnghen van alle de voorseide conditie ende elck van diere stellen souffisanten ghecertifierdighe seker borghe ende principael binnen Damme ofte binnen Brugghe daer sij best comen, ten contentemente vande besteders. Alles op herelicke ende reele executie, ghelijck oock sullen verbonden wesen hunne respective borghen.
De besteders sullen ande annemers binnen acht daghen naer dat sij begontst sullen hebben daerinne te wercken advanceren een derde van de partie daer vooren sij t'anghenomen sullen hebben, ende de resterende twee derden binnen veerthien daghen naer dat de voorseyde buyse sal vercocht wesen.
Ende int regardt vande vercoopynghe vande buyse is gheresolveert, dat men naer dat deselve gheheel vuyt ghedaen sal wesen, ende naer voorgaende publicatie ende affixe van billetten soo binnen dese als andere omligghende steden, deselve sal vercoopen ala haulce bij de honderdt ponden, elcke coop vijf honderdt ofte duyst ponden, ter optie ende gheriefve van de coopers, twelcke sy immediatelijck naer den clopslagh sullen verclaren. De coopers sullen de coopsomme betaelen bij een derde ghereet ende een derde binnen ses weken, ende tresterende derde binnen de andere ses weken daernaer. Voor welcke betaelijnghe de coopers sullen stellen souffisanten sekere borghe ende principael binnen dese ofte de stadt van Brugghe. Alderstont sij hun ghecochte loodt vuyt de stadt sullen vertransporteren ten consentemente vanden stockhoudere ofte ontfangher, ofte wel de gheheele coopsomme betaelen prompt alles op herelicke ende reele executie, ghelijck oock sullen verobligiert wesen de voorseyde borghent.
Op welcke conditie oock vercocht sal worden den pijpwegh int gheheele met den last vande spijckerschuldt ende van liber passagie te voet, te peerde ende te waghene als van ouden tijden.
Nota dat deselve wegh nyet ghevoughelijck can vercocht worden bij streken ofte partijen om reden dat deselve is eene ordinaire passagie ende dat oversulcx nyet doorsneden ende partijen van elckander ghesepareert can ofte magh worden, te meer oock om reden dat int gheheele is helast met diversche graenrenten ende spijckerschuldt die nyet en connen ofte moghen ghespleten worden.
Voorts raeckende den ontfanck vande pennijnghen soo van de buyse als pijpwegh te procederen is gheresolveert dat den ontfangher van dier verobligeert sal wesen ande annemers van t'vuytdoen van de voorseyde Buyse t'advanceren een derde portie... (Tekst zoals hoger vermeld)... op peyne van te betaelen alsulcke costen, schaeden ende interesten als de besteders bij faulte van diere souden commen te lijden.
Van welcke ontfanck hij. sal rekenynghe (gheven) ande Raede van Vlaenderen ofte die thof daertoe commiteren sal. Van welke ontfanck ende volbrijnghen vande voorschreven conditien hij voor tvercoopen van de voors. buyse ende pijpwegh sal stellen souffisanten sekere borghen...”(enz;).
(Resolutieboek 1652-57. Zien 2 juni 1656 . Rijksarchief Brugge).
(46) De O.L. Vrouwpoort, die uitgaf op de Pijpweg.
(47) Wij moeten onze bizondere dank betuigen aan de Heer Buntinx, die bereidwillig grondige opzoekingen gedaan heeft naar documenten, verband houdende met de Damse waterleiding, in het archief van de Raad van Vlaanderen. Hij kon enkel de brief van de Robiano vinden en is de mening toegedaan dat de hele zaak niet door de Raad van Vlaanderen, doch door de Privé-Raad werd behandeld, waarvan het archief in 1713 (?) grotendele door een brand werd vernield.
(48) 3.7.1656. Brief van de Robiano aan de Raad van Vlaanderen. “Par le Roy.
Chers et féaux. Nous vous envoyons cy joincte la requeste a nous présentée par les Bourgmestre et eschevins de Damme afin de nous reservir de votre advis sur ce que les suppliants requièrent pour iceluy veu en nostre Conseil Privé y est de nostre part ultérieurement disposé comme de raison vous authorisant a ce en tant que de besoing.
A tant que, Chers féaux et amis,...”
(Rijksarchief Gent. Raad van Vlaanderen. Correspondentie 3242). 
(49) “Actum in camere VI juny 1656, pnt. tgeheele collegie gheresorveert van Daele ende Steyaert.
Gheresolveert te consulteren met rechtsgheleerde of den stockhouder moet vercoopen tloodt van de buyse, of dat schepenen als hun goedt emmers van de stadt, tselve moghen doen vercoopen bij een ander ten mintsten coste vande stadt, daertoe ghedeputeert is greffier”..
“Actum in camere XlIIn july 1656 ter extraordinaire verghaederynghe, pnt. dhn. burghmeesters, pieter Verheecke, Lauwereyns vanderheyde ende den tresorier.
Schepenen hebben ghedeputeert dhr jan houck tresorier ende den greffier omme inghevolghe vande ordonnantie van thof vande VIn deser, te besoinieren met La Rue ende Marissien tot vuytdoen vande buyse ende calculeren hoe vele deselve af d'oncosten bedraghen sal”.
«Actum in camere ter extraord" vergaederynghe pnt tgheheele collegie, absent den balliu, lID ougst 1656.
Ten selve daghe is in schepenencamer bestidt a raval het vuytdoen van de buyse conforme de ghecipieerde con di tien ~.
(50)« Actum in camere ter extraord. verghaeder. pnt tgeheele collegie ghereserveert buck, XXIn ougst 1656.
Schepenen hebben gheresolveert tour à tour op te nemen ende marqueren het loodt van de buyse ende tselve met specificatie daghelicx te senden aan la Rue danof (1 woord) contrenotitie”.
(51) Resol.boek 1652-57 - Actum XIII - novembre 1656.
(52) “Actum in camere ter extraordin. verghaeder. pnt dhn Burghmrs, Verheecke, van Dale, Knyf, Buck, vander heyde, XIln Xbro 1656. Schepenen hebben gheresolveert ande heere Gouverneur deser stede te presenteren vande buyse de somme van ses honderdt ghulden in recompensie vande diensten bij hem aen de stadt ghedaen ».
(53) “Actum in camere ter extraodin. vergaederynghe... XIIIn ougst 1656. Schepenen hebben inghevolghe vande verbale ghehouden voor den heere Raedt de Gomiecourt opden IX ougst 1656 gheaccordeert met dhr Jan de la Rue, raeckende syn slot ende interest van diere op conditie dat den selven de la Rue sal hebben ende houden van provenancie vande loode
buyze ende pijpwegh thelft van sijn slot met den interest van tgheheele slot tot doene deser, ende de wederhelft bij alle jaere een sesde met het advenant van den intereste den peuningh XVI", welcke hij sal ontfanghen vuyt het octroy vande paellanden, waermede te nijette blijft het proces die aengaende hanghende inde Raede van Vlaenderen, behoudens hij van
de burse oock sal inhouden de costen van diere ende vanden decrete, twelcke den voorseyden de la Rue aldus accepteert. (Id.) Zien 13 oogst 1656.
Aangaande een proces ingespannen door Pieter Thiel “ter cause van het vuytdoen van de buyse” en “ghewesen heerelickhede ende vierschare van Sijsseele in date IX Xbre 1654”, zien Damme. Register van Wettel. Passeringhen 1652.1654 f° 22 v. (Rijksarchief Brugge. Vrije nr. 17.067).
“Actmn in camere XXVI 8bre 1656.
Schepenen hebben gheresolveert den pijpwegh alleenelick toe to slane binnen XIIII daghen (Id. zien 26.10.1656).
(54) Rijksarchief Brugge -Vrije nr. 11.319.
(55) “Het plaatselijk Bestuur te Damme, district Brugge, prov.. West-Vlaenderen, brengt ter kennisse van eenieder, dat er op donderdag 18 November 1824, 's morgens ten 10 uren precies, publiekelijk aan de meest. biedende door het ministerie van den Notaris J. Claerhout te Brugge, verkogt zal worden ongeveer 4.600 Nederlandsche ponden oude loote moerbuyze en eenigte Metaal toebehoorende aan de gemeente van Damme.
Het zelve loot en Metaal zal verkogt worden in koopen van vijftig nederl. ponden en op de conditien en bespreken die alsdan zullen worden vooren.gehouden en die van heden af ter onderigting van een ieder in het secretariaat van het plaetselijk bestuer, en ter studie van den Notaris Claerhout, voornoemd, in de Frere-muerstraat nr. 27 te Brugge gedeponeerd zijn.
Ter ordonnantie
De secret"                    Burgem. en Schepenen
Van den Bulcke                Frans Watelle»
(Gazette v.d. provo.West.Vl; en v. Brugge - 5 november 1824).
(56) “Ontvangen van de heer notaris Claerhout het aandeel uit de verkooping an 4600 lb. ontgraven lood: 531 gIs 38 cts.”(Gemeenterekening Damme 1825 . Archief Damme).
(57) Idem van 3 december 1819 . “Daer zullen schoone wijn-penningen te winnen zijn ».
(58) Idem van 3 augustus 1838 - (Was ingesteld op 1.000 f.).
(59) Stadsrekening 1765-1766 . ;Rijksarchief Brugge.