Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Het Schaak

Vijf eeuwen herberg Het Schaak in Sint-Kruis
Yvette KEMEL
B.O. 1998/1

In Sint-Kruis herinnert de Schaakstraat (de verbindingsweg tussen Maalse en Moerkerkse Steenweg) aan de verdwenen herberg Het Schaak. Deze herberg was gelegen aan de zuidzijde van de Maalse Steenweg, halverwege tussen de Prins Leopoldstraat en de Schaakstraat, waar thans een grote handelszaak in lederen meubels is gevestigd. Wijlen Magda Cafmeyer, de bekende Sint-Kruise volkskundige, schreef dat Het Schaak als een nieuwe herberg op het einde van de 15e eeuw vlak bij de paalsteen werd gebouwd. Rond deze plek aan de Maalse steenweg (vroeger: Antwerpse Heerweg) stonden ooit vier herbergen. Naast Het Schaak stond, richting Male, de oude Drie Koningen en nog wat verder aan de overzijde van de Antwerpse Heerweg stonden in de 17e eeuw de herbergen De Fortuin en Voormezele (1). Ons verhaal over de herberg Het Schaak, gebaseerd op opzoekingen in verschillende archieven, leidde ons naar het begin van de 16e eeuw.

Reeds vóór 1529 rustte er op 1 lijn (= 1474 m2) cijnsgrond genaamd "t' Zandstick" een rente ten voordele van de dis van Sint-Anna en Sint-Kruis. Op dit perceel lagen huusen ende bomen staende ande de wegh van Syssele inde prochie van Sint Cruus zuudwest van de kercke ende is ghegheten TSchaak, die van Chatreusen buten Brugghe landt ande westzyde ande rechten kerckewegh loopende tusschen beide den huusen ande oostzyde (2). Dit onroerend goed was toen eigendom van Jan Claerhoudt gehuwd met Marie de Hulst. Zijn echtgenote overleed In 1529 en liet zes minderjarige kinderen na: Copkin, Jooskin, Tannekin, Jaqueminken, Callekin en Grietkin (3). Na het overlijden van Jan Claerhoudt zijn het zijn erfgenamen die de rente van 4 ponden 10schellingen 16 groten verder betalen aan de armendis. Een zoon van Jan Claerhoudt, Joos, bewoonde een tijdje het huis (4).
Op 20 juli 1560 kocht Christiaan Santeere, die gehuwd was met Tanneken Claerhoudt, de zus van Joos, 1 lijne, 58 roeden luttel meer of min waae wijlen boomen ende huusen upghestaen hebben binnen de ambtachte ende Heerlickhede van Syssele binnen de prochie van Sinte Cruys zuudwest van de kercke ende ghegheten Het Schaak (5), Blijkbaar was er iets voorgevallen waardoor er toen alleen nog een percjheel onbebouwd land overbleef. Christiaan Santeere was poorter van Brugge en biervoerder van beroep. Hij was reeds eerder gehuwd met Magdalena Tant, waarmee bij twee kinderen had: Magdalena en Cathelijne. Uit zijn tweede huwelijk had hij één kind, Pierynken. Zij woonden op de Walplaats, in een huis dat ook hun eigendom was. Na het overlijden van Christiaan Santeere hertrouwde Tanneken Claerhoudt met.Maarten Jamais (Jammeersch), Op 23 juli 1610 kocht deze Maarten Jamais zijn stiefdochtcr Cathelijne Santeere uit. In deze akte werd opnieuw gesproken van een  huis en herberg, zodat men mag concluderen dat de vorige eigenaar, C'hristiaan Santeere, de herberg Het Schaak opnieuw had gebouwd (6). Maarten  Jamais verhuurde de herberg aan Charles Reessens gheseyd Trompette (7).

De herberg, eigendom van de brouwerij De Drie Meunicken
Op 25 maart 1622 werd de herberg verkocht aan Gillis Huusens en Godelijve Reynhoudt, zijn echtgenote. Huusens was ook eigenaar van de Brugse brouwerij De Drie Meunicken in de Langestraat, die hij van schoonvader Jan Reynhoudt had overgenomen (8), Vanaf toen en dit tot het begin van de 19e eeuw, bleef Het Schaak verbonden met de eigenaars van deze brouwerij.

Op 18 juli 1643 verkocht Godelijve Reynhoudt, die ondertussen weduwe was geworden, de herberg aan Michiel Wouters (9). Hij was gehuwd met Anna Blommaert die, als weduwe van Jan Huusens, de schoondochter was van Godelijve Reynhoudt. Zij waren ook eigenaar van de brouwerij die ze uitbaatten (10). In deze periode was de herberg verhuurd aan Jan de Beert. Het echtpaar Wouters-Blommaert sloot in die tijd verschillende leningen af. Hadden ze nood aan liquide middelen of wilden ze de brouwerij uitbreiden of verbouwen? Gevolg is dat ze door deze leningen in geldnood kwamen en de renten niet altijd konden aflossen. Het ene arrest volgde op het andere (11). Het kwam echter nooit tot een gedwongen openbare verkoop. Na het overlijden van Michiel Wouters werd de brouwerij eerst verhuurd en nadien verkocht aan Jan de Cock en Jacquemijne Braems. Zij deden op 27 september 1663 de herberg Het Schaak van de hand aan Loys de Vos en Anna Michiels (12).

De nieuwe eigenaar, Loys de Vos, was één van de weinige eigenaars die Het Schaak zelf bewoonde en uitbaatte. Hij leende het geld voor de aankoop bij de vorige eigenaar, meesterbrouwer Jan de Cock. De Vos was daardoor verplicht het bier aan te kopen bij De Drie Meunicken. De overeengekomen prijs was 15 gulden per vat. In het contract was ook opgenomen dat de brouwer verplicht was om bier te leveren van dezelfde kwaliteit als de andere Brugse brouwers. De echtgenote van Los de Vos, Anna Michiels, overleed in 1669 en liet 2 minderjarige kinderen na (13). De weduwnaar huwde een tweede maal met Joosijnken Trotijn. Na het overlijden van Loys de Vos kreeg zijn weduwe het moeilijk om de rente af te lossen, zodat er beslag werd gelegd op de herberg. Op 31 januari 1680 vond de gedwongen openbare verkoop plaats. De hoogste bieder was Christiaan de Cantere, dokter in de medicijnen te Gistel (14). Hij was gehuwd met Anna de Cock, dochter van Jan de Cock, de brouwer uit De Drie Meunincken. Opnieuw werd de herberg Het Schaak verbonden met de brouwerij in de Langestraat.

Enkele weken later, op 3 april 1680, verkochten Christiaan de Cantere en Anna de Cock de herberg aan Jan Feys en Adriana Verbeecke, die ook eigenaars werden van de brouwerij De Drie Meunicken. Vermoedelijk was de herberg door de vorige eigenaar Loys de Cock grondig verbouwd, want in de beschrijving van de verkoopakte lezen we: een schonen huuse ende herberghe consisterende in een schoon hooge camere, keucken ende platte camere onlancx nieuwe gebouwd (15). De Stedelijke Musea bezitten een schilderij uit het einde van de 17e eeuw waarop de herberg Het Schaak staat afgebeeld, met links op de achtergrond een panoramisch gezicht op Brugge. Hoogstwaarschijnlijk zien we op dit schilderij de nieuwe toestand van de herberg. Links ziet men een bijgebouwtje waar vuur gestookt wordt en waaruit een vrouw komt met drie wafels in de hand. Het hoofdgebouw bestaat uit 8 traveeën met links de hoogkamer met 2 vensters voorzien van kruisstijlen in witte steen, ernaast de voordeur en 4 vensters eveneens voorzien van kruisstijlen in witte steen. Uiterst rechts bevindt zich nog een deur die half opengaat. Het geheel is opgetrokken in rode baksteen, zonder bovenverdieping, met trapgevel. Aan de gevel is een schaakbord aangebracht als uithangbord. Voor de herberg staat een vastgemaakte bank en zijn enkele personen afgebeeld. Het panorama naast de herberg stemt niet overeen met het gezicht van op de plaats waar de herberg zich bevond; waarschijnlijk is het schilderij een samenvoeging van twee gezichtspunten (16).

Meesterbrouwer Jan Feys was ook nog eigenaar van een andere herberg in Sint-Kruis, nl. De Zoete Inval, gelegen aan de Moerkerske Steenweg. Hij overleed op 12 mei 1689 en liet één zoon na, Olivier. Zijn weduwe huwde Jacobus Bruneel, die het beheer van alle goederen op zich nam tot aan de meerderjarigheid van Olivier Feys (17). Olivier trad in vaders voetsporen; ook hij woonde en baatte de brouwerij De Drie Meunicken uit. Hij huwde een eerste maal met Barbara Marannis en een tweede maal met Anne Marie Trogh. De herberg Het Schaak werd verhuurd aan Michiel Verquaillie, vrijlaat van de heerlijkheid Sijsele en gehuwd met Jacquemijnken van Doome. De huurprijs bedroeg 20 ponden groten per jaar. Naast het uitbaten van de herberg was Verquaillie ook werkzaam als landbouwer. Hij bewerkte de grond naast en achter de herberg en pachtte een stukje land aan de overzijde van de Antwerpse Heerweg waarop hij vooral rapen kweekte. Hij overleed op 30 juli 1693 en liet twee minderjarige kinderen na: Marie Joanne en Joanne Brigitte. Door een beschrijving in zijn staat van goed verkrijgen we een gedetailleerd beeld van het interieur en de indeling van de herberg. Vermoedelijk was de gelagzaal van de herberg ondergebracht in de hoogkamer (18).
De keuken: een schapray en twee passe chapraykens, een slaeplyste, een tafel, een glaese boort, 3 pond tin so lepels als andere, enig yserwerk in den ert, 4. koperen kandelaars met eenen blaecker, een koperenen ketel en enige koperen ketels in de spinde, een vispaen, een disch voor den ert, 87 bierpotten, enige tinnen plateelen in hamertin, enige plateelen in roose tin eenen lauwer, enig gleyerswerk en glaesen, houte stoelen, enige koolbaecken van bleek en wat slechte schilderijkens van papier
De hoogkamer: een coets met een bedde en een blauwe sarge en gordijnen, een uytghetrocken tafel, 3 andere tafels, 5 schilderijen voorstellend de vijf sinnen, 4 schabelle baneken met 2 stoelen, 6 zaelstoelen, nog 5 schilderijen voorstellend de vijf sinnen met andere prenten, een slechte coffer met een schaeprayken kiste en 3 fickfack baerders.
De achterkamer: een coutse met een bedde en sar ge, 3 tafels, 2 schabelle baencken en 5 slechte
De achterkeuken: 3 bedden met elk een sarge, 2 tafels, 4 schabelle bancken in slechte staet, 6 pocken, houtten bollen
De kelder: 6 tonnen bier, 1 vat spaansche wijn en een slechte stellinghe
De opperzolder: enige ghebrocken cuypen, quade coffers en ander slecht houttewerk, een spighel, 4 tinne platteelen.
Verder was er aan lijnwaad: een stuk gebleekt linnen 46 ellen, 43 serveeten, 3 ammelaeckens en 11 serveeten, 12 manshemden, 4 witte fistyne sweetrocken, 8 paer slaeplaeckens, 8 ammelaeckens groot en klein. .
Aan goud- en zilverwerk: een zoutvat, een mostaersvat, een croes, enige lepels, 2 limonadelepels, een paar gespen, een paar gouden pendanten met twee paerels, een gouden keten en een gouden storre met een zilveren naald.
In de schuur stonden 1800 rugge schoaren en 800 hooi bundels. Hij kweekte ook enkele koeien: een roo blaerde coe, een schelde coe, een zwarte en een grimmelde coe en nog 5 andere koeien. Hij bezat bovendien twee paarden. Verder had hij nog een ploeg, een eg en een kar.

Vanaf 1693 was Dominicus Inghels voor drie jaar huurder van de herberg (19). In 1696 werd Anthone Van Nieuwenhuyse de nieuwe uitbater. Het einde van de 17e eeuw werd gekenmerkt door heel wat vreemde troepenbewegingen in onze gewesten. De officieren van deze troepen op doorreis werden meestal ingekwartierd in herbergen. Zo bijvoorbeeld verbleven van 20 tot 24 oktober 1696 in de parochie Sint-Kruis en de baronie Male, Italiaanse ruiters die deel uitmaakten van het regiment van de graaf van Cygettane onder het commando van generaal Pigmatelli en in dienst van de koning van Spanje. In de herberg Het Schaak logeerden een kapitein, een luitenant en een cornette elk met hun vrouw, kinderen, knechten en paarden. Zij consumeerden 11 ponden 4 groten en 11 schellingen aan wijn, bier, brandewijn en brandhout. Er werd ook 2 ponden groten betaald aan hooi en strooi voor de paarden (20).

Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) waren er opnieuw heel wat regimenten op doortocht, ook langs de belangrijke invalsweg de Antwerpse Heerweg. Op 2 Juli 1704 was het Hollandse leger van Generaal Spar van Maldegem naar Sint-Kruis gekomen. Dit regiment bestond uit twaalfduizend manschappen en had 6 mortieren en 20 kanonnen. Nabij de herberg Het Schaak hadden ze enkele kanonnen geïnstalleerd. Het kanon van de stad Brugge werd voortdurend op dit leger afgeschoten. Op 3 juli om 1 uur 's nachts begon het leger van generaal Spar met het bestoken van de Brugse binnenstad met brandende kanonballen. In menig huis ontstond brand. Deze belegering bleef duren tot 's morgens 8 uur. Daarna keerde dit regiment terug naar Sluis. Deze aanval heeft aan de Bruggelingen meer schrik dan schade veroorzaakt. Slechts een viertal huizen waren tot op de grond afgebrand. Een vrouw werd in haar huis, achter het klooster van de Predikheren, verpletterd. De herberg Het Schaak had geen schade geleden van de Brugse kanonschoten (21).

In 1720 ontmoeten we nieuwe huurders in Het Schaak: Jan Verplancke en Joanne Dumortier. Op 9 mei 1720 werd door de waard van de herberg Het Schaak, de chirurgijn Houvenaeghel met spoed ontboden voor zijn zieke vrouw. De geneesheer arriveerde pas 's anderdaags rond 10 uur. Toen hij aankwam vond hij Joanne Dumortier in bed. De chirurgijn voelde haar pols en antwoordde dat hij in het "secreet" de oplossing van haar kwaal zou vinden. Toen hij in het "secreet" aankwam vond hij enige stukken vlees en verscheidene klonters bloed aan een tak hangen. Hij vroeg de waard om met een tang de vleesresten op te vissen. De dokter, samen met de waard en een ander persoon, hebben het dan begraven in een put. Bij hun terugkeer bekende de waardin dat "ze bevrucht geweest was en op het secreet de voorvermelde stukken haar ontschoten waren." De zaak kwam voor de vierschaar van de heerlijkheid Sijsele, voorgezeten door Ignatius Letins, burgemeester van de commune, meester Charles de Blauwe, griffier, en de heren advocaten Biesbrouck en de Villegas. Jan Verplancke en zijn echtgenote werden onschuldig verklaard omdat de vierschaar oordeelde dat dit nog gebeurd was en als een ongeval moest worden beschouwd (22).

Na het overlijden van de eigenaar Olivier Feys (t 24/4/1732) erfde zijn dochter Theresia Feys, gehuwd met Joseph Roels, alle bezittingen. Ook zij woonden en werkten in de brouwerij. Joseph werd hoir feodaal van het goed Beauprez. Na het overlijden van zijn echtgenote huwde hij Marie Carreeuw. Zij was reeds tweemaal eerder gehuwd: met Pieter Millecamp d'oude en met Bertholomeus Rubbens. Na het overlijden van Joseph Roels op 12 maart 1753 (23) had Marie Carreeuw zoveel schulden dat, toen zij enkele jaren later overleed, haar volledig nalatenschap onder curatele werd geplaatst (24). Alle goederen werden openbaar verkocht. Het Schaak werd door stokhouder Gillis van Parijs verkocht op 26 februari 1763 aan Emmanuel de Jonghe, voor de som van 354 ponden. De Jonghe was reeds uitbater van de herberg, welke hij huurde voor 22 ponden groten per jaar. Hij was gehuwd met Marie Steyaert weduwe van Josephus Bekaert.

Op 17 aug 1781 werd Het Schaak verkocht door de erfgenamen van Marie Steyaert aan Pieter Jacobus Van Outrijve, zoon van Joseph en Jacoba Lecluse (25). De nieuwe eigenaar verhuurde de herberg aan Lucas de Jonghe; hij woonde er reeds sedert 1 mei 1779 en huurde het pand voor de som van 29 ponden per jaar. In de beschrijving van het goed werd er melding gemaakt van hagen er rondom en de aanwezigheid van "schoone" bomen op het erf.

Begin 19e eeuw - 20e eeuw: van herberg tot stokerij, brouwerij en tuinbouwbedrijf
Het was Pieter Joseph Emmanuel Van Outrijve, vrederechter te Leuven, die op 24 augustus 1811 de herberg verkocht aan Franciscus Bernardus Mabesoone en Isabelle Van Loo (26). Franciscus Mabesoone was brouwer in de Langestraat, vrijlaat van Middelburg en geboren in Moerkerke. Hij was reeds eerder gehuwd met Catharina Ocket en had bij haar één zoon: Polycarpe. In zijn tweede huwelijk had hij zeven kinderen: Franciscus, Melanie, Louis, Carolus, Medardus, Augustus en Mathilde. Franciscus Mabesoone maakte een eind aan de bijna drie eeuwen oude herberg Het Schaak. De herberg werd een woonhuis, bewoond door zijn zoon Medard. Na zijn overlijden werd zijn echtgenote Isabelle Van Loo de nieuwe eigenares. Op 27 september 1832 verkocht zij de woning aan haar zoon Medard Mabesoone voor de som van 2250 gulden.

Medard Mabesoone woonde reeds sedert 24 maart 1828 in het huis. Hij huwde Florentina Callant. Dit echtpaar kreeg maar liefst 15 kinderen waarvan er 7 minderjarig overleden. In 1833 deed hij een aanvraag bij het gemeentebestuur van Sint-Kruis tot het oprichten van een jeneverstokerij aan zijn woning (27). Hij kocht ook het buurhuis, de herberg De Drie Koningen en vroeg om de kerckeweg die naast zijn huis liep te mogen verleggen op het land van de douairière van Zuylen van Nyevelt. In 1837 had Mabesoone opnieuw uitbreidingsplannen; hij wou er ook een brouwerij onderbrengen (28). De naaste buren, Robertus De Bruyne molenaar, Michiel De Nijs herbergier in De Drie Koningen, Robertus Gerens landbouwer en Jacobus Meulebrouck tekenden geen bezwaar aan. Integendeel, zij vonden het een goede zaak voor de landbouw. De droesem kon worden gebruikt als bemesting. Voor beide bedrijven gebruikte Mabesoone de naam Het Schaak.

Na het overlijden van Medard Mabesoone op 25 februari 1882 werden de percelen, die ondertussen reeds grondig waren verbouwd, omschreven als volgt :
Drie woonhuizen en aanhorigheden met boomgaard, hovingen en zaailand, in het totaal met een oppervlakte van 1 hectare, 51 aren, 40 centiaren gelegen in Sint-Kruis langs de Steenweg van Brugge naar Gent. Bewoond en gebruikt als:

A: Het voornaamste huis (Het Schaak) is samengesteld uit 3 kamers, keuken, achterkeuken, boei zijnde een oude brouwerij, paarden- en koeienstal, boei zijnde een oude stokerij, wagenkot en schuur. Boven 2 kamers en een deel zoldering. Ongeveer 1 hectare, 31 aren en 60 centiaren boomgaard, zaailand en hovingen. Bewoond door de weduwe Florentina Callant.
B. Een huis dienende voor herberg genaamd "Het oude Schaak" (dit was de oorspronkelijke herberg De Drie Koningen, maar veranderde in de 19e eeuw van naam, na het stopzetten van Het Schaak) samengesteld uit estaminet plaats, kamer, keuken, kelder, zolder, paardenstal en tuin.
C. Een huis samengesteld uit 2 kamers, hoogkamer, keuken, gevouteerde kelder, zolder met mansarde en een deel hovingen bewoond door de weduwe Van Speybrouck voor 19,5 fr. per maand.
Een gedeelte van de onroerende goederen uit de erfenis van M. Mabesoone werden openbaar verkocht in 1885. Medard Mabesoone jr., rentenier en zoon van de overledene, kocht de percelen te St-Kruis. Hij bleef er wonen tot hij het geheel op 15 juli 1898 verkocht aan Julien De Graeve en Leonie Schaeverbeke (29). Zij woonden aan de Groenerei nr. 5 in Brugge, waar zij een handel in bouwmaterialen hadden. Julien en Leonie huwden 9 oktober 1872 te Brugge en kregen 5 kinderen: Hector, Jules, Edgard, Emile en Esther. Hun zoon Emile zette de zaak in bouwmaterialen verder terwijl Jules zich vestigde als hovenier op Sint-Kruis. Hij was gehuwd met Sylvie De Block en had een dochter, Maria. De moeder overleed toen haar dochter 14 jaar was. Zij woonden in het grootste huis naast de ingang naar de tuinen. Het huis was sinds geruime tijd verbouwd tot tweewoonst. In 1900 werden er een orangerie en serres bijgebouwd. Jules was gespecialiseerd in het kweken van laurieren en palmiers, die hij uitvoerde naar het buitenland. Na de Eerste Wereldoorlog schakelde hij over op groenten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het huis door de Duitsers opgeëist als logement voor soldaten (zie afbeelding). In 1921 werden er aan de achterzijde van de woning een keuken, achterkeuken, bergplaats en ovenkot bijgebouwd. In het begin van de jaren zestig was'er tijdens een korte periode een benzinestation gevestigd (30). Eind de jaren zestig werd de Maalse Steenweg heraangelegd. Deze rijksbaan werd aanzienlijk verbreed. Er kwamen fietspaden en nieuwe voetpaden. Om dit te kunnen realiseren, diende een strook langs de Maalse Steenweg te worden onteigend, zo bv. verdwenen alle voortuintjes. Dit betekende ook het einde van Het Schaak, dat te dicht bij de steenweg stond. In 1970 werden de gebouwen afgebroken. Dit eigendom was ondertussen overgegaan naar hun dochter, Marie de Graeve. Zij huwde Jules Jonckeere, ingenieur en hoofd van de dienst van het bestuur van water en bossen. In 1983 verkochten zij het terrein aan de firma Lederland.

(1) M. Cafmeyer. Sint-Kruis, oud en nieuw, Sint-Kruis, 1971, p. 101-105. Spijtig genoeg worden er geen bronnen vermeld.
(2) OCMW Archief Brugge (OAB), Dis van St-Anna en St-Kruis.., nr. 23.
(3) Stadsarchief Brugge (SAB), nr. 209. Wezerij , S.Janszestendeel, 11e boek, fol. 53.
(4) OAB, Dis van St-Anna en St-Kruis, nr. 24.
(5) SAB, nr. 209 Wezerij, Onze Lieve Vrouwzestendeel, 10e  bock fol. 343 & 369.
(6) Rijksarchief Brugge (RAB), Heerlijkheid Sijsele, Wettelijke passeringen, nr 160 fol. 194; Cathelijne Santeere was gehuwd met Andries Lesserbosch,
(7) RAB Kerkarchief St-Kruis, nr.11
(8) Het register waar deze akte werd geregistreerd ontbreekt, zodat er geen details over de verkoop bekend zijn; de aankoop van de brouwerij in de Langestraat is terug te vinden in: SAB. nr. 98 Klerk vd. Vierschaar, Jan De Wree nr. 1063 fol. 101v.
(9) RAB, Heerlijkheid Sijsele, Wettelijke Passeringen, nr. 162 fol. 37.
(10) SAB, nr. 198 Klerk vld Vierschaar, Jacob Vander Haeghe nr. 370 fol. 13.
(11) SAB, nr. 138 De Zestendelen, St-Janszestendeel fol. 1040.
(12) RAB, Heerlijkheid Sijsele, Wettelijke Passeringen. nr. 164 fol. 103; volgens de koopakte waren zij in Het Schaak gerecht bij uitkoop van 1/2 tegenover Christiaan Jonckheere en Marie Braems, de zuster van Jacquemijne. Hoe zij eigenaar werden van de herberg is niet duidelijk
(13) RAB, Heerlijkheid Sijsele, Wezerij.
(14) SAB, nr. 207 Staten van goed, 2de reeks nr.6437.
(15) RAB Heerlijkheid Sijsele. Wettelijke Passeringen, nr. 165 fol. 172v
(16) H. Vlieghe, Catalogus schilderijen 17e en 18e eeuw, Brugge, 1994, p. 22, de schilder is anoniem.
(17) SAB, nr. 207 Staten van goed. 2de reeks nr. 4449; Jan Feys was ook de eigenaar van een leen gelegen te Sint Kruis. gehouden van de Hove van Beauprez, bestaande uit: hagen, huizen, stallingen en bomen.
(18) RAB. Brugse Vrije, staten van goed, I ste. reeks nr. 22962.
(19) RAB, Omlopers Peper. nr. 425.
(20) RAB, Heerlijkheid van Male, nr. 4.
(21) Stadsabibliotheek Brugge (SBB), Historisch Fonds, Handschrift nr. 447, 18e eeuws handschrift met naast de wetsvernieuwingen van de stad ook een kroniek met "Ghedenckenweerdighe gheschiedenissen ", fol. t04-148v.
(22) RAB, Heerlijkheid Sijsele, nr. 210.
(23) SAB, nr.207 Staten van goed, 2de reeks nr. 11922.
(24) SAB, nr. 202 Bekommerde en insolvente boedels. nr. 193
(25) RAB, Heerlijkheid Sijsele, nr. 173 fol. 85v en nr. 175. Deze erfgenamen waren: Bruno Bekaert en Genoveva De Cock, Joannes Van Troyen en Ida Bekaert, Joannes Du Mortier en Marie Bekaert, de kinderen uit haar eerste huwelijk met hun partners, en verder Jacobus De Jonghe en Joanna Gildemijn, Josephe Meyers en Anna Theresia De Jonghe, de kinderen uit haar tweede huwelijk met partner.
(26) Notaris Jan Claerhoudt gedeponeerd bij notaris Pierre Thomas. 
(27) SAB, Gemeentearchief St-Kruis, nr.1390..
(28) SAB, Gemeentearchief St-Kruis, nr.14 notulen gemeenteraad
(29) Notaris Leon Termote gedeponeerd bij notaris Pierre Thomas.
(30) J. Weyts. Mensen van bij ons, Brugge, 1991, p. 184-189. Mondelinge informatie verstrekt door mevrouw Maria De Graeve, waarvoor onze dank.

BIJ EEN AFBEELDING OP EEN SCHILDERIJ VAN ca. 1700
Biekorf
Jos De Smet

 

De Brugse Stedelijke Musea bezitten een schilderij van 66 op 181 cm, dat de herberg Het Schaak voorstelt en een deel van de oude Antwerpse Heerweg te St.-Kruis, nu de steenweg op Male. In de verte ziet men de stad Brugge.

De herberg, die een schaakbord als uithangbord draagt, is een gebouw zonder verdieping, met trapgevel, opgetrokken uit rode baksteen. Van links naar rechts heeft men eerst een bijgebouw, waar vuur gestookt wordt, en waaruit een vrouw komt met drie wafels in de hand. Het hoofdgebouw bestaat uit een hoogkamer met twee vensters, voorzien van kruisstijlen in wit steen i ernevens ligt de voorkamer, met voordeur en vier vensters, ook voorzien van kruisstijlen in wit steen, met nog een zijdeur. waar

450 m. meer ten noorden lag. Als men een lijn trekt van het belfort, over de Kruispoort, dan komt men uit op de plaats waar vroeger de oude kerk van St.-Kruis stond.

Van links naar rechts liggen: de toren van O.-l.-Vrouw, het torentje van de Minderbroeders (Koningin Astridpark), het belfort nog voorzien van zijn spits die 1741 afbrandde, het huis de Zeven Torens (Hoogstraat), de toren van St.-Donaas op de Burg, de toren van de oude St.-Walburgakerk op de noordelijke hoek van de St.-Walburga- en Riddersstraten, de eerste molen op de Kruisvest, en tussen zijn wieken, de toren van St.-Jakob (?) ; tussen de bomen, eerst het torentje van de Poortersloge (?), Akademiestraat, de torens van de Jeruzalemkerk, van St.-Anna, van St.-Gillis, van de Jezuïeten (nu St.Walburga), het torentje van de Augustijnen (?) op de Augustijnenrei, het torentje van de Carmers, hoek Carmersstraat en Potterierei, de tweede molen op de Kruisvest, en tussen zijn wieken, de toren zonder spits van het Oosterlingenhuis op de Oosterlingenplaats, daarnevens het torentje van de St.-Sebastiaansgilde en het torentje van het klooster Bethanië, beide in de Carmersstraat, de toren van de Duinenabdij, nu het 'Seminarie, en uiterst rechts tegen de bomen, de Potterie.

De Antwerpse Heerweg was toen nog een kronkelende aardeweg. Voorbij Het Schaak, draaide hij wat naar het zuidoosten, om over de huidige Veltemweg, de Vossesteert te bereiken. Het deel van de weg, voorbij Het Schaak, is nu verdwenen, maar in mijn kinderjaren vóór 1910, ben ik dikwijls langs deze weg gegaan met de leerlingen van de voorbereidende afdeling van het St.-Leocollege, naar het speelplein dat lag in de hoek gevormd door de Vossesteertstraat en het Paalbos.

De Antwerpse Heerweg werd in de jaren 1768-1778 verbreed, rechtgetrokken, en voorzien van straatstenen. Sedertdien is hij de belangrijkste verbindingsweg geworden met Gent, en verving de Gentse Heerweg, die van de Gentpoort, over Knesselare, naar Gent liep.

Bij Het Schaak stond een van de grenspalen van het Brugse stadsgebied, want van 1275 tot 1795, strekte de stad Brugge zich rondom uit tot ver buiten de vestingen. En sedert het voltooien van de nieuwe steenweg op Male en Gent, werden de grote personages, die te Brugge op bezoek kwamen, zeer dikwijls bij Het Schaak verwelkomd door de stadsmagistraat.

Mogelijk werd het schilderij gemaakt bij gelegenheid van de herbouwing en heropening van Het Schaak omstreeks 1700.

Enkele jaren na het voltooien van het schilderij van Het Schaak, gedurende de Spaanse Erfenisoorlog, werd de stad Brugge beschoten door een Noordnederlandse troepenmacht. De Hollandse generaal Spar was met 8000 man op 2 juli 1704 te St.-Kruis toegekomen. Rechtover Het Schaak liet hij batterijen opwerpen voor 26 stukken geschut, waaronder een batterij van vijf mortieren. De 3e juli, 's nachts om 0,45 uur, werd de eerste gloeiende kogel in de stad geschoten, die verder gebombardeerd werd met « bomben, cartachen, stinkpotten en andere ». De beschieting duurde tot 8 uur 's morgens. Dan zijn de Hollanders al met eens vertrokken, en lieten nog enkele gloeiende kogels na in de « fournoisen » die zij aldaar gebouwd hadden. Deze gloeiende kogels moesten brand stichten in de stad. Wat dan ook gebeurd is, want er schoten drie huizen in brand. Als verdere schade waren zes of zeven huizen ingestort en een oude vrouw had het leven verloren bij de instorting van een klein huisje. Daarbij waren een honderdtal huizen beschadigd en enkele burgers gekwetst. De straten die het meest geleden hadden, waren de Ganzestraat, de Langestraat, de Molenbrug, de Predikherenstraat, de Witte Leertouwersstraat en de omgeving van de brouwerij Het Zweerd, op de hoek van de Zwarte Leertouwersstraat en de Engelstraat. Dit deel van de stad lag ook in het dichtst bij Het Schaak.

Verder was een zwarte kogel gevallen in het koor van St.-Donaas op de Burg; en een gloeiende kogel had de gevel van de kerk getroffen. Twee gloeiende kogels waren gevallen op het dak van de Waterhalle (oostzijde van de Markt) ; een ervan was dwars door het dak gevallen, de andere was afgesprongen en terecht gekomen in het huis Het Damberd (noordzijde van de Markt), op een afstand van 1800 meter. Andere gloeiende kogels vielen in Oude Burg en in de St.-Niklaasstraat. Een « bombe» viel op een huis in de Kuipersstraat, op een afstand van 1900 meter, waaruit we mogen besluiten dat de veldkanonnen uit die tijd niet veel verder schoten dan twee kilometer, zover als onze huidige geweren (1).
De hondenkar, afgebeeld op het hierboven beschreven schilderij, was blijkbaar een luxevervoermiddel en diende als kinderrijtuig dat men niet moest voortsteken. In die tijd had de gewone man geen vervoer, buiten de kordewagen, stootkar en slede.

De honden kar is slechts veel later opgekomen als vervoermiddel van de kleine buitenmens. Ouderen van dagen hebben nog de talrijke honden karren gekend, die 's morgens vroeg de melk naar de stad brachten, alsook de andere honden karren waarmede buitenmensen naar de stad kwamen, en die zowel dienden voor het vervoer van personen als van goederen.

Hun bloeitijd in het Brugse was de Duitse bezetting van 1914-1918. De Duitsers eisten regelmatig paarden op en een groot deel van het vervoer van de buitenmensen gebeurde per hondenkar..

Maar de Duitsers hadden meer medelijden met de honden dan met de mensen. Tot vijfmaal toe verboden zij alhier nog personen van boven de drie jaar te vervoeren per hondenkar

De hondenkarren, die de melk naar de stad brachten, werden meestal getrokken door één of twee honden. De andere hadden soms tot vijf honden. Zo werd in 1917 en 1918 de melk van de hofsteden uit Oedelem, op bevel van de Duitse overheid, dagelijks naar de melkerij van St.-Kruis gebracht, door een « voerman» uit Oedelem, « Sparre» Coene, die al de melkketels vervoerde op een grote honden kar op twee wielen, getrokken door vijf honden, waarvan er drie tussen de tramen lagen.

In 1911, toen het Belgisch voetvolk voorzien werd van mitrailleuses, werden deze vervoerd op speciale hondenkarren op twee wielen, getrokken door twee honden.

Een van de laatste hondenkarren werd in 1950 te Adegem gefotografeerd door Mej. Magda Cafmeyer. Deze foto werd afgedrukt in het tijdschrift « Gemeentekrediet van België », in de aflevering van oktober 1962.

In Waals-Vlaanderen werd de honden kar reeds in Napoleons tijd in het officieel verkeer ingeschakeld. In 1811 loopt - volgens een officiële lijst van diligenties - tussen Torkonje en Robaais een « brouette trainée par un chien ». Te Rijsel telde men in de jaren 1820 meer dan 120 trekhonden in het lokaal verkeer. Heel het vervoer van het Höpital Général was er verzekerd door een gespan van twee honden. (Biekorf 1965, 96, 143).

Het invoeren van de hondenkar als vervoermiddel van de mindere man, bestond reeds in 1876. In het politiereglement van de stad Brugge in dato 25 november 1876, vermeldt artikel 7 van het hoofdstuk Honden, dat al de ingespannen honden een muilband moesten dragen (Tous les chiens attelés doivent être muselés). En in hetzelfde reglement waar er gehandeld wordt over de honden taks, worden ontslagen van deze taks, o.m. de honden die gewoonlijk gebruikt worden om verminkten en gebrekkigen te vervoeren (Les chiens qui servent habituellement à trainer des estropiés ou des impotents, à raison de deux chiens par individu). De karretjes van de gebrekkigen werden getrokken door één of twee honden.

Het provinciaal reglement op het verkeer dd. 23 juli 1889, verbiedt (in artikel 6 over de trekhonden) trekdieren te bezigen ongeschikt tot deze dienst, en de ingespannen honden gedurende de warme dagen in de brandende zon te laten staan.

In 1890 belastte de Brugse gemeenteraad haar medelid advokaat L. Halleux, met het opmaken van een ontwerp voor een algemeen politiereglement.

In het hoofdstuk V, over de dieren, vermeldt artikel 32: « Al de ingespannen honden moeten gemuilband zijn... Daarenboven zullen de ingespannen honden gedurig aan leiband gehouden worden; de geleider zal links aan het hoofd van het gespan gaan ». Het was dus verboden, aan de geleider binnen de stad, op de hondenkar plaats te nemen.

En verder, hoofdstuk VII, art. 7 : « Niemand mag een bespannen rijtuig leiden, uitgezonderd de honden- en geiten gespan nen, indien hij geen zestien jaar oud is, en in staat wel te sturen ». Er bestonden dus ook geiten karren (2).

Ik bezit een foto van de Smeden poort, genomen vanaf de Gistelse steenweg. Door de poort ziet men de Smedenstraat, en in het midden het belfort. Rechts ligt de vesting (Hendrik Consciencelaan), zonder bomen, zodat het grootste deel van de toren van de O.-L.-Vrouwkerk zichtbaar is. Vóór de poort staat een kleine honden kar, waarop een melkketel vervoerd wordt. Maar het karretje kon geen personen opnemen. Op de foto heeft iemand de datum 1885 bijgeschreven (3).

De hondenkarren werden eerst populair wanneer zij ook personen konden vervoeren. Men heeft dit waarschijnlijk afgekeken van de hondenkarren voor gebrekkigen. In het ontwerp van politiereglement van de stad Brugge uit de jaren 1890-1891, wordt aan de leider van een hondenkar verboden op de kar te zitten. Hij moest ernevens lopen. Andere personen mochten er wel plaats op nemen.

Uit mijn kinderjaren weet ik nog dat de jongens, die met een honden kar melk naar de stad brachten, aan de Gentpoort afstapten om, binnen Brugge, ernevens of erachter te lopen.

De verandering in het gebruik van de hondenkar, die dit vervoermiddel ook dienstig maakte voor het vervoeren van personen, moet gebeurd zijn rond 1890. Op de oudste Brugse prentkaarten ziet men de melkvoerders gezeten op een ezel, die terzelvertijd de melktonnetjes draagt. Deze kaarten zijn niet ouder dan 1890.

Een zeer interessante bijdrage over het invoeren van de hondenkar te Doomkerke, verscheen in het tijdschrift « Ons Doomkerke » van juli 1958, en is van de hand van Karel Lamont.

Doomkerke, alias Het Haantje, is een afgelegen parochie van de gemeente Ruiselede, waar vroeger weinig bestaansmogelijkheden waren, en waar veel mensen zijn uitgeweken, o.m. naar de Verenigde Staten.

De kleine boeren aldaar waren aangewezen op het vervoer per kordewagen, waarmede vrachten vervoerd werden van of naar het omliggende, tot Brugge toe op 18 km. afstand, en waarmede ook zieken naar het hospitaal overgebracht werden.

De eerste honden kar kwam te Doomkerke in 1905. Terstond hadden de drie plaatselijke wagenmakers de handen vol om hondenkarren te maken, en de smid moest ervoor het nodige ijzerwerk smeden.

Het nieuwe vervoermiddel gaf een uitbreiding aan handel en nijverheid. De poelden iers, viggen- en kalverkooplieden konden nu hun dieren gemakkelijk vervoeren naar de omliggende markten van Brugge en Roeselare. Op de meer nabijgelegen markten van Aalter en Tielt waren er soms 70 tot 80 hondenkarren aanwezig, waarmede de kleine boeren uit de streek hun produkten aanvoerden. Er werden zelfs koersen met honden karren ingericht. En zoals nu met de taxis, liet men zich per honden gespan naar het naaste station of naar een omliggend dorp voeren.

Nadat de duivensport ook te Doomkerke ingang had gevonden, richtte men proefvluchten in, om de duiven gewoon te maken hun hok terug te vinden. Een jongen werd per hondenkar, bespannen met drie honden, met de ingekorfde reisduiven naar de omliggende gemeenten Vinkt, Deinze en zelfs Kruishoutem gezonden op 30 km. afstand, om aldaar de duiven te lossen. Daar hij voor een ganse dag op reis was, werd hem een deken medegegeven al beschutting tegen regen en wind, wanneer hij op zijn kar zat (4).

Zoals meer andere vervoermiddelen zijn de hondenkarren verdwenen in de technische vooruitgang van onze eeuw.

(1) A. De Poorter. Twee Jaarboeken van Brugge. Verschenen in het « Burgerwelzijn » in 1937; blz. 39 van de overdruk

(2) Stad Brugge. Politieverordeningen. - Ontwerp voorgelegd door l. Halleux, advocaat en gemeenteraadsheer, 1890-1891, blzn. 159, 161, 172 en 196.

(3) De foto meet 154 op 96 mm., en is geplakt op een wit karton. omgeven door een rode lijn. Zij draagt het volgende opschrift: «231. Bruges. Porte maréchale », en als firma «L L ».

 

 

 

           

 

GEGEVENS OVER DE HERBERGEN HET SCHAAK EN DE ZOETEN INVAL IN DE 17DE EEUW

Bron: Stads archief Brugge, Staten van goed, 2e reeks nr. 4449.

Deze staat van goed beschrijft o.m. de bezittingen van Jan Feys n.a.v. zijn overlijden 12 mei 1689. J. FEYS was poorter van de stad Brugge. Hij oefende het beroep uit van bierbrouwer en baatte de brouwerij De Drie Monikken in de Langestraat uit. Daarnaast bezat hij ook twee herbergen in Sint-Kruis, nl. Het Schaak. en De Zoeten Inval. De eerst heeft hij doen verbouwen, de tweede is door hem nieuw gebouwd.

"Voorts competeert ten desen sterfhuijsse een huijs ende herbergbe het Schaeck.consisterende in een schoon hooghe camer. keueken ende platten camer. onlancx nieuwe ghebauwt. Staende binnen de voornoemde prochie van St Cruus ten heer1ijchede van Sijssee1e, met twee lijnen 1andts daer medegaende sijnde een viercandtstick, streckende

suijt ende noordt al tusschen die vande Chartreusen binnen Brugghe landt, aende westzijde den kerckweg 1igghende tusschen dit parchee1 ende het huijs van wijlen dheer Jan Godefroit, aende oostzijde streckende metten noordthende aenden nederen herwegh ende over den zuijthende ghemeten tot aenden suijtzijde vanden logie staende op de noordtzijde vanden Antwerpschen herwegh. We1cke erfve is saij1andt ende hovijnghen.

Belast het voorseijde huijs ende herbergbe met vijf schellinghen grooten siaers die men ghe1t aende kercke van Sinte Cruijs ende met twaalf ponden thijen schellijnghen grooten tsiaers die men ghe1dt aenden cloostere vande Penitenten binnen deser stede telcken derden april sonder meer.

In welck huijs ende herbergbe der overleden gherecht was bij letteren van erfvenisse ghepasseert voor scbepenen der heerlichede van Sijsseele in daten derden april 1680, onderteeckent E. vanden Elstraete. Welck huijs in pachte ghebruijckt wordt bij Michiel Van Qualie tot twijntich ponden grooten tsiaers.

…Voorts competeert ten desen sterfhuijsse een leen, groot één ghemet sevenenveertich roeden met haeghen, huijssijnghen, stallijnghen endeboomen daer op staende ghehouden vanden hove Beaupre, staende ende ligghende tselve leen inde prochie van Sincte Cruijs buijten de Cruijspoorte deser stede van Brugghe ende binnen den schependomme van dier west vande kercke tusschen het Chartreusenlandt, aende westzijde wijlent Joos de Smidt landt, aende oostzijde ten suijdthende streckende met den noordthende aenden disch van Sincte Cruijs landt. Staende hetselve leen ten dienste van trauwe ende waerhede ten reliefve ende camerlijnck ghelt vander beste vrome telcken veranderinghe, ende voorts te alsulcken laste van thijende pennijnck ende anders alsmen tvercoopt ghelijck ander leen. staen ghehouden vanden selven hove.

Voorts ten dienste van twee capoenen ende twee stoopen cortewijns tsiaers telcken nieuwdaeghe ofte sesthijen schelle paresijsse daer vooren op welck leen den overleden heeft ghedaen bauwen een huijs wesende een herberghe ghenaempt den Soeten Inval jeghenwoordigb in pachte ghebruijckt bij Jan Eggheman.

Welck leen sonder bauw van het voorschreven huijs den overleden ghecocht heeft jeghens dheer Servatius de la Rue voor de somme van 725 guldens '" den contract van coope staende gheinsereert inde letteren van erfvenisse ten prouffijtte vanden overleden ghepasseert voor mannen van leene vanden Burgh van Brugghe van daten sesden meije 1688 onderteeckent F. vanden Hende. "

 

Jan D'hondt

30.11.1992