Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Kapellen

KAPELLETJES IN SINT KRUIS
Eric Colenbier (2011)

Sint-Kruis telt enkele kapelletjes ter ere van het H.-Hart en van Maria. Het redactieteam van het parochieblad Kerk en Leven, editie Sint-Kruis, vroeg om deze eens te belichten. Onderstaand artikel is sterk gebaseerd op “Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, inventaris van het bouwkundig erfgoed”, Deel: “Deelgemeente Sint-Kruis” (2004) en verscheen in mei 2011 in Kerk en Leven.

Kapel Heilige Familie (Vredestraat 80) 
Deze pijlerkapel werd in 1990 opgericht door het gezin Antoon Demeyer uit dankbaarheid voor het vinden van vast werk in Spermalie. Het monumentje is gemetseld met roodbruine stenen en rode daktegels en meet 2,25 m hoog, 0,90 m breed en 0,70 m diep. In de nis beelden van de Heilige Familie, Jezus van Praag en een engeltje. Elke eerste zaterdag van de maand is er gebed. Een vlaggenmast draagt bij feestelijkheden een vlag van o.a. het Legioen van de Kleine Zielen.


Onze-Lieve-Vrouwkapel (Kastanjelaan 4) 
In 1995 lieten Wilfried Desrumaux en Kristina Seghers deze pijlerkapel bouwen naast de toegang van hun voortuin uit devotie aan Onze-Lieve-Vrouw en ter gelegenheid van de diakenwijding van Wilfried. Het werd ingezegend op 8 september 1995 zoals het koperen bordje vertelt. Het bakstenen monumentje is wit geschilderd en afgedekt met bruine daktegels. In de rondboognis staat achter glas een gekroonde Maria die het kindje Jezus voedt en zou O.-L.-V.-van Halle verbeelden. Ervoor is in de muur een stijlvolle bronzen lamphouder bevestigd.


Staakkapelletje (Brieversweg 354) (Male)
Dit kapelletje is rond 1986 opgericht door Franky Parmentier en Maria-Anne van der Biest en staat op een metalen paal. Het kapelletje is hoekig, in blauw en wit beschilderd hout. Achter het ruitje staat voor een lichtblauwe achtergrond een ongekroond Mariabeeldje. Maria toont het kind Jezus op haar arm (O.-L.-V.- van Groeninge?). Het kapelletje zit wat verscholen in de cipressen- en beukenhaag en valt vooral op in de voormiddagzon.
Kapel H.-Hart van Maria. (Altebijstraat, rechtover nr. 84) 
Een bakstenen gebouwtje met puntdakje, links en rechts verruimd met een muurtje dat een knik vertoont. Het lijken ontfermende armen te verbeelden. Totaal 3,65 m hoog, 4 m breed, 0,75 m diep. De muurtjes zijn afgewerkt met een arduinen kraag. Centraal een open rondboognis met drie bakstenen bogen waaronder een witstenen beeld van Maria staat die haar mantel openhoudt. Haar hart straalt en is rood geschilderd. Het is  gebeeldhouwd door K. Lateur uit Brugge. Onder het beeld op een arduinen plaat is nog net te lezen “HEILIG HERT/ VAN/ MARIA/ BESCHERM ONS”. Voor het kapelletje is een bakstenen bidbankje. Wellicht is het rond de jaren 1920-‘30 gebouwd. Toen stond het op grond die behoorde aan opdrachtgever Karel Casteleyn, burgemeester van Sint-Kruis van 1922 tot 1932. Hij woonde in nr. 21, de villa die later, van 1962-1992, bewoond was door de Spaanse Zusters en nu een kantoor is. Sinds het kappen van de bomen is het kapelletje meer zichtbaar geworden. Het is nu ook duidelijker dat een opfrissing zich opdringt. 

Roos Lamotes Kapelletje of O.-L.-Vrouwkapel van Lourdes (Spijkerswegel 7-9)
Gebouwd in 1882 in opdracht van en bekostigd door Rosalie Lamote (+ 1893) op het erf van haar hoeve. De stijl is neogotisch uitgevoerd met wit geschilderde baksteen, 5,40 m hoog, 4 m breed, 4,4 m diep. De gevel wordt gekenmerkt door twee hoge spitsboogramen, neogotisch geaccentueerd door het houtwerk en daartussen in dezelfde stijl een dubbele houten deur door Oktaaf Cocquyt. Op de gevel is onder het beeldnisje te lezen: “AVE MARIA 1882”. De kapel heeft een voortuintje met een blauw smeedijzeren hekken met goudgeel kruis. De kapitelen van de witte stenen hekkenpilaartjes zijn blauw geschilderd en versierd met het Mariamonogram. Het stenen pad is geflankeerd door buxus. Binnen staan 12 stoelen, een houten neogotisch altaar met traliehekken en eeb trappentabernakel. Binnenin is de kapel afgewerkt met een houten tongewelf en met lichtblauw geschilderde muren met zilveren sterren en een tekstbanderol “Mijn hart zingt voor de Heer Magnificat. Ik groet u vol genade” en “AVE MARIA”. Naast en rond het beeld van O.-L.-V. van Lourdes getuigen talrijke beeldjes van devotie: O.-L-.V. van Lourdes met Bernadette Soubirous, Sint Jozef, het Heilig Hart, Sint Antonius van Padua, Sint Theresia van Lisieux, Sint Rita, Sint Anna, Christus’ geboorte. In een marmeren kader lezen we “Zaliger gedachtenis van Rosalie Lamote overleden 11 juni 1893 door wiens bijzondere zorg deze kapel is opgericht”. De kapel werd in 1984 gerestaureerd en geschilderd. De kapel wordt regelmatig bezocht, vooral in oktober en mei. Elk jaar is er in oktober een parochiale bedevaart naar de kapel.


Onze-Lieve-Vrouwkapel (hoek Maaibilk en Beeweg)
Dit modern monumentje werd in 1996 gebouwd als geschenk voor het gouden jubileum van kloosterzuster Maria Dewitte van de zusters van Maria van Pittem (Mariawende). Zij was 40 jaar kleuterleidster geweest in De Zonnetuin waarbij het kapelletje staat (parochie Sint-Lutgardis). Voor een hoge cipressenhaag flankeren twee driehoekige houten constructies een wit zandstenen Mariabeeld (90 cm). De ongekroonde Maria draagt het kind Jezus en heeft in de andere hand bloemen. In de arduinen sokkel is ” Wees gegroet Maria” gekapt. Buxushaagjes met een ‘dreefje’ accentueren het geheel.  

Kapel “op de Bergen” (Moerkerkesteenweg 395)
Deze kapel is 135 jaar oud. Ze werd eind 1875 gebouwd links naast de toenmalige meisjes- en kantklosschool (1843-1926) en het klooster van de zusters van Sint-Vincentius a Paulo, op een hoger gelegen zandrug , van oudsher genoemd “de Bergen”. De kapel werd bekostigd door gulle kasteelvrouwen uit Sint-Kruis. In het dagboek van de kerkfabriek, bewaard in de pastorie, lezen we “een schoone gotische kapel, volgens plan van mr Buyck, voor 2 000 frank ter eer van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Het beeld in fijn plaaster, door Van Siesbrouck van Gent vervaardigd, is achter een sermoen van E.W. Vande Maele in de Kerk gewijd geworden, en processiegewijs, met een grooten toeloop van godvruchtige lieden naar gezeid kapelleken ten berg overgedragen. De gewone zegening is dan ook voor het klein heiligdom uitgesproken geworden.” Het schooltje en klooster werden gesloopt eind de jaren ’20, maar de kapel bleef gespaard en is nu via verkoop en erfenis in het bezit van drie eigenaars. 
Deze kapel heeft een echt huisnummer (395) en is uitgevoerd in donkerrode bakstenen met dekkraagstenen uit zandsteen. De zijgevels hebben geen ramen en worden versterkt door vier hoge steunberen op de hoeken. De nokhoogte van het leistenen dak is 6,7 m. De sneeuwhaken vallen sterk op. De kapel vangt licht door drie spitse glas-in-loodramen in de achtergevel, waarvan centraal het grootste met het gekroonde monogram van Maria, geflankeerd door lelies. De toegang is in spitsboog uitgewerkt en heeft een met ijzerwerk beslagen dubbele houten vleugeldeur met glasraampjes. Tussen een oude en een jonge linde en een cipres die de kapel jammer genoeg aan het zicht onttrekken, loopt een paadje. Voor de ingang is in de tegelvloer de tekst “H. Maria B.V.O.” ingewerkt. Binnenin zijn de wanden bepleisterd en egaal blauwig wit beschilderd; oorspronkelijk was dat met neogotische motieven. Het houten spitstongewelf is versierd met goudkleurige lelies en biezen en het kleurig tegelvloertje met bloemmotieven, o.a. lelies. Op het altaar staat een grootse imitatie van de grot van Lourdes met Maria Onbevlekt Ontvangen en Bernadette Soubirous. Er staan enkele rieten stoelen en twee zijbanken, een marmeren wijwatervat en een smeedijzeren kaarsenhouder. 
Vroeger kwam de buurt er op de vooravond van een begrafenis samen om er een rozenkrans te bidden. Sporen van devotie zie je aan de kaarsjes, aan de talrijke beeldjes en tegeltjes van Maria (Assebroek, ’t Boompje, La Salette,…), Sint Jozef en Don Bosco en aan danktegeltjes, ex-voto’s en gebedsbriefjes,… De kapel wordt nog dagelijks tientallen malen bezocht, met hoogtepunten in oktober, mei en half augustus (O.-L.-V.-Hemelvaart).  Dit is mogelijk omdat buren, de familie Verhelle, trouw elke dag de kapel openen, sluiten en onderhouden.

 


H. Hartkapelletje (Spijkerswegel)

Deze veldkapel dateert waarschijnlijk uit de eerste helft van vorige eeuw. De staat rechtover het kasteeldomein "De Spijker" en is gebouwd in rode baksteen met een pannen zadeldak en met een H.Hartbeeld achter een glazen deurtje. Onder het opschrift:

'H.Hart van Jezus

Wij vertrouwen op u. Wij danken U

 

Links staat een treurt een berk en een houten knielbankje staat voor het kapelletje. 


De Lieve-Vrouw-Kapel van Male,1680-1966
B. Janssens de Bisthoven, Emul.1982/3-4


Langs de rijksbaan van Brugge naar Sijsele, vóór het gasthof «Lodewijk van Male», kan men geen spoor meer vinden van de kapel die daar stond en aan de oorsprong ligt van de nieuwe parochie Sint-Thomas van Kantelberg. Het genadeoord werd langs deze baan in 1675-1680 opgericht door Meester Thomas van der Plancke, advokaat bij het Vrije van Brugge, en zijn vrouw Francisca van de Voorde, dichtbij hun landgoed of kasteel, dat «de Vijvers» genoemd werd, om reden van de nabijgelegen Malevijver.

1.Oprichting van de kapel.
De stichting werd officieel bekrachtigd bij akte van 15 juni 1680, geregistreerd in het register der wettelijke passeringen van de heerlijkheid Male (1), nadat de bisschop van Brugge, Franciscus de Baillencourt, op 25 juni 1675 zijn toestemming had gegeven op een verzoekschrift, welke hem in december 1673 was overhandigd (2). Op de hoofding van deze suppliek van Thomas van der Plancke werd in het bisdom, op 13 december 1673, de nota bijgeschreven: «Het worde meegedeeld aan de deken van Brugge en aan de pastoor van Sint-Kruis voor advies».
In zijn smeekschrift bevestigt de suppliant, dat zeer veel mensen langs zijn domein voorbij komen, die zich uit Brugge naar Sijsele, Maldegem, Eeklo, Adegem, Sint-Laureins, Kaprijke, Watervliet begeven, of omgekeerd. Tot bevordering van de godsvrucht van de voorbijgangers alsook van de plaatselijke bewoners, verlangt hij een Lieve-Vrouw-kapel te mogen oprichten, waarvan hij ter beoordeling het model indient. De zaak werd op het bisdom in beraad gehouden tot 25 juni 1675. Toen gaf de bisschop zijn schriftelijke goedkeuring, met bepaling van de voorwaarden: de kapel moet behoorlijk toegerust en onderhouden worden; men mag er geen H. Mis laten celebreren, hetgeen tot nadeel van Sint-Kruis zou strekken; de offergaven in de bus zullen deze laatste parochiekerk ten goede komen (). De volgenden bisschop van Brugge, Humbert de Precipiano, verleende op 10 mei 1683, een aflaat van twintig dagen aan degene die op zaterdag of op een feestdag van O.L. Vrouw in de kapel komen bidden «pro concordia christianorum principum, haereticorum extirpatione et beatissimae Matris nostrae ecclesiae exaltatione, quinqtiies Pater et Ave» (4). Tot onderhoud van de kapel was een jaarlijkse rente van 2 pond 10 schellingen groot op de nabijgelegen boerderij en op enkele andere stukken grond gevestigd. De bewoners van de boerderij moesten op zaterdag en op de Mariadagen een kaars laten branden en het gebouw reinigen. De pastoor van Sint-Kruis was beheerder van de stichting en moest de jaarlijkse rekening afsluiten.
De oppervlakte van het grondplan bedroeg slechts een twaalftal vierkante meters. De voorkant was een bakstenen puntgevel met zadeldak, versierd aan weerszijden door een vierkante hoekzuiltje en op de punt van de gevel een klein vierkantig torentje met kruis in top. In het midden van de gevel was er een nis met Mariabeeld op een doorlopende dorpel. Daaronder en boven de cirkelboog van de ingangsdeur , een stenen plaat met inschrift:

Toegewyd ter eere Gods

en van de

Onbevlekte Ontvangenis van Maria

op de 17 Junius 1680.

           

Binnen waren paar merkwaardige kunstwerken: : een Mariabeeld met kind, in hout gebeeldhouwd en gepolychromeerd, en een drieluik uit ongeveer 1500, door een onbekende meester: het middenpaneel is een kroning van Maria met Kind en twee zwevende engelen, die Maria's kroon aandragen; de zijluiken zijn twee engelen, die viool en gitaar bespelen. De ingangsdeur was langs buiten beschermd door een hek in kunstsmeedijzer met Mariamonogram. Aan weerszijden van de voorgevel liep de omheiningsmuur van het landgoed «de Vijvers». Dit laatste werd reeds in 1683 door Meester van der Plancke aan Pieter Frans van Lykerkcke verkocht (5). Na verscheidene verdere eigendomsoverdrachten kwam het in het bezit van Eugène de Peellaert (1790-1873), die het met zijn jonge echtgenote Hortense van Hoonacker (1807-1883) in 1831 kwam bewonen.

2. Uitbreiding van de kapel.
Deze laatste eigenaars hebben in 1871 de Lieve-Vrouw-kapel van Thomas van der Plancke aanzienlijk vergroot, door het bijbouwen van een dwarsbeuk met driezijdig koor en altaar en met een kleine sakristie. Op de noordkant werd de eindmuur uitgebroken en daar kwam de dwarsbeuk in neo-gotische stijl.
De buitenzijden van dit transsept hadden elk een venster met middenstijl en spitsboog en daarboven in de puntgevel een roosvenstertje. Het koor had drie zijden met een fries onder de dakgoot, en drie venters met middenstijl en spitsboog. In de hoek tussen de nieuwe dwarsbeuk en de westelijke zijde van het kapelletje kwam de kleine sakristie met twee venters, een schoorsteen en een plat dak. In een buitenmuur werden twee medaillons in kalksteen, van 1780, aangebracht, met twee kinderkoppen : Jean Baptiste de la Coste (1772-1830), toen 8 jaar oud, en zijn broertje Valentin, die in 1812 in de veldtocht naar Rusland zou sneuvelen (6).
De bisschop van Brugge, Joannes Jozef Faict had voor de aanpassing en de vergroting van de Mariakapel zijn toestemming gegeven en kwam persoonlijk, op donderdag 11 januari 1872 om half elf, de wijdingsplechtigheid voltrekken. Hij gaf aan de vernieuwde kapel het statuut van privaat oratorium, met toelating de H. Mis te celebreren ook op zondag, behalve op Pasen, Pinksteren, Hemelvaartdag, 15 augustus, 1 november, 25 december en de zondagen waarop de plechtigheid van 6 januari, van Sakramentsdag, van 29 juni en van 14 september wordt gevierd. Deze gunst was geldig voor drie jaar en kon vernieuwd worden; zij was persoonlijk ten voordele van de familie en degene die op het kasteel woonden. De bisschop zorgde voor een celebrant, een nieuw gewijde priester van het Seminarie, die vanaf zondag
14 januari 1872 de H. Mis zou komen vieren. Deze laatste zou in het kasteel ontbijten en een vergoeding van 5 F ontvangen (7).
Tot bekrachtiging van de uitbreiding aan de oorspronkelijke stichting werd op 4 januari 1872 door Eugène de Peellaert en zijn vrouw Hortense van Hoonacker een notariële akte in drievoud ondertekend; hierbij erkenden zij geen 't minste eigendomsrecht te hebben op de oude kapel; wel bleef het nieuw gebouwde deel hun eigendom, maar voor 't geval dat die uitbreiding zou verdwijnen, verplichtten ze zich de oude noordmuur te herbouwen en de vroegere toestand te herstellen. Verder erkennen zij dat alles wat in de kapel berust eigendom blijft van de fundatie, en zij vermelden uitdrukkelijk de stukken van waarde: het oud gesneden Mariabeeld en de triptiek van 1500 (8).
De stichter van de vernieuwde kapel, Eugène de Peellaert, overleed reeds het volgend jaar op 12 mei 1873. Zijn zoon Eugène (1831-1916), die gehuwd was met Mathilde de Maleingreau d'Hembise (1831-31-1927), herbouwde in 1884-1887 het kasteel in dezelfde neo-gotische stijl als de vernieuwde kapel. Deze bleef ten dienste van de familie in gebruik ook voor de H. Mis op zondag, krachtens bisschoppelijke toelating, die regelmatig werd verlengd (9). Daarenboven kwam elke jaar een parochiepriester van Sint-Kruis in de maand mei twee maal de H. Mis celebreren, zoals blijkt uit volgend antwoord, door de pastoor, August De Boudt, op 22 december 1897, naar het bisdom gestuurd: «Monsieur le Vicaire Général. Il n'y a pas de Chapelle dans le chateau du baron de Peellaert. Il s'agit d'une chapelle enclavée dans le jardin du chateau, mais dont I'entrée donne sur la voie publique et à laquelle le chatelain a accès par une porte particulière. Dans cette chapelle, qui est dédiée à la Ste-Vierge, le clergé de Ste-Croix, de temps immémorial, dit la Ste-Messe deux fois par an vers le moi de Mai. A cette messe assistent les habitants du hameau de Male. Agréez, etc.» (10).
Dikwijls zag men eenzame voorbijgangers of groepjes in de Mariakapel binnentreden of bij de ingang bidden. Typische bijzonderheden over deze volksdevotie van vóór de wereldoorlog 1914-1918 werden door Magda Cafmeyer opgetekend, als volgt: Sommigen gaven de voorkeur om in groep de ommegang (van het H. Bloed) te doen; deze vergaderingen begonnen met Kerstnacht. Miel van Donk Maldegem, oud 76 jaar, vertelt (in 1945-1960): «In mijn tijd zouden we geen Kerstnacht laten voorbijgaan hebben zonder de ommegang te doen. Wij vergaderden aan de Blauwe Krone op de grote kasseie, mans, vrouwen en jong volk al dooreen. Daar kwamen bendekes van 't Vossenhol en van de Veldhoek ook toe, elk met een kloeke stok om goed door te stappen. De eerste statie was aan Sijsele kerke met vijf onze vaders en vijf weesgegroetjes; de tweede halte was te Male aan 't oud kapelleke van Onze-Lieve-Vrouwe voor Peellaerts kasteel; 't vrouwvolk smeet daar een kleinigheid in de busse. Van daar rechte door de Kruispoort naar de Burg te Brugge; klokslag twaalve zaten we op onze knieën; ge kost de plaatse niet overkijken van al 't volk dat de ommegang kwam doen; en dat was voor ons nog een hele trot. Maar in 't weerkeren naar Donk waren wij algelijk moe; 'k wete nog wel, we moesten daar over een schof en 'k was te stijf om er over te stappen; we voelden't, we hadden van de rieme g'had». - Om mij te overtuigen raadpleegde ik rond dezelfde tijd ook een Malenaar , Pol (Verstraete) de gewezen tafelknecht van het kasteel: «Dat is heel juist van die Kerstnachtommegang, ik heb het met mijn eigen ogen gezien. Dat was alzo: d'heren waren met Kerstavond naar een feeste en ik en de koetsier hadden 't kot alleen; we gingen ons weldoen aan een wild keuntje met een gebraden appel. Rond den elven hoorden we een geronk van stemmen; seffens liepen wij naar buiten en schoten alles af bachten het kapelletje. We waren gelijk aan de grond genageld: wel vijftig, zestig mannen en vrouwen op de kloefen en wit besneeuwd stonden daar halfluid te lezen. We waren zodanig gepakt dat we onze appels vergaten; ze lagen in de braadpan zwart verbrand» (11).

3. Stichting van een nieuwe parochie te Male.
Tijdens en na de eerste wereldoorlog werd de Mariakapel geleidelijk meer door de inwoners van het gehucht in gebruik genomen voor de vervulling van hun zondagsplicht. Deze praktische regeling, die hen de verplaatsing naar de verafgelegen parochiekerk van Sint-Kruis bespaarde, was blijkbaar niet erkend door het bisdom en kon in de toekomst, bij gebrek aan ruimte, geen afdoende oplossing bieden. Kanunnik Albéric Decoene had, als diocesaan inspecteur van de lagere scholen (1930-1955), vastgesteld, dat de leerlingen van de school, welke de Zusters van Maria van Pittem te Male in 1926 hadden opgericht, de H. Mis in de Mariakapel kwamen bijwonen en dat zij met de volwassenen bij gebrek aan plaats tot op straat stonden, blootgesteld aan weer en wind en aan het gevaar van het drukke verkeer. Hij besliste elke zondag de H. Mis voor deze mensen in de zustersschool te komen lezen; daartoe zou men een klas bijbouwen. Met toelating van de bisschop kwam hij inderdaad persoonlijk vanaf 1 november 1955 de zondagsmis verzekeren, tot in juni 1947. Van dan af deed hij beroep op een Benediktijn van Steenbrugge of op een nieuw gewijd priester van het Seminarie. Van okt. 1947 tot febr. 1948 kwam Gilbert Dewaegeneere, priester gewijd op 31 mei 1947, en van febr. tot aug. 1948 Joris De Jaegere, priester gewijd op 21 febr. 1948, die na de Mis met de jeugd voetbal speelde. Intussen ijverde kanunnik Decoene om de oprichting van een zelfstandige parochie op Male te bekomen. Het plan kreeg een begin van uitvoering toen de bisschop, Henricus Lamiroy, op 28 aug. 1948, Albert Schotte tot derde onderpastoor van St.-Kruis benoemde met speciale opdracht de zielzorg op de wijk Male te behartigen en aldaar voorlopig in de zustersschool de H. Mis te celebreren. Het duurde nog twaalf jaar voordat Albert Schotte tot eerste pastoor van de nieuwe parochie kon benoemd worden, op 16 okt. 1961, door Mgr. E. J. De Smedt. De officiële erkenning van de nieuwe parochie werd bij het Ministerie op 13 nov. 1961 aangevraagd, en bij koninklijk besluit van 31 aug. 1962 aanvaard (12). Intussen was Albéric Decoene op 9 nov. 1958 overleden (13).
De keuze van de titelheilige, Thomas Becket of van Kantelberg, houdt verband met de traditie volgens dewelke deze heilige in 1166, onder graaf Filips van den Elzas, de kapel van het grafelijk slot van Male had ingewijd, en verwijst meteen naar de stichter van de Onze-Lieve-Vrouw-kapel, Meester Thomas van der Plancke.

4. De Mariakapel van Male in 1900-1966.
Tot in 1924 hield de thesaurier, aangesteld door de pastoor van Sint-Kruis, als beheerder van de fundatie van der Plancke, het register bij van de inkomsten en de uitgaven voor de kapel. De gewone inkomsten waren: de coupons van aandelen en de giften van de gelovigen in de bus of door offerkaarsen. De gewone uitgaven betroffen het wassen van het linnen, de waskaarsen voor het altaar, de twee jaarlijkse Missen van de meimaand. Voor deze laatste ontving de celebrant in 1899 tot 1912: 2 x 5,50 F ; in 1913 tot 1918 : 2 x 6,60 F ; in 1919: 2 x 7 F ; in 1920 tot 1924 : 2 x 12 F14. Het koor van de kapel werd in 1909 opgeluisterd door geschilderde glasramen, een gift van de vijf kinderen van baron Eugène de Peellaert (1831-1916) en zijn vrouw Mathilde de Maleingreau d'Hembise (1831-1927), bij gelegenheid van het gouden jubileum van hun echtelijke verbintenis, die ingezegend was te Doornik op 2 maart 1859. De oudste zoon van deze laatsten, baron Maurice de Peellaert, erfde in 1927 het kasteel met de kapel. Hij was gehuwd met Marie de Pierpont en had twee kinderen Marguerite (1888-1972) en Maxime (1891-1963). Juffrouw Marguerite was ijverig bezorgd voor de eredienst in de Mariakapel en bespeelde tijdens de diensten een klein harmonium. Ook na de instelling van een zondagsmis in de zustersschool door kanunnik Decoene in 1935 en tijdens de tweede wereldoorlog zorgde zij er voor dat een priester-leraar van het Sint-Lodewijkscollege elke zondag de Mis kwam celebreren voor een dertigtal mensen, die de gewoonte hadden aangenomen in de Mariakapel hun zondagsplicht te vervullen. Na de oorlog 1940-1944 trachtte zij van het bisdom een officiël goedkeuring van deze gewoonte te bekomen. Zij ging persoonlijk de zaak bepleiten bij Mgr. H. Lamiroy, die haar echter beslist afwees, omdat hij de plannen van kanunnik Decoene steunde, tot stichting van een nieuwe parochiekerk in de nabijheid van de school.
Intussen was Maurice de Peellaert, op 5 mei 1940, overleden, en zijn vrouw op 9 januari 1944. In 1946 verkochten Marguerite en Maxime hun eigendom «De Vijvers» aan de immobiliën-vennootschap Bernheim, met uitzondering van de Mariakapel, welke zij, bij akte van 22 mei 1948, aan de kerkfabriek van Sint-Kruis schonken.
Nadat Marguerite de Peellaert naar Brussel was verhuisd, werd de kapel niet meer gebruikt, tenzij in de meimaand: in de avonduren kwamen nog talrijke groepen bijeen om in de kapel de rozenkrans te bidden en een lied te zingen. Na de oprichting van de nieuwe parochie St.-Thomas van Kantelberg in 1961 werd de kapel, bij akte van 23 november 1964, ten titel van verdeling van het patrimonium, aan de nieuwe kerkfabriek overgedragen. Maar het volgende jaar reeds, op 8 november 1965, werd zij, om reden van openbaar nut voor het verbreden van de staatsbaan , onteigend voor de som van 222.348 F. In januari 1966 werd het genadeoord afgebroken en met de grond gelijk gemaakt. Uit het onteigeningsplan blijkt, dat de vernieuwde staatsbaan er dwars over loopt, tussen de noordelijke rooilijn en de middenas van de rijstrook (l5).
Het gepolychromeerde Mariabeeld, alsook het kostbaar drieluik van Maria's Kroning, beide uit de kapel afkomstig, sieren nu de voorlopige parochiekerk van Sint-Thomas. Zij houden er de traditie van Mariale vroomheid in ere, welke Meester Thomas van der Plancke, drie eeuwen geleden, had ingeluid.

1. Brugge, Rijksarchief, Fonds parochies en heerlijkheden, Male, Register 48, fol. 44 v. ; M. CAFMEYER, Sint-Kruis oud en nieuw, Brugge, 1971, p. 37, 48, 49.
2. Brugge, Archief van het Bisdom (= B.A.B.), nr. F 299, eigenhandig verzoekschrift van Thomas van der Plancke, 1673.
3. B.A.B" nr. B 35, foI. 42 v°: Die 25 Juny 1675, Franciscus byde gratie Godts en des H. Stoel van Roome Bisschop van Brugge en erfachtige cancellier van Vlaenderen, etc. Alle de ghone die dese onse ieghenwoordighe letteren sullen sien salut inden Heere, Doen te weten, dat wy ontfanghen hebben d'ootmoedighe supplicatie van d'Heere Thomas vander Plancke Advocaet s' Landts vanden Vryen by de we1cke hy ons te kennen ghaf synen goeden ende godvruchtighen yver tot het maecken, ende oprechten van een capelleken ter eeren Godts ende vande alderheylichste Maeght Maria up sekere syne erve liggende tot Maele palende ten zuyden ieghens de calzijde, alwaer vallen seer groote passagie, soo vanden ghone komende van Brugge ende treckende naer Sysseele, Maldeghem, Adeghem, St.-Laureins, Eec1oo, Caprycke, Watervliet ende andere plaetsen, als van deghone van de voorseide quartieren afkomen naer de stadt van Brugge. Deze passagiers ende signantelick d'upghsetenen van 't voorseide Maele souden daere doore verweekt worden tot devotie, welcke cappelleken hy suppliant versochte te moghen bouwen inde langhde van acht voeten en half, inde breede van seven voeten en half, ende inde hooghde tot het dack van neghen voeten, met eene deure inde breede van vier voeten en half ende inde hoogde van seven en half, op de vorme ende maniere van t' ghone onlancx upgericht op den wech treckende van Brugge naer Damme ende volghens de modelle by den voorseiden Heere Suppliant gheexhibeert, maer also hy sulx niet en vermochte te doen sonder ons voorgaende consent hadde ons daer toe ootmoedelyc doen bidden. Soo is 't dat wy daerover gehyort hebbende 't mondelinsk advys vanden Heere Pastor vande prochie van St.-Cruys waer onder 't voorseide capelleken soude ressorteren ende op alles rypelic ghelet, hebben aenden voorseide Werthouder gheotroyeert en octroyeren midts dese de permissie om 't voorseide capelleken te moghen doen bouwen gheven wy voor dese octroyen behoudens nochtans dat men aldaer het heylich sacrificie der Misse niet en sal moghen celebreren, twe1ck soude komen te trecken tot nadeele vande prochiekercke ende met cauditie dat t' selve capelleke by hem sal worden voorsien en onderhouden van behoorlyc ende eerlyc ciraet inghevolghe van syne presentatie, ende dat aen den Heere Pastor van Ste-Cruys ghelevert sal worden eenen slotel, den welcken met interventie vanden kerckmeester in 't selve capelleken sal moghen stellen eene busse, daer van den slotel oock behouden ende den offer applicqueeren ten proffyte vande voorseide prochiekerkcke van St-Cruys, waer van sy sullen behoorlyc rekeninghe gehouden syn te doen aenden vorseide Heere Aertspriester ofte onsen C. gecommitteerde, belastende den voorseide suppliant aenden voorseiden Heere Pastor hier van visie te doen ende eene copye te behandigen. Aldus ghedaen in ons palleys des Bisdoms etc.
4. B.A.B. nr. B 40, foI. 14 ra.
5. Brugge, Rijksarchief, Fonds parochies en heerlijkheden, Male, Register 48, fol. 51 ... - 52  M. CAFMEYER. op. cit.. p. 49.
6. Jean Baptiste en Valentin de la Coste waren kinderen van Jean Antoine, de broer van Marie Jeanne; deze laatste was echtgenote van Eugène d'Affaytadi, schoonvader van Anselme de Peellaert, van wie de zoon Eugène in 1831 het kasteel van Male was komen bewonen.
7. J. GAILLARD, Bruges et le Franc. 5, 1862, p. 24-30. B.A.B.. nr. B 134. p. -9 ; B. 600. p. 87.
8. B.A.B.. nr. B 133. p. 436-437; F 299. Brugge. Archief van de Sint-Thomas parochie: akte van 4 januari 1872.
9. B.A.B.. nr. B 145. p. 400. 31 aug. 1883 : «Conceditur ad triennium facultas oratorii privati in aedibus ruralibus garonis de Peellaert, infra limites parochiae Stae Crucis. iuxta formulam ordinariam in libro formularum (B 600, p. 87) transcriptam». Idem op 3 juni 1889. op 26 oktober 1892 : familiearchief de Peellaert.
10. B.A.B., nr. F 299
11. M.CAFMEYER, Naar het heilig Bloed en de pand (vóór de oorlog 1914-1918), in: Het H. Bloed en de \Volksverering, Studiedag van 20 nov. 1971, Bond van de Westvlaamse Volkskundigen te Brugge, Schrift nr. 2, 1971-1972, p.4-5.
12. B.A.B., Acta van Mgr. E. J. De Smedt, jaar 1961, fol. 28 bis; Belgisch Staatsblad, 1962, p. 8639.
13. Fernand D'HEEDENE. Leven en werk van kanunnik Albéric Decoene (1881-1958). Niet uitgegeven proefschrift voor het Licentiaat in Pedagogische Wetenschappen, Leuven, 1969.
14. Brugge, Archief van de Sint- Thomas-parochie: Boekje van inkomsten en uitgaven van de Mariakapel, 1999-1924.

15. Ibidem. Schenkingsakte van 22 mei 1948; Eigendomsoverdracht van 23 nov. 1964; Onteigeningsplannen en akten van 8 nov. 1965.

De Sint-Adriaenskapel tussen Damme en Sint-Kruis.

In Biekorf 1936, bI.150, verscheen een bijdrage over de St. Adriaanskapel te Damme. In mijn nota's vind ik enkele aanteekeningen over deze kapel.
Ze staat afgebeeld op de kaart van de wateringen van den Broek en Moerkerke zuid over Leie, opgemaakt. Door P. Pourbus in 1574. Ze draagt er nr 6: "S. Adriaens capelIe.., anno 1566... heernesse ,,, en ligt op het gescheed van de parochiën St. Katelijne en St. Kruis, ten Zuiden van den" Nederen Brugghewegh . en ten Westen van den" Oostdyck “
We vinden een kleine bijzonderheid over deze kapel in het register nr 612 van het Proossche, f° 102 "gem. 3.2-88 r proostland, gelegen.., jnde prochie van Sinte Kateline buten Damme" met een huis" toebehorende joncfr. Margriete, de wed. Zegher Willem Lauwers, staende upden vors. grond alre naest der capelle die Zegher Willem Lauwers dede maken.". 11April 1429.
In den ommelooper van de watering van den Broek van 1497, wordt de kapel vermeld in het laatste artikel van het achtste begin, "Mynh, Beyts over Joos Deckere int selve stic daer Ste Adriaens cappelle up staet: XXXyj r. "
De rekening van het Proossche van 1509 vermeldt op f° 306 v., een proostlaat, Loy Scaephooft, die voor het Geestelijk Hof te Brugge gedaagd was onder beschuldiging van" sacrilege ,,, " ter cause van zeekeren poten die gheplant zouden zyn up den grondt toebehoorende der cappelle van Sinte Adriaens buten Damme..
In den leger van de hofstede" de Blauwe Zaele . te St. Kruis, van het jaar 1808, wordt het stuk van 36 roeden waar de kapel opstond, vermeld in een meerdere perceel van vier gemeten en twaalf roeden, onder nr 13,
De pachters van deze hofstede hebben tot heden toe, de benaming van Kapellestuk voor dit perceel bewaard.
M. CAFMEYER.