Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Grafelijk Domein Male

Magda Cafmeyer

De heerlijkheid, vroeger meestal het Park van Male geheten, die zich rondom het bekende kasteel van Male uitstrekte, was gelegen op een half uur gaans van de stad Brugge, in de zuidoosthoek van de gemeente St.- Kruis, waarvan het thans een gehucht uitmaakt.

Het Park van Male was begrensd, ten noorden, tegenover de Watering van de Broek, door de "Zuideren Aerdenburgschen heerweg" of "Hoogweg" (nu de Moerkerkse steenweg), ten westen, tegenover Sijsele-ambacht of het "Sijseelsche", door de "Gemeene weide en Looweide straat", ten oosten en ten zuiden door de huidige scheidingslijn van de gemeente St.- Kruis met Moerkerke, Sijsele, Oedelem en Assebroek.
Met uitzondering van de noordoosthoek was het domein door het aloude Sijsele-ambacht omsloten. Deze hoek was door de "Maleveldbarm" begrensd, terwijl een tweede evenwijdige barm "de Wateringbarm" opgeworpen was tegenover de Watering Zuid over de Lieve en de grens vormde met de heerlijkheid van Vyve, het huidige Vijvekapelle. Op de kaart gezien, had het Park de vorm van een onregelmatige vijfhoek, met een boogvormige grenslijn langs de kant van de parochie en de heerlijkheid van Sijsele. Deze grenslijn werd, zonder enige onderbreking van paalsteen, door de “Lemiten van de tienden “ van St.- Kruis in een enkel artikel als volgt vernoemd: "Alzoo van den selven muelen [van Spermalie] langs de Gemeene weede west ende suytwaert bevanghende het parck ende der heerlichede van Maelen tot op Hooghe Brabant noort jeghens over Ryckeveldedreve ende tot op den suyt oosthouck van Antheunis Zoetaert 'hofstede... " (1)
Daar lag de scheidingslijn met de parochie Oedelem of het Praetsche. De weg die uit Male dorp kwam, "also men te Praetwaert gaet", liep naar het hof van Praet.

Buiten het "besloten Park" liep er een vrije weg, die even breed als de "Aerdeburgsche heerweg" door "die van Male paisivelik" mocht gebruikt worden. Bezuiden die weg was de Warande van Sijsele of van Male, op het Sijseelsche gelegen. Zuidwaarts daarvan, tussen de Warande en de Looweide lag de «Malenacker» (2.)

De Looweidestraat, welke de zuidwestelijke grens van het Park vormde, liep als een vertakking van de Gemene Weidestraat van het leengoed Ter Loo naar de Looweide. De Gemene Weidestraat vormde de westelijke grens van het Park tot aan de «Berghen » op de kruising van de "Zuideren Aerdenburgsche heerweg" (3).
Haar uitgestrektheid bedroeg naar de ommeloper van 1711 een totale oppervlakte van 1412 gemeten 162 roeden of nagenoeg 625 ha., hetzij meer dan een derde van de uitgestrektheid van de huidige gemeente St.- Kruis, die op 1680 ha. 89 a 64 ca. berekend wordt (4.) Het Maleveld met 237 gemeten 148 roeden of nagenoeg 105 ha. besloeg ongeveer het zesde van de hele oppervlakte van de heerlijkheid. Male behoort tot het houtlandde,  bodem is er zandachtig en dus niet al te best voor de landbouw geschikt, zo bleef heel natuurlijk een grote oppervlakte steeds bebost. Men kan zich nog gemakkelijk de woeste bosstreek van vroeger indenken: het boombos, waar reuzeneiken zich krachtig boven het dicht groeiende struikgewas verhieven, wisselde af met moerassige waterplassen en sompen waar lis en wervenhout weelderig groeiden, of met magere purpere krakkevelden waar geelbloeiende bromstruiken hier en daar vlekten. Brokstukken van dit eeuwenoud landschap zijn tot op onze dagen bewaard gebleven.

Aanvankelijk was al het land gelegen " binnen den parke van Male" grafelijk domeingoed. Doch stilaan werden percelen ervan door de graaf of door de latere eigenaars berent of verkocht. Aldus bezette de graaf erven en landerijen ten voordele van de St.- Baselis kapel, het St.- Obrechts gasthuis en het begijnhof "ten Wyngaerde" te Brugge (5). Het klooster van Petegem bij Deinze bezat er een hofstede met 25 gemeten land, op de Brieversweg gelegen en palende aan "Spikermale" en het goed van de Jakobinessen (6). Dit laatste klooster - te Assebroek gelegen - en het nabudge Spermalie - op de grens van Malebos - hadden uitgestrekte landerijen en renten op de heerlijkheid (7.) Bovendien waren ontelbare erven en landerijen renten schuldig aan de kerk en de dis van St.- Kruis. Sommige daarvan waren wel met tien verschillende renten belast en bleven niettemin "contribuable in de costen ende lasten den voorseide parcke jaerlijks opcommende ghelijc ander lant ende huus" (8).

Graaf Gwijde stond in 1295, 19 gemeten land af, - op de Brieversweg nabij Maleleie - aan zijn beide kapelanen die gelast waren met de eredienst in de kapel van Male, dit zijn de latere "Capelrielanden"( 9). In dezelfde hoek bezat de heerlijkheid van Male zelf ook negen gemeten, "Gillekens veld" genoemd. Nog op de Brieversweg, maar tegen Sijseleveld, lag " het Schildeken", ook de heerlijkheid toebehorend.
Behalve die schenkingen met godsdienstig doel, waren tal van vervreemdingen door louter economische of financiële beweegredenen ingegeven. Aan rijke poorters en grafelijke gunstelingen werden rechts en links percelen land verkocht. Reeds in de XIIIe eeuw waren de verkopingen talrijk. De belegering van verkochte percelen, onder Gwijde van Dampierre, wijst inderdaad op voorgaande eigenaars van het aanpalende land.
Zo had meester Wouter van Montpellier en zijn zuster Kateline 21 bunder woestijn en weiland aangekocht; ook Jehan dou Car was eigenaar geworden van 13 bunder 240 roeden grond en « monseigneur Jehan de Messines » verkocht een uitgestrektheid van 41 bunder. Verder kocht de koster die de kapel bediende, 3 bunder en 1 gemet, en aan beide kapelanen werden 19 gemeten afgestaan. Deze vermindering van ongeveer 80 bunder domeingoed bracht een gevoelige daling in de inkomsten van de verpachtingen van het park van Male.
Dit vervreemd domeingoed was vooral in de noordwesthoek, over de Pijpweg langs beide zijden van de Brieversweg gelegen, en tegenaan Sijsele. In de eerste hoek lag de hoeve van Hendrik van "Pudenbrouc" en de hoeven "Avignon" en "Mompliers". Wellicht is de laatste hoevenaam ontleend aan een Lombardische koopliedenfamilie, die zich in de XIIle eeuw te Brugge kwam vestigen, onder de hoge bescherming van de graaf, van wie ze landerijen afkocht of huurde. De verbrokkeling van het domeingoed was reeds ver gevorderd onder graaf Lodewijk van Male en werd dan stopgezet, alhoewel de graaf dikwijls meersen en landerijen in bruikleen afstond voor onbepaalde tijd. Zowel de oorkonden als het cartularium van de kerk van St.-Kruis en van de abdij van Spermalie geven ons verscheidene namen van die dertiende en veertiendeeuwse eigenaars. Naast hofambtenaars zoals Heinric van den Pitte "forier myns heren messagier van Vlaenderen", Henri de Thielt "son courier", Boudene van Caneghem "baillu van Male", Pieter Lamsen en Willem van den Leene, Pieter Houkart die men hiet de Pratere, de "portierighe van Male", Philippe de Male, Jehan dou Car, Godevart dou Char, Thierry Aloef en Wouter de Zanghere, ontmoeten we ook namen van edellieden en rijke poorters: "maistre Watiers de Monpellier", Jan Breidel, Jan van den Berge "ende joncvrouwe Agniete zyn wyf", "joncvrauwe Celie weduwe meester Willems Drussaten, Hannekins van den Spikere, Gillis Dop, Jehan Eskincle of Jan Scinkel". De meeste schepenen waren ook grondeigenaars te Male (10), Lamsin van Waes, Jacop metten Ghelde, Pieter Heilbode ook Roelboden die men heet van Sinte Cruus, Jan die Vriese, Jan van Male den scere en Robrecht Ysereel.
Deze enkele voorbeelden tonen aan dat het domeingoed van Male reeds in het begin van de XIVe eeuw voor de grootste helft in vreemde handen overgegaan was en dat het - de grote hofsteden daar gelaten - in kleine percelen versnipperd lag.
Het voorbehouden domein van Male werd grotendeels als weiland en bos uitgebaat. De opbrengst was eerst en vooral bestemd voor het grafelijk huishouden op het kasteel en moest voeder voor de paarden en hout voor de verwarming bezorgen. Daar de opbrengst van de meersen echter groter dan de behoeften bleek, was het gewoonte de overtollige weilanden te verpachten of voor een beperkte termijn aan gunstelingen in vruchtgebruik af te staan.

De meersen vormden twee gescheiden groepen, waarvan de ene zich ten zuidwesten, de andere zich ten oosten en ten noordoosten van het kasteel uitstrekten.
De belangrijkste en vruchtbaarste van die beide groepen meersen was de eerste, ten zuidwesten van het kasteel, bij het goed Nieuwenhove gelegen. De oudst gekende heette men "de Bekesbrouc", reeds in 1368 tot "Beixbrouc" samengetrokken. In de XVe eeuw valt die oude naam echter geheel buiten gebruik en wordt hij vervangen door "Zuudmeersch", die in 1387 voor het eerst aangetroffen wordt (11). De naam "Bekesbrouc" is misschien uit te leggen door het feit dat de Maleleie uit die meers gekronkeld komt. De Maleleie is inderdaad de beke van Male. Ze dwarst de grote heerweg, loopt rond het kasteel en vloeit verder over de Brieversweg tussen de Cappelrielanden, Gillekensveld, Bassevelde en het Maleveld, recht naar het Noorden en door de Watering van de Broek naar Damme toe.
's Winters kwamen die meersen geregeld onder water. Nochtans werd de Leie - in vredestijd - regelmatig uitgedolven om het overtollige water af te voeren. In de jaren 1372-1373 liet de kastelein van Male zelfs grote verbeteringswerken uitvoeren onder toezicht van de watergraaf en de moermeester, broeder DaniëI (12). Een twintig jaar later werd een eerste proef van drainering gedaan, om het water langs stenen buizen af te leiden; de onkosten werden toen ook gedeeltelijk door de aangelande eigenaars gedragen (13).
Nog meer westwaarts van Beixbroux "bachten Nieuwenhove" lag een meers van 17 gemeten; hij heette eerst "Westmeersch", doch werd in de XVe eeuw tot "'s Gravenmeersch" herdoopt (14). 
Oost van de Westmeersch of 's Gravenmeersch lag er een kleine meers van 11 gemeten, die de kromming van de beek volgde en daarom, "de Cromme meersch" genoemd werd. Hoe klein hij ook was - in de rekeningen gewaagt men van « le petit preet » - toch werd hij gesplitst in twee kleinere meersen: de eerste, 7 gemeten groot, werd de «groote Cromme meersch », de andere, 4 gemeten groot, de «kleine Cromme meersch» genoemd (15).
Tussen de «Cromme meersch» en «Beixbrouc» lag er een bizonder drassige meers, een echte waterzak, voor dewelke zich lange tijd geen pachters aanboden. Vanaf 1455 echter komt hij onder de verpachte meersen als de « Zegghemeersch» voor (16)
De tweede groep meersen was voor een klein deel ten oosten en voor het overige ten noorden van het kasteel rondom Bassevelde en Maleveld gelegen. Van minderwaardige hoedanigheid als weiland, telde deze groep de volgende meersen:
De "Gheilincxhouc" d.i. de "houc" die Gheilinc in cijnspacht genomen of gekregen had, besloeg 10 gemeten (17). In 1373 werden verschillende meersen gekoppeld verpacht waaruit verwarring omtrent de uitgestrektheid ontstond, de Gheilincxhouc werd nu met een oppervlakte van 14 gemeten - gevolg van die verwarring - samen met "den Hau" en de "XXX gemeten" verpacht. Daar de Hau zich noord van het Maleveld uitstrekte is het waarschijnlijk dat de Gheilincxhouc in dezelfde buurt lag (18).
Zuid van het Maleveld en oost van het kasteel lag de “Broomsche houc” met een uitgestrektheid van 14 gemeten. Zijn naam is misschien niet identisch met de plaatsnaam " ten Broome", waar de vergadering van de "Watering zuid over de Lieve" plaats had in open lucht van 1373 (19), maar hij is er ten minste mede verwant. In 1392 wordt de Broomsche houc met Beixbrouc door de ontvanger verward, en die verwarring werd door de volgende ontvanger overgenomen. Toen echter de strenge rekenmeesters van Rijsel om uitleg vroegen en de ontvanger hen liet weten dat die hoek "est comme marescaille" lazen ze " est nommé marescaille" waaruit dan de nieuwe verkeerde plaatsnaam "Marescaille" ontstond (20). In de volgende eeuw kreeg de bosnaam «"Helsenbusch" de voorrang, en werd later door de naam "Nedermale" vervangen (21.)
De Broomsche hoek die aanvankelijk 14 gemeten bedroeg, werd in 1373, samen met de "Oost-warande", groot 20 gemeten verpacht. Evenals de Gheilincxhouc onderging de Broomsche houc de gevolgen van de verwarring, en daar de gezamenlijke oppervlakte op 30 gemeten berekend was, werd de Broomsche houc op 10 gemeten geschat. Die 30 gemeten waren mager en onvruchtbaar land, dat verwaarloosd bleef liggen, doch waarop de laten hun koeien lieten grazen. Eerst later vroeg de Rekenkamer van Rijsel om uitleg over die verwaarlozing en de ontvanger verzekerde dat het weideland - dat ondertussen tot 35 gemeten was aangegroeid "is ghelyc maraechs ende den meesten tyd van den jare onder twatre".
Behalve Gheilincx houc en Broomsche houc, was er een derde meers met houcnaam : "de Boitkinshouc". Hij mat 7 gemeten en werd in 1373 samen met de "Groene meersch", welke zich noord van het Maleveld langs de Leie uitstrekte, als weiland verpacht. In de volgende jaren werd hij door de klerken regelmatig in de rekeningen vermeld, niet echter zonder dat zijn naam door onachtzaamheid of onkunde gewijzigd werd, Opvolgentlijk schreven de klerken: "Bootkins houc (a° 1358), Boetkints houc (a° 1373), Boodkins houc (a° 1394), Vootkins houc, Voetkins houc (a° 1455), Voetkins hout, Voetkinshove". Zo verloor niet alleen  Boitkinshouc zijn eigenlijke naam, hij verloor echter ook zijn identiteit, want de klerk moest van de 7 gemeten waaruit die hoek bestond bekennen "l'on ne scet ou ilz sont". Vijftig jaar ging die bekentenis mede, totdat een ondernemende klerk boutweg schreef "De sept mesures de pré nommé en flameng Boitkin hove l'on ne scet que ce veult estre, ne ou elles gisent et pour ce, icy néant " (22).
Naast de Broomsche houc, oost van het kasteel dus, was de « Oostwarande », groot 20 gemeten, gelegen, Die partij grensde aan het Maleveld, aldus is het zeer gemakkelijk te verklaren waarom de laten van "den ghemeenen dorpe van Male" haar in pacht namen. Hun koeien graasden immers op het Maleveld en liepen zo gemakkelijk verder in dat aanpalende land. Aanvankelijk betaalden ze 11lb.11 s. voor de "Oostwarande met de Broomschen houc",
doch met de oorlog werd de betaling van de pachtsom verwaarloosd en nadien weigerden ze nog een duit te betalen voor zulk een heidegrond. Daarbij ze hadden weiland genoeg op de uitgestrekte "Ghemeene wee" of het Maleveld. Daar er geen andere pachters opdaagden, kon de kastelein stilaan de opbrengst van dit vage land tot zijn voordeel aanwenden. Nochtans moest hij enige van de best gelegen gemeten weiland afstaan aan de kapelaan, want van oudsher genoten beide kapelanen en de koster samen een jaarlijkse rente van vijf "voeder hoys" op de Oostwarande (23).
Het misbruik van de kastelein ontsnapte echter mettertijd niet aan de rekenmeesters te Rijsel. De kapelaan werd verzocht het bewijs van voorrecht over te leggen. Deze liet zich echter gezeggen en de jaren gingen voorbij (24). In 1465 werd de eis tot overleg van titels met meer nadruk vernieuwd, zonder dat in de toestand van kapelaan en kastelein verandering kwam, totdat ten slotte de rekenmeesters de voorrechten van "chastelain" met die van "chapelain" verwarden, zodat eindelijk, na een ernstig onderzoek ter plaats door afgevaardigden uit Rijsel, kapelaan - er was toen maar één kapelaan meer - en kastelein in hun oude ingepalmd voorrecht bevestigd werden (25)
De Oostwarande - soms ook kortweg de "Warande" genoemd, moet niet verward worden met de "Warande van Sysele" ook de "Warande van Male" of de "Groote warande" genoemd. Die strekte zich langs de zuidoosthoek, op de grenzen van het Park uit. Na de verbeurdverklaring van de heerlijkheid van Sijsele, in het begin van de XIVe eeuw, werd deze heerlijkheid door de ontvanger van het domeingoed van Male beheerd (26). Daar Male langs drie kanten aan het Sysseelsche grensde, oefende de graaf er het jachtrecht uit, meer in 't bijzonder op de beboste streep langsheen de grens van Male naar Rijkevelde toe. Dit werd later de Warande van Male genoemd en hoorde bij het leen van Male.
De overige weilanden van de tweede groep, die meer noordwaarts bij Maleveld lagen, waren de "Groene meersch" en "de Hau".
De "Groene meersch" strekte zich in de hoek, tussen de Maleleie en de "Aardenburgschen heerwech" uit. Hij kwam dikwijls onder water en dankte hieraan zijn levendige groene kleur (27). Aanvankelijk was hij 16 gemeten groot. In 1373 werd Groene meersch en Bootkins houc verenigd doch in 1391 terug afzonderlijk verpacht, maar de Groene meersch telde nog slechts 14 gemeten. Van af de XVe eeuw ontstaat ook hier verwarring: eerst kreeg de Groene Meersch de bijnaam van "Cromme meersch", waarschijnlijk om zijn grillige vorm. Daarna door een verkeerde lezing werd Groene meersch in "'s Gravenmeersch" herdoopt en zo bleef het. De toenmalige ontvanger herinnerde zich echter nog dat er ergens in de buurt een " Groene meersch" bestond en boekte heel eenvoudig "Groene meersch" bij "den Hau"(28)
"Den Hau" was, zoals 't Maleveld, een mager weiland. Het struikgewas, indien niet bijtijds verwijderd, overgroeide gemakkelijk die grond. Wanneer het land vage bleef liggen, dan lieten de laten er hun koeien op grazen (29). In de oude rekeningen was "den Hau" 26 gemeten groot in 1371 ontmoeten we echter die zonderlinge post: 
"Item dedens le Hau XXVI mesures dont on a oste pour fenir " le leed" XVI mesures, ainsi demeure X mesures; 
Item le pré appellé les «XXX mesures» contenans XXVII mesures de ce oste XVIII mesures fenies pour « le leed », ainsi demeure IX mesures »(30).
Later verenigd met een ander weiland "Longueleed", telde de Hau amper nog 23 gemeten. " Myn here van Vlaenderen" gaf de Hau met de "XXX ymeten" en Gheilincx houc aan zijn portier Robrecht Merchiere "tot sinen wederroepe". Reeds bij het begin van de XVe eeuw verdwijnen deze drie bovengenoemde weilanden, alsook "de Eecke" uit de plaatsnamenlijst van Male (31). De Hau hield stand tot aan de vereniging met het overige grafelijk domeingoed rond 1500. Hoewel deerlijk ingekrompen van afmeting en weinig winstgevend, werd de Hau steeds in elke rekening geboekt (32), In 1464 werd hij andermaal, samen met de "Groene meersch" verpacht voor een termijn van 18 jaar. De hele partij wordt goed gesitueerd, doch de oppervlakte staat niet vermeld.
De tweede groep weilanden die in de hoek tussen Maleleie, Maleveld en Malebarm gelegen is, was, met uitzondering van dat langs de Leie, onvruchtbaar, er diende meer gehakt dan gehooid te worden en het werd meestal verwaarloosd. Toen in de XVe eeuw enige partijen bij het goed « Bassevelde » gevoegd werden, lag dat deel van het domeingoed zo verwilderd, dat het volgens de verkoopakte maar "één woestijn» - bruyère... contenant cincquante six mesures, deux lynes soixante cinq verges"  was.
Het denombrement van 1642 splitst dit "veld" in twee brokstukken waarvan de 11 gemeten naast de Leie als "Peerdebusch" aangeduid werden. Tot een pachthof verenigd staan ze in de XVIIIe eeuw onder de vage landen van "de Verbrande hofstede" vermeld.
Voorheen werden de domeinmeersen gehooid. Dan was er grote drukte in het Park om al het hooi bijtijds binnen te halen, er werden zelfs knechten en paarden gehuurd aan de abdij van Spermalie. Het hooi werd in veiligheid gebracht in de voorraadschuur van "Bassevelde" en van "thof te Male", "het Bassecourt" ; een deel was bestemd voor "lhostel" van de graaf te Male en te Brugge en het overtollige werd verkocht (33)
In de XVIe eeuw, toen kapitein Noël Caron naar zijn eigen goeddunken het Park beheerde, wist hij die weilanden tot zijn grootste voordeel te verpachten. Hij stelde zulkdanige pachtvoorwaarden dat zijn kelder wel voorzien werd van vlees en zijn schuur gevuld met hooi, al ten koste van de pachter; een pachtbrief van 1556 geeft ons hiervan een slaande bewijs.
De bossen van het domein lagen evenals de meersen verspreid. Het grootste en bijzonderste was het Malebos bij het kasteel. Bovendien werd nog vermeld: het bos Bekesbrouc, ook "het Zuudbos" genoemd, ten zuiden van de meers, tegenaan de zuidgrens "de Oostwarande en het Bassevelde busch". De barm rond het veld opgeworpen was met struikgewas begroeid,
Tot in de XIVe eeuw was een forestier gelast met het toezien van de bossen. Het struikgewas werd na een bepaald aantal jaren afgehouwen, in fasselen en bussen gebonden en naar 't Hof van Male gevoerd. Na de woelige oorlogsjaren met Gent bracht men al het hooi en brandhout in zekerheid te Brugge "in een huus dat toebehoord mer Willeme van Namen staande an de Reye by Zinte Jans weghe". Als de hertog, in 1462, het kerstfeest in het Prinsenhof hield te Brugge, liet hij het brandhout uit Male halen (34) Af en toe werd er ook hout ter plaats verkocht; de ontvanger rekende voor tienden, 3 deniers als Godspenning; "trois deniers à Dieu".
Uit het Malebos haalde men ook al het nodige ruw timmerhout dat gebezigd werd aan de herstelling van poorten, bruggen, torens en daking van kasteel en neerhof. De balken werden ter plaats op hun vierkant gebracht en het klein hout op afmeting gezàagd (35). De oude bomen werden bijtijds door jong plantsoen vervangen. Hier en daar trof men wel een es aan, doch het was hoofdzakelijk een eikenbos. Rondom het bos liet de kastelein een brede gracht delven om het bos af te zonderen en de vrije toegang te beletten, want de laten kenden de weg tot Malebos te goed.
Het weiland van het voorbehouden domein van Male bedroeg in het geheel 202 gemeten; samen met "den goede van Nieuwenhove ende Bassevelde" maakt dat 345 gemeten. De vroegste pachters waren voorname edellieden en rijke poorters. De opgebrachte pachtsom was de rijkste bron van inkomen voor het Park. Doch onder de vrijgevige graaf Lodewijk van Male kwam daar niet veel van in kas. Van de 345 gemeten die hadden moeten verpacht worden, bleven er in 1375 nog nauwelijks 100 gemeten te verpachten; al het overige had de graaf weggeschonken "om niet", "à son rappel" aan lieve vrienden of trouwe dienaars.

De verbrokkeling van het domein hield met de opkomst van de Bourgondiërs op. De nieuw-ingestelde rekenkamer van Rijsel deed weldra haar invloed gelden. Met scherpe blik werd op het beheer van de ontvanger van Male toegezien; iedere nalatigheid of toegevendheid in de jaarlijkse verpachtingen moest nauwkeurig worden verantwoord (36)
Het beheer van het domein was voortaan aan gezonde richtlijnen onderworpen, doch aan het verleden was niet te verhelpen. Het aloude domein van Male kon in zijn vroeger luister niet worden hersteld, verminkt zoals het was kon het in de zware onderhoudskosten mettertijd niet voorzien. Het bleef een lastpost voor de vorstelijke schatkamer, tot het in 1558 voor de som van 32.000 pd. verkocht werd aan ridder J. Lopez Gallo.
Aldus eindigde het grafelijke tijdperk van het domein van Male.

M. Cafmeyer

1. RAB; Aanwinsten 5037 fol 3 anno 1556, Aanwinsten 3765 fol 5v; Lemiten van heerlichede Sijseele anno 1560
2. SAB  Leenboek 1435 fol 17 v
RAB Sijseele nr 11, fol 31v anno 1748. Deze Holweg kwam van  Sprietwege (herberg de Schrooback) te Sint-Kruis en liep tussen de Warande en Rijkevelde naar de kerk van Sijsele
3. De Bergen vormden gedeeltelijk de grens met Watering van de Brouck
4. Ommemooper van 1711
5. ARAB, Rekenkamer, Rolrekening 83 a° 1393, Cart St.Kruis a° 1424 fol 73
6. RAB, Proossche, reg. 33 f° 731v
7. RAB,  Spermalie, oork. a° 1309
8. RAB Fonds Male, Reg 45, f° 113v
9. De Saint Genois, Monuments anciens pag 842
10. De schepenen van Male dragen in de XIV eeuw nog de naam: “laten van Male”
11. ARAB, Rekenkamer, Rolrekening 89, a° 1400
12. Zie bijlage II
13. ARAB, Rekenkamer, rolrekening 82, a° 1392 en 81, a°1397
14. ARAB, 116, a° 1391, 92 a° 1358, 99 a° 1373, 14263 a° 1455
15. ARAB, 111, a°1386, 14264 a° 1493
16. idem
17. idem
18. ARAB, 99, a° 1373, 100 a°  1374, 
19. Gilliodts, Arch. de la ville de Bruges, II, 267 en ook La Flandre, I, 385
20. ARAB, 14263 a° 1456
21. RAB, Burg van Brugge, denombrement a° 1642 f° 5
22. ARAB, 14264 a° 1493
23. idem
24. idem
25. idem