Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Funerair Erfgoed

Het funerair erfgoed bestaat voornamelijk uit graven (ook graftekens genoemd) en gedenkplaten die men wil bewaren voor de toekomst. De redenen daartoe kunnen van velerlei aard zijn zoals: historisch (voor personaliteiten …), kunsthistorisch (voor de verschillende grafstijlen en materialen), socio-cultureel (voor volksfiguren bijvoorbeeld), en zelfs landschappelijk, wanneer bijvoorbeeld graven behoren tot het typisch dorpsgezicht.
Mede vanuit het besef dat de tijd van de grootse dure grafmonumenten definitief voorbij is, zijn de belangstelling en de zorg voor wat nu nog rest van die vroegere funeraire realisaties, de laatste decennia sterk toegenomen.

Voor de regio Brugge is, na de stedelijke Centrale Begraafplaats, het kerkhof van Sint-Kruis de begraafplaats met het belangrijkste funeraire erfgoed. Rond de centrale dorpskerk van Sint-Kruis worden immers al duizend jaar afgestorvenen begraven: de meesten parochianen, maar tijdens de periodes van Jozef II en Napoleon waren dat ook veel geestelijken en begoede burgers van Brugge.

Van het grote oude kerkhof van weleer is nu nog slechts één derde overgebleven. Gelukkig is dat het oostelijk deel achter de kerk, dat in de laatste 150 jaar niet veel veranderd is, en dat ons nog een goed beeld geeft van de funeraire opvattingen en gebruiken in de 19de eeuw. De monumentale grafkelders van destijds werden gemetseld als grote ondergrondse familieverblijfplaatsen, geschikt om de periode tussen het afsterven en de verrijzenis zo onveranderd mogelijk te overbruggen. Vele aangebrachte symbolen en teksten op de grafmonumenten wijzen nog op dit rotsvaste geloof of op de voorbeeldige levenswandel van de afgestorvenen.

Bij diepere graafwerken op deze oude begraafplaats worden ook telkens restanten gevonden van graven uit zeer verre tijden. Zo blijkt een opgedolven zerk uit de 14e-15e eeuw die rechtop  werd gezet als afscherming voor het grote houten kruis aan de oostelijke buitenmuur van de kerk, na reiniging, de grafplaat te zijn van een zekere Cornelis Goufin

Na het zorgvuldig reinigen van de oude rechtopgezette zerk komt de naam van de toenmalige overledene te voorschijn: “hier leghet  Cornelis Goufin Jans seune die starf... 

In 1874 vermeldt kanunnik Duclos in Guido Gezelle’s tijdschrift Rond den heerd dat bij het graven van een grafkelder aan de oostelijke rand van het kerkhof van Sint-Kruis, een gemetseld graf met grafschildering werd ontdekt. Dit graf, daterend van rond 1280, vertoont veel gelijkenissen met de middeleeuwse beschilderde grafkelders die te bezichtigen zijn in de inkomhal van de Sint-Salvatorskathedraal in Brugge.                                      

 

Op de zijkanten van het in 1874 ontdekte middeleeuwse graf op het kerkhof van Sint-Kruis spelen engelen muziek en zwaaien met wierook ter ere van de overledene.

 

Op de zijkanten van het in 1874 ontdekte middeleeuwse graf op het kerkhof van Sint-Kruis spelen engelen muziek en zwaaien met wierook ter ere van de ovrledene.

Ook bij recentere opgravingen werden, op een diepte van ongeveer twee meter, restanten van oude graven gevonden. De in 1948 opgedolven grafplaat van Pauwels De Brabander ligt nog op het kerkhof, terwijl de in 1965 gevonden gotische grafsteen van Anthonis Robrecht (+1516), deken van de Brugse gilde van de strodekkers, in de kerk van de H. Kruisverheffing wordt ten toon gesteld.

                                         1965: grafdelver Julien Tamsin poseert bij het pas ontdekte
                                                     middeleeuwse graf op het kerkhof van  Sint-Kruis.


 

Niet ver uit de buurt en naast het wandelpad naar de sacristie ziet men de blauwstenen sarcofaag en het solide smeedijzeren hek (met de opvallende uiltjes) van het neoclassicistisch familiegraf van de laatste baron van “Maele”. Wie onze zeer uitgestrekte (12 ha) stedelijke Centrale Begraafplaats (op Steenbrugge) bezoekt vindt ook daar, ingegrift op de sokkel van het grote calvariekruis, de naam van deze laatste “heerser over de heerlijkheid Male”: Jean Charles de Carnin et Staeden (1747-1826).

Grafmonumenten met een “boven-lokaal” belang

Op het kerkhof van Sint-Kruis liggen een groot aantal graven die het lokale belang overstijgen. Vooreerst is dat het zandstenen pinakelgraf van de familie Dezitter-Pottevyn (1847). Dit prachtige maar erg kwetsbare monument van architect Jean Baptiste Bethune heeft als eerste neogotisch graf van België natuurlijk een grote (kunst)historische waarde. 

De graftekens van Dezitter-Pottevyn (rechts) en van de Carnin et Staeden (links) werden beide, op advies van de Stedelijke Commissie voor Graftekens, gerestaureerd tijdens de periode 2011-2014

Van groot belang is ook de grafkelder waarin Mary More (1732-1807) en de Brugse priester Leon de Foere (1787-1851) begraven liggen. Mary More was een afstammelinge van de door Hendrik VIII vermoorde Thomas More (+1535) en de laatste priorin van het Engels klooster in Brugge (tijdens de Franse Revolutie).

Het Latijns epitaaf of grafschrift op het graf van Mary More luidt in Nederlandse vertaling:
“Hier liggen, wachtend op de grote dag van het Oordeel, de stoffelijke resten van Eerwaarde Moeder M. Aug. MORE, Overste van het Engels Klooster van de orde van Sint-Augustinus in Brugge, gestorven op 23 maart 1807. In de 8ste graad in rechte lijn geboren uit het bloed van de beroemde kanselier van Engeland Thomas MORE die vanwege zijn geloof werd vermoord.”

Een derde merkwaardig monument op het kerkhof van Sint-Kruis is het herdenkingsmonument voor Léon Visart de Bocarmé (1837-1900), commandant bij het Belgisch-Mexicaans Legioen tijdens de verdediging van het Mexicaanse keizerrijk tijdens de jaren 1864-1867. De onderstaande afbeeldingen tonen Léon in militair uniform en zijn buste- portrettering op het ruwe rotsblok van wit-roze marmer.          

Grafmonumenten kunnen ook funerair erfgoed worden omwille van hun bekende ontwerper (architect) of uitvoerder. Op het kerkhof van Sint-Kruis zijn er nog drie graven die ontworpen werden door de overbekende Brugse stadsarchitect Louis Delacenserie: het zijn de familiegraven van de voormalige Brugse stadsarchivaris Louis Gilliodts, van het destijdse “Brugse wonderkind”, kindschilder Fritz Vandekerkhove (1862-1873) en van de Brugse familie de Penaranda.

Het met palmtak en wapenschild uitgeruste 19e eeuwse graf van de familie de Penaranda is het grootste grafmonument op het kerkhof van Sint-Kruis en is dubbel zo groot als dezelfde uitvoering van het familiegraf Legillon op de Brugse Centrale Begraafplaats.
Tot de inventaris van het Sint-Kruise funeraire erfgoed behoren, naast de reeds vermelde graven, ook de laatste rustplaatsen van provincie-gouverneurs, van burgemeesters van Brugge en Sint-Kruis, van talrijke hier gevestigde adelijke families …, maar ook van markante plaatselijke figuren zoals de Sint-Kruise “dorpsfiguur” Jerome Pringier (1878-1968).

Merkwaardige muur- of gedenkplaten
Gedenkplaten voor overledenen, veelal uitgewerkt in witte marmer, kunnen ook behoren tot het funeraire erfgoed. Dat is, in Sint-Kruis, zeker het geval voor de “memorieplaten” van Petrus De Pauw en van de “laatste Duinheren”.

Het graf van kanunnik De Pauw, die in 1810 in Parijs overleed tijdens de plechtigheden van zijn bisschopsbenoeming door Napoleon, is verdwenen, maar zijn marmeren gedenkplaat, nog aanwezig aan de noorder-buitenmuur van de kerk, is in zeer slechte staat …

Dergelijk verval was kort geleden ook het geval met één van de belangrijkste memorieplaten van Brugge die, bij de bouw van de huidige Sint-Kruise kerk in 1856, aangebracht werd in het midden van de buiten-zuidermuur aan de kant van de Moerkerkse Steenweg. Het betreft de gedenkplaat van de laatste monniken van de “Ter Duinen Abdij” (het huidige Groot Seminarie van Brugge) die ten tijde van de Franse Revolutie de abdij moesten verlaten en die na hun dood allen werden begraven op het oud kerkhof van Sint-Kruis.

De “laatste Duinheer”, pater Nicolaus DE ROOVER, met naam midden op de gedenksteen en met portret in het Groot Seminarie in Brugge.

Op de wat bolstaande pas gerestaureerde plaat lezen we in het gepolijste marmer opnieuw vlot de namen van de toenmalige 53ste prelaat Maurus De Mol en van acht paters.
De belangrijkste onder hen is niet de prelaat gebleken (voor de Franse Revolutie gevlucht naar Duitsland en er gebleven), maar wel pater Nicolaus De Roover (82 jaar, gestorven in 1833). Als laatste overlevende pater kwam hij in zijn laatste levensjaren in het bezit van de onroerende goederen van de abdij (die hij grotendeels overmaakte aan het bisdom) en van alle roerende goederen waarmede hij meerdere restauratiewerken in kerken en kloosters financierde. Van hem hangt o.a. een geschilderd portret in de ontmoetingsruimte van het Groot Seminarie, een gedenkplaat in de kapel van de Sint-Trudo Abdij van Male en ook is hij herkenbaar te zien in een glasraamtafereel in de prachtige kerk Ter Potterie in Brugge.

Tekst en foto’s: Johan Duyck   

 

Grafsteen van strodekker Anthonis ROBRECHT (+ 1516) in Sint-Kruis
Johan Duyck(1)                                                                                                 
Bij het destijds in gebruik nemen van haar lokaal op Sint-Kruis trof de Koninklijke Heemkundige Kring Maurits Van Coppenolle in de kelder van het gebouw een oude grafsteen aan, alsook enkele fragmenten van een middeleeuws beschilderd graf. Deze grafdelen werden begin januari 1965 bij toeval opgedolven op het oud kerkhof van Sint-Kruis(2) en overgebracht naar het toenmalige plaatselijke gemeentehuis “De Zorge”, sedert 1976 het lokaal van de heemkundige kring.
Uit de eerste beschrijving van deze graftekens in 1980(3) blijkt dat de transscriptie van het epitaaf op de grafsteen geen eenduidig resultaat opleverde en dat de bewaartoestand van de beschilderde grafstukken zeer slecht was. Ten gevolge van wateroverlast in de kelder tijdens de jaren 1990 zijn de middeleeuwse  fragmenten dan ook volledig uiteengevallen en afgevoerd. De grafsteen zelf bleef tot op vandaag, gelukkig, ongedeerd en verkeert in goede staat(4).
In de loop der jaren hebben meerdere heemkundigen, ter “ontcijfering” van vooral de namen en de jaartallen die in gotisch schrift op de steen zijn aangebracht, hun eerste meningen mondeling of schriftelijk kenbaar gemaakt. In 2011, het jaar waarin Stad Brugge besloot  tot een groot-scheepse restauratie van oude en waardevolle graven op het oud kerkhof van Sint-Kruis(5), was het voor ons dan ook aangewezen om de grafsteen nader te bestuderen en  om er een meer zinvolle bestemming voor te vinden.
Beschrijving van de grafsteen
De relatief kleine rechthoekige kalkzandsteen (55 cm breed, 49 cm hoog en 6 cm dik) is over gans de oppervlakte opgevuld met een schild en een zevenregelige tekst in verdiept gotisch schrift (zie afb. hieronder).

Afb.1  Grafsteen van  strodekker Anthonis Robrecht (+ 1516) en van zijn vrouw Elena De  Cleerc (+1507).
Het kruisje in het midden van de steen bakent de informatie af omtrent twee overledenen. 
Het opvallende verschil in kapdichtheid tussen de letters van de vierde regel met de rest van het epitaaf laat vermoeden dat het eerste en het tweede deel van de tekst niet op hetzelfde tijdstip werden ingekapt. Een aantal tekstfragmenten laten zich bij een eerste inspectie vlot lezen: zo is het duidelijk dat de eerste overledene gestorven is op een “dach in apriel” en de tweede “in september”.
Voor een meer zekere identificatie van de overledenen zelf en van hun overlijdensdata werden eerste indrukken hieromtrent geconfronteerd met beoordelingen van funeraire deskundigen  en met terzake relevant bevonden  archiefinformatie.


Het grafschrift
Bij de aanvankelijke transcriptie van het grafschrift werd de eerst vernoemde overledene aangeduid als “Anthonis Robrecht” en de tweede als zijn “wyf” “ Clara de Clerc”.(6)
Het over de 2de en de 3de rij gesplitste toegevoegde beroep “Strode-kere”, dat pas jaren later aldus werd vertaald, is van cruciaal belang gebleken voor een zinvolle interpretatie van de illustraties op het schild en om de juistheid van de identificatie van de familienaam “Robrecht” te kunnen bevestigen.
Want inderdaad, een zekere strodekker “Antheunis  Robrecht”, ons reeds bekend vanuit een publicatie van Luc Devliegher(7), ontving in de periode 1490-1504 zeven betalingen van bouwrekeningen voor het uitvoeren van dichtingswerken met roggestro in de Sint-Salvatorskerk te Brugge.Voortzoekende rond deze periode op het einde van de 15de eeuw trof archivaris Jan D’hondt Anthonis Robrecht  aan in documenten  handelend over o.a. de vernieuwingen van de besturen in de gilde der Brugse strodekkers, waar hij vele jaren tussen 1479 en 1509 fungeerde als deken van dit ambacht(8).
Strodekker Anthonis Robrecht, zoals hij op de opgedolven Sint-Kruise grafplaat wordt vermeld, blijkt dus een vooraanstaand vakman van het Brugse Gildenwezen  die echter, gelet op de reeds vermelde belangrijkste jaren van zijn beroepsuitoefening, zeer waarschijnlijk stierf vóór 1542, het jaar dat tot nu toe verkeerdelijk als zijn overlijdensjaar van het epitaaf werd afgelezen(9).

Om een exacte transcriptie van de overlijdensdata te bekomen was dan ook een grondige inspectie vereist van  de betreffende teksten op de steen zelf, mede omdat bepaalde kleine inkervingen, waarschijnlijk als gevolg van vroegere wrijfcontacten , gedeeltelijk werden dicht- of weggeschuurd.
Ter plaatse uitgenodigd kwamen diverse deskundigen(10) in 2010 unaniem tot de constatatie dat Anthonis Robrecht overleden is op 2 april 1516 en zijn vrouw Elena (en niet Clara !) De Cleerc op 29 september 1507.

Als uiteindelijke eindversie van het grafschrift werd de volgende tekst weerhouden:
Hier licht Anthonis Ro
brecht fs Michiels strode
kere die overleed ão XVc  XVI dẽ IIen
dach   in   apriel  +  Hier licht
Elena fa Joos de Cleerc svoors
Anthonis wyf was die starf
ão XVc VII dẽ XXIXen in september

Als verklaring van de reeds vermelde onregelmatigheid in de letterplaatsing op de vierde regel wordt dan ook vermoed dat  de grafsteen  werd aangemaakt bij het overlijden van Elena in 1507 en dat wellicht een andere letterkapper een overschot van plaats op de vierde regel constateerde bij het afwerken van de steen na Anthonis’ dood in 1516(11).
In een akte d.d. 1468(12) in het oud archief van het SAB werd voorts door Albert Janssens interessante informatie aangetroffen omtrent een zekere “stroodeckere Mighiel Ruebrechts”, zijnde zeer waarschijnlijk de op de grafsteen vermelde vader van Anthonis Robrecht.
De akte registreert de bezittingen van de gestorven V. Voghaet en daartoe behoort o.a. een “eewelicke rente” van 1,25 “Inghelsche nobele”; omgerekend naar onze huidige munt, ongeveer 464 euro. Dit bedrag moest betaald worden door strodekker Michiel Robrechts en als onderpand voor deze som golden Michiels  “dweersloove ende  viere cameren” gelegen “up den houc  vanden Keerseboomstraetkine, … twee cameren int voorseide Nieulant …”(13).
Deze belangrijke informatie leidt tot een aannemelijke verklaring voor de prangende vraag waarom Anthonis Robrecht in Sint-Kruis werd begraven … wellicht dus omdat hij destijds als kind en als volwassene op het grondgebied van het toenmalige “grotere Sint-Kruis” woonde(14).
De identiteit van Joos de Cleerc, de op de steen vermelde vader van Elena, is mede door de toenmalige niet vastliggende naamschrijfwijze - het gekende homoniemprobleem - moeilijk te achterhalen. Als belangrijkste kandidaten  voor het “schoonvaderschap” van Anthonis Robrecht vonden wij Joos de Clerc (fs Jacops) van Esen-Diksmuide(15) en Joos de Clerc (fs Pieters) afkomstig van Zottegem(16). In beide gevallen gaat het om bemiddelde personen die respectievelijk in 1473 en 1480 het Brugs poorterschap hebben gekocht.

Het Schild
Links boven op de grafsteen staat er, ter hoogte van de eerste twee schriftregels, een schild met daarin vanuit de rechter bovenhoek (17) een schuinbalk waarin drie werktuigen van de toenmalige strodekker zijn afgebeeld.
Op de wrijfafdruk gemaakt door Ronald Van Belle (afb. 2) is duidelijk te zien dat het gaat om een dekhamer, een dekspaan en een dekschaar (18). Het afbeelden van ambachtsalaam komt vaak voor in ambachtelijke schilden, alsook de gestileerde kruisbloemen die, op dit schild onder de vorm van lijsten met hogels, de alaambalk flankeren (19).


Afb. 2  Wrijfafdruk van het schild in de linker bovenhoek van de grafsteen (R. Van Belle).
De overblijvende illustratie, aangebracht in de linker bovenhoek van het schild, is ongetwijfeld een klaverblad (20) dat mogelijks verwijst naar aspecten van afstamming (21) of familiebezit. 
Wij beschouwen dit schild dan ook niet als een wapenschild, maar wel als (een versie van) het familieschild van de strodekkersgeneratie Robrechts in het toenmalige Sint-Kruis-Brugge  (22).

Een nieuwe bestemming
De grafsteen van Anthonis Robrecht is, naar de mening van deskundige Ronald Van Belle, mede door de combinatie van het epitaaf en het ambacht-familieschild, een uniek exemplaar. 
Het was dan ook wenselijk dat voor het conserveren en het waarderen van dit belangrijk funerair erfgoed naar een betere bestemming werd uitgekeken.
In onderling overleg hebben de initiatiefnemende partijen(23) dan ook beslist om voor de grafsteen een geschikte plaats te voorzien in de kerk van de H. Kruisverheffing in Sint-Kruis. Gekozen werd om de grafsteen  op gezichtshoogte te bevestigen aan de zuider binnenmuur, recht tegenover de eveneens 16de eeuwse memoriesteen(24) afkomstig uit de reeds lang afgebroken tweede parochiekerk van Sint-Kruis (1383-1577) … die werd gebouwd op de huidige kerkhofsite waar de merkwaardige grafsteen van strodekker Anthonis Robrecht in 1965 werd opgedolven.

Voetnoten
1. De auteur is in de Brugse Stedelijke Commissie voor Graftekens afgevaardigde voor het oud kerkhof en de begraafplaats van Sint-Kruis.
2. Bij het graven van een diepe kuil tijdens het verplaatsen van de familie-grafkelder De Lescluze-Snoeck op de site waar de tweede kerk heeft gestaan stootte toenmalig grafdelver Julien Tamsin op de vermelde middeleeuwse graftekens. Een geïllustreerd verslag daarvan verscheen in  Brugsch Handelsblad, jg. 60, 16 januari 1965, nr. 3, p. 1 en in Burgerwelzijn, jg. 115, 16 januari 1965, nr. 3, p. 1.
3. M.G., Vergeten grafmonumenten van Sint-Kruis (Brugge), in: Mededelingen voor het Brugs Ommeland,  jg. 11, 1980, nr. 7/8, p. 95.
4. Voor de jarenlange goede zorgen dank aan voorzitter Ewald Van Coppenolle en aan secretaris Yvette Kemel  van de Kon. Heemkundige Kring M.Van Coppenolle.
5. Het betreft o.a. het eerste neogotische grafteken van  België naar het ontwerp van Jean-Baptiste Bethune;  het neoclassicistische monument van De Carnin et Staeden, de laatste baron van Male;  de grafplaat van de familie Legillon de Basseghem, verre voorouders van de Belgische prinses Mathilde en het  zeer waardevolle epitaaf van de laatste “Duinheren” aan de zuider buitenmuur van de kerk.
6  M.G., ibidem.
7  DEVLIEGHER,  Luc, De Sint-Salvatorskatedraal te Brugge, in: Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel  7., Tielt, Lannoo, 198., pp. 186, 187, 190, 194, 199.
In de rekeningen wordt de familienaam ROBRECHT ook geschreven als RUEBRECHTS, ROBRECHTS en RUEBEREGHT.
8. SAB, nr. 114, wetsvernieuwingen, passim. Anthonis Robrecht was in Brugge deken van het ambacht van de strodekkers in 1479-1480, 1487-1488, 1491-1492, 1496-1497, 1500-1501, 1504-1505, 1508-1509 en vinder in 1481-1482.
9. M. G., ibidem.
10. Voor hun zeer betrokken inzet en deskundige diagnosestelling ben ik veel dank verschuldigd aan Ronald Van Belle, Albert Janssens, Roland Decock en de WHSK-collega’s  Marcel Dhoore, Filip Degraeve, Eric Colenbier en Jan D’hondt.
11. In het jaar 1516 werd Pasen gevierd op 23 maart. Aangezien Anthonis Robrecht dat jaar stierf na Pasen wordt het vermelde jaar niet omgezet en blijft het jaar van zijn overlijden 1516, ook in de datering “nieuwe stijl”. VANDECANDELAERE, D., De tijdrekening. De kalender Juliaans, Gregoriaans, Republikeins., Roeselare, Uitgeverij Familia et Patria, 7de uitgave, 1992, p. 43.
12. SAB, oud archief, 208, wezengoederen Sint-Donaaszestendeel  5de boek, f 10v., 29/09/1468.
13. De toenmalige woning van vader Michiel Robrecht stond op de kruising van de huidige Kersenboomstraat (een zijstraat van de Langestraat) en Verbrand Nieuwland. Op die plaats  is op de kaart van Marcus Gerards (1562) een groot huis met puntig dak te zien.
14. Sint-Kruis-binnen-de-muren, het huidige Sint-Anna, werd pas vanaf 1668 een onafhankelijke parochie.
15. JAMEES, A., Brugse Poorters, dl II1: 1418-1478, Handzame, Uitgaven Familia et Patria, 1980, p. 361 en PARMENTIER  A., Indices op de Brugsche poortersboeken, 2 dln., Brugge, 1938, p. 542 “van Heesene by Dixmude”.
16. JAMEES, A., Brugse Poorters, dl 3: 1479-1794, Zedelgem, Uitgaven Flandria Nostra,  1990, p. 5.
17. De plaatsbepaling op een schild wordt weergegeven vanuit het standpunt van de drager van het schild; voor de kijker vertrekt de dwarsbalk vanuit de linker bovenhoek.
18. De dekhamer heeft aan één kant  een vierkante slagkop en aan de andere kant een klein bijltje. Deze hamer werd door de strodekkers gebruikt om houten latten te bevestigen en in te korten. De dekspaan is een houten plank met gaatjes waarmee de uiteinden van het stro gelijk werden geklopt en vervolgens met de dek- of veerschaar werden uitgedund en afgesneden. Omtrent de techniek van het strodekken en het bijhorende gereedschap vonden wij uitgebreide en geïllustreerde informatie bij : DEVLIEGHER L., Landelijk en ambachtelijk leven. Het Provinciaal Museum van het Bulskampveld te Beernem., Brugge, H. Ost, Provinciegriffier, 1998, derde druk, pp. 52-55 ; ELOY A., O. LIPPENS, Y. MOREL, Werken met de hand, in ambacht en vrije tijd. Kataloog bij de tentoonstelling ingericht door het Bardelaere-Museum., Gent, V.Z.W. Vrienden van het Bardelaere-Museum, 1981, pp. 13-18 ; DEZUTTER, W.P., M. GOETINCK, Op en om de bouwwerf, Ambachtswezen – oud gereedschap., Catalogus bij de tentoonstelling. Brugge, Stedelijke Musea, Museum voor Volkskunde, 1975, pp. 171-172, 209.
Voor de geschiedenis van het strodekkersambacht in Brugge (en Vlaanderen) verwijzen we naar: GAILLIARD, J., De ambachten en neringen van Brugge, of beschrijving hunner opkomst, bloei werkzaemheden, gebruiken en voorregten., Brugge, Gailliard, 1854, p. 89 en ALLOSSERY, P., Het Gildeleven - in vroeger eeuwen -, Brugge, Moens-Patfoort, 1926, pp. 16-27, 193-197, 241.
19. Zie o.a. het stenen wapenschild van het metselaarsambacht in de Boeveriestraat 54-56 in Brugge waarvan een foto in DEZUTTER, W.P., M. GOETINCK, o.c. voetnoot 17, p. 53.
20. Voor een identieke weergave van het klaverblad zie: PAMA, C., Prisma van heraldiek & genealogie., Utrecht, Het Spectrum, tweede geheel herziene druk, 1990, p. 149.
21.  Mogelijks gebruikte vader Michiel reeds dit schild en voerde zoon Anthonis het klaverblad in als breuk om zijn schild te onderscheiden van dat van zijn vader.
22. Uit de documenten van de jaarlijkse vernieuwingen van de ambachtsbesturen (zie voetnoot 7) kan verder worden afgeleid dat de familie Robrecht goed verweven was met het strodekkersambacht in het 15de eeuwse Brugge: naast vader Michiel en zoon Anthonis worden in de besturen ook nog Jan, Gosin, Jacob, Sander en Bernard Robrechts aangetroffen. Deze laatste, “Bernaerdijn”, was bijvoorbeeld in 1473, 1475, 1477-78 en 1480 bestuurslid van de strodekkers in Brugge.
23   Het betreft de Werkgroep Heemkunde Sint-Kruis in samenwerking met de Kon. Heemkundige Kring M. Van Coppenolle, de Kerkfabriek van de H. Kruisverheffing en de firma Priem-De Brabander die instond voor het gratis  plaatsen van de grafsteen in de kerk.
24.KEMEL, Y., Een 16de eeuwse memoriesteen, in: COLENBIER, E., K. DENDOOVEN e.a., De kerk van de H. Kruisverheffing in Sint-Kruis. Een vroeg voorbeeld van rijpe neogotiek., Sint-Kruis, Stuurgroep Kerkjubileum, 2003, pp. 10-11.