Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Ryckevelde

Het heide- en stuifzand-reservaatje "de Schobbejakshoogte"te Sint-Kruis (Brugge)

De Schobbejakshoogte is een ruim 8 ha groot heide- en stuifzandgebiedje op de grens van de gemeenten Sint-Kruis, Assebroek, Oedelem en Sijsele. Een kleine 6 ha, in eigendom van het Ministerie van Defensie, worden beheerd door Natuurpunt Vzw, de overige kleine 3 ha zijn eigendom van, en worden beheerd door het Agentschap voor Natuur en Bos. Hieronder wordt vooral het door Natuurpunt beheerde gedeelte nader toegelicht:

De Schobbejakshoogte maakte ooit deel uit van een grote, boogvormige dekzandrug die zich van Oudenburg tot Waasmunster uitstrekte. Grote delen ervan bleven bestaan als halfnatuurlijk heide- en stuifzandgebied tot het begin van de 20ste eeuw. Vanaf 1900 werden de meeste delen echter afgegraven als bouwgrondstof. De talrijke toponiemen 'wit zand' en verwante benamingen getuigen nog van deze activiteit. Slechts zeer lokaal bleven nog kleine relictjes voortbestaan. met het karakter van de eeuwenoude 'wastine'.

De Schobbejakshoogte zelf bleef evenmin gespaard van tal van menselijke ingrepen. Over de middeleeuwse.periode weten we zeer weinig, maar we nemen. aan dat het wastine-karakter toen nog wijd verspreid, ook buiten het huidige reservaat voorkwam. De eerste wat preciezere informatie vinden we op de kaart van Ferraris (eind 18de eeuw). Daarop staat de Schobbejakshoogte afgebeeld als een akker. Of dat klopt is weinig waarschijnlijk. Daarvoor is het bodemprofiel te goed bewaard als een typische podzolbodem, die een heidevoorgeschiedenis verraadt. Een ploegvoor is er helemaal niet aanwezig. Wél is het mogelijk dat hier een soort bremakker voorkwam. Brem werd des.tijds zowel als voedsel voor schapen of als groenbemester gekweekt. Veel 'kweken' moest men trouwens niet doen, want de plant groeide hier ook spontaan. Begin 20ste eeuw werd de Schobbejakshoogte op last van de kasteelheer van het Kasteel van Rijkevelde 'gediepgrond'. Door de bodem twee spadensteken diep te spitten moest ze vruchtbaarder gemaakt worden voor akkerbouw of boomaanplant. De twee arbeiders die het karwei moesten uitvoeren vonden het werk toch wel wat lastig, zodat een halve spadesteek naar hun mening ook al volstond. In het mulle stuifzand, dat toen nog vrij over de podzolbodem stoof maakte dat geen groot verschil met de situatie van voorheen. Wél werden drie kleine perceeltjes tegenaan de huidige oude spoorwegbedding in akkerland omgezet. Vlak voor de tweede wereldoorlog werd toch een poging ondernomen om de Schobbejakshoogte te bebossen. In de oorlog werd echter alles al weer gekapt en de heide kon snel het verloren gegeven terrein herkoloniseren. In de jaren '50 werd aanzienlijk wat zand gegraven in het gebied, zodat het uitgesproken droge en stuivende gebied veranderde in een lager gebied, met wat minder reliëf en een aantal vochtige depressies, die er voorheen ontbraken. De oefeningen die de Brugoise et Nivelles hier uitvoerde om haar pas gebouwde tanks uit te testen, in de jaren 1960-1965, vrijwaarden het gebied echter van spontane bebossing. Ook de militaire oefeningen die het Ministerie van Defensie hier uitvoerde tot de afschaffing van de dienstplicht, zorgden voor een continuering van het heide- en stuifzandkarakter. Vanaf ongeveer 1985 kreeg het gebied een vorm van natuurbeheer, aanvankelijk nog in combinatie met militair gebruik; geleidelijk aan.
echter als uitsluitend natuurgebied, met mogelijkheden voor passieve recreatie. Vrije toegankelijkheid voor wandelaars en natuurbelevers werd immers als een belangrijke troef gezien voor. de sensibilisatie van de lokale bevolking.
Vanaf 1994 werd de Schobbejakshoogte permanent begraasd door een kleine kudde schapen en geiten. Drie dieren van elke soort, één per hectare dus, zorgden vanaf dan voor een stabiele vorm van natuurbeheer. In de zomer werd de kudde groter door de lammeren, die echter in de herfst weer verwijderd werden. Na een korte periode van experimenteren met diverse schapenrassen werd uiteindelijk geopteerd om Houdlandschapen in te zetten, vanwege de duidelijke voordelen voor het natuurbeheer. Deze dieren zijn vrij goed zelfredzaam, zijn weinig gevoelig aan ziekten, lammeren vlot, en bovenal: ze eten precies wat ze moeten om het heischrale karakter van de vegetatie in stand te houden. ,
Na dertien jaar schapen- en geitenbegrazing zijn de effecten zeer duidelijk en bijzonder positief te noemen.,
Vijand nummer één van het gebied, de Amerikaanse vogelkers, wordt prima onder de knoet gehouden door de dieren. Een enkele keer per jaar moet nog eens wat handenarbeid verricht worden met een bosmaaier om de niet opgegeten vogelkers te maaien, maar de meeste vogelkers wordt opgegeten van zodra er maar één blaadje verschijnt: Aanvankelijk leek het er op dat de schapen de berken niet konden bedwingen. Na dertien jaar is evenwel duidelijk dat ook deze frequente zaailing geen kans meer maakt. Een duidelijke 'browsing line' in het hele gebied, maakt duidelijk tot welke hoogte geiten en schapen aan de takken van de talrijke grotere eiken, lijsterbessen, vuilbomen en berken kunnen. Daardoor kan er veel licht aan de bodem, en ligt er op de bodem ook geen dikke strooiselIaag van bladeren meer, maar groeit er overal heide en heischraal grasland. Struikhei is zeer sterk uitgebreid, en hetzelfde geldt voor fijn schapengras, tandjesgras, borstelgras, klein viltkruid, vogelpootje, liggende vleugeltjesbloem, mannetjesereprijs, muizenoortje, zandblauwtje, ...
 Een succesverhaal, en inmiddels een voorbeeld voor heel wat andere natuurgebieden, is de hele kwestie rond de ontworming van de geiten en schapen in het natuurgebied. De moderne, algemeen gangbare methode om alle huisdieren en vee om de haverklap te behandelen met ivermectines, blijkt van de natuur een zeer zware tol te eisen. De met de ontwormingsmiddelen, besmette mest kan maanden lang niet meer door mestkevers, wormen,
muggen, ... omgezet worden in humus. Hierdoor wordt de voedselketen van heel wat andere organismen verstoord. Geen 'propere' mest meer betekent geen mestkevers meer, wat op zijn beurt een probleem is voor vleermuizen die zich met die diertjes voeden. Geen mestvliegen meer betekent minder eten voor zwaluwen, klauwieren, enz. Door die vicieuze cirkel te doorbreken constateerden we dat er opnieuw driehoornmestkevers in de Schobbejakshoogte voorkwamen. Die dieren zorgen voor het begraven van de schapenmest in lange kokers die ze tot wel anderhalve meter diep in de zandbodem kunnen uitgraven. Hierdoor blijft de mest nooit lang liggen in het reservaat, wat het schrale karakter van de vegetatie ten goedekomt.