Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

De Olifant

Een verdwenen herberg in Sint-Kruis: van De Olifant en Het Gildenhuis tot het gemeentehuis
B.O. 1998/1
Dries WEYTS

De herberg De Olifant was gelegen langs de Moerkerkse Steenweg, ten westen van de kerk, waar nu ongeveer het Gemeenschapshuis staat. De naam van deze herberg werd later, tijdens de 18e eeuw, gewijzigd in Het Gildenhuis, omdat de plaatselijke schuttersgilde Sint-Sebastiaan er zijn schietpers had opgericht en er zijn lokaal hield. De laatste jaren van de zelfstandige gemeente Sint-Kruis deed ze dienst als Gemeentehuis, waar ook de politie was ondergebracht.

Waar de benaming De Olifant vandaan komt is moeilijk te achterhalen. Zij staat waarschijnlijk in verband met rondtrekkende lui, waarvan o.a. een olifant voor de attractie moest zorgen tijdens de jaarmarkten en kermissen. Het Brugse Museum voor Volkskunde bezit een uithangbord van deze herberg waar op een zinken plaat een olifant werd geschilderd (zie afbeelding 1). De olifant staat centraal met links de voorstelling van een bos en rechts wolken met enkele vogels. Het uithangbord meet 106 cm bij 84 cm. en is in een houten kader geplaatst van 5 cm breed. In het kader zijn zes bevestigingsgaten.
Op het befaamde panoramisch stadsplan van Brugge door Marcus Gerards van 1562 staat ook de kerk van Sint-Kruis met wat bebouwing errond. Wanneer we dit detail vergelijken met een 18e eeuwse kaart waarop De Olifant staat afgebeeld, kunnen we op de kaart van 1562 duidelijk deze herberg lokaliseren. Aan de overzijde zien we het oorspronkelijke Schuttershof of Gildenhuis met de doelen (zie afbeelding 2 en 3).
De eerste vermelding van de herberg De Olifant dateert van 1575, toen Jan de Burchgraeve er herbergier was. Over de eigenaars zijn we ingelicht vanaf 1580. Aangezien De Olifant binnen de paallanden van de stad lag (d.i. het gebied buiten de stadomwalling maar nog behorend bij de stad), werd dit onroerend goed opgenomen in de registers van de Zestendelen of het oud kadaster van de stad (1). De juiste omschrijving en situering in die periode was als volgt: "Een huys ende herberghe ghenaempt den Oliphant met 36 roeden landts daermede gaende, staende ende ligghende inde prochie van Sinte Cruys, ten westhende vande kerchove tusschen den kerckmuur jeghens het kerchof ande oostzyde, de kercke van Sinte Cruys ende erfve vuerghemeens ande westzyde, streekende metten noordhende vuerghemeens jeghens de kercke van Sinte Cathelyne buyten Brugghe landt, ende metten zuudhende ande calsyde" (2).
De Olifant was in 1580 eigendom van de armendis van Sint-Kruis en Sint-Anna. Bijna vijftig jaar lang bleef deze dis in het bezit van de herberg. Op 27 juli 1629 verkopen de dismeesters van Sint-Anna en Sint-Kruis De Olifant aan Cornelis Anthuenis. De nieuwe eigenaar en zijn echtgenote bezetten op dit huis een erfelijke rente van 10 gulden ten voordele van deze dis. Cornelis Antheunis had als bijnaam "de geus". In november 1631 deed Jan Jacobs - lid van de schuttersgilde - in naam van Jan Lambertsen een arrest op dit huis omdat Cornelis Anthuenis nog 550 gulden schuldig was wegens de aankoop van molenstenen. Zeven jaar later op 3 augustus 1638, verkopen Pieter Kemele en Maerten de Vos, in naam van Cornelis Anthuenis, de helft van dit huis aan Andries Talleboom (of Taelboom), die reeds de andere helft bezat.
Andries Talleboom was de zoon van Joos. Hij was gehuwd met Ida Heindricx; ze hadden vier kinderen. Na het overlijden van Andries in 1654 hertrouwde Ida met Lodewijk van Wier (of: Weert). Waarschijnlijk verhuisde dit echtpaar naar Rozendaal in Nederland, want de verkoop van de herberg in 1677 gebeurde met een machtiging vanuit de Vrijheid van Rozendaal. De nieuwe eigenaar werd Joos de Cock. Na 1677 vermeldt het register van de Zestendelen geen inschrijvingen meer. Vermoedelijk was dit omdat De Olifant gelegen was op grondgebied van het Kanunnikse, onderdeel van de heerlijkheid van het Proosse (of ook: de heerlijkheid van Sint-Donaas). Dit was een volwaardige heerlijkheid met een eigen rechtspraak en eigen bestuurders (3).
Voor de 17e eeuw vonden we twee uitbaters van De Olifant. In 1654 was Thomas D'Hennijn herbergier. Tijdens het laatste kwart van deze eeuw was dit Jan Mestdagh, want tijdens een bezoek in 1687 van de bisschop werd diens koets in De Olifant uitgespannen. Aan Jan Mestdagh werd een bepaalde som betaald "over thaire by de coutsiers ende lackeyen van syn hoochweerdicheydt den bisschop." (4)
Voor de 18e eeuw waren volgende herbergiers actief in de Olifant:
- in 1741 was dit Jan Scheerens.
- De volkstelling in 1748 vermeldt Pieter de Backere als herbergier. Hij was gehuwd met Marie Winne; samen hadden ze drie kinderen Joanne (22 jaar), Joannes (11 jaar) en Pieter (7 jaar) (5). - Drie jaar later, in 1751, was het Adriaen Verbeke.
- In 1757 werd Jacques Valcke lid van de Sint-Kruise Sint-Sebastiaansgilde en gaf als beroep op : cabarethouder in de Olifant (6).
De schuttersgilde Sint-Sebastiaan verhuist naar De Olifant en de herbergnaam wordt Gildenhuis
Ook Sint-Kruis heeft een boogschuttersgilde, Sint-Sebastiaan, De stichtingsakte van 22 februari 1476 door Karel de Stoute stipuleerde duidelijk dat de gilde ten dienste stond van het Proosse (Sint-Donaas). Ze had sinds eeuwen haar gaaipers in het Schuttershof rechtover de kerk, aan de zuidzijde van de Moerkerkse steenweg (zie afbeelding 2). Baron-majoor Jan Charles de Doncquere, hoofdman van deze Schuttergilde, deed medio de 18e eeuw de gilde herleven en verkreeg op 23 mei 1752 een nieuw octrooi, waarbij de landvoogdes Maria Theresia van Oostenrijk haar hoge bescherming verleende. Sinds deze voorname onderscheiding noemde deze gilde zich: de vrije archiers van Maria Theresia van Oostenrijk. Er werden tussen 1752 en 1754 niet minder dan 144 nieuwe schutters aangenomen.
Het was op initiatief van hoofdman De Doncquere dat de gilde het vervallen schutterslokaal verliet en verhuisde, schuin de straat over, naar De Olifant. In zijn aanvraag tot verhuis gericht aan Karel van Lorreinen, graaf van Coblenz, werd De Olifant omschreven als "une belle maison. le propriétaire ayant même offert et s 'est oblige de faire des buts neufs bien batis et une belle grande chambre ... ". In augustus 1763 waren er reeds nieuwe doelen gebouwd en in 1777 werd een afzonderlijke kamer bijgebouwd voor de vergaderingen van de eed.
In dat jaar, 1777, vierde de gilde grootse feesten ter ere van het 25-jarig jubileum van hun hoofdman De Doncquere en hun koning De Caesemaecker. De nieuwe Gildekamer aangebouwd aan de herberg werd door de kunstschilder Jan Beerblock behangen met "cartonpapier" en daarop "seer konstiglijk alderhande verbeeltenissen ende sinnebeelden" geschilderd. Aanvankelijk wilde men, om de kosten te dekken, deze versieringen naderhand verkopen. De eigenaar en uitbater van De Olifant, Bernardus Bulcke stelde echter voor om ze te laten hangen en op tien jaar af te lossen. Op 25 en 26 augustus 1777 vonden de grootse feestelijkheden plaats. Na een stoet van Brugge naar Sint-Kruis, vergezeld van het militaire muziek van het regiment van Vierset, was er eerst een kerkdienst. Nadien was er een feestdis in een speciaal daartoe gehuurde tent nabij de herberg en de opgesmukte Gildenkamer. Er namen 72 mensen aan deel. De drank vloeide rijkelijk: 302 flessen witte wijn, 198 kannen hougards bier, 40 kannen Gents bier en 50 kannen bruin bier (7).
Meester steenhouwer Stephanus Siersack (lid schuttersgilde in 1791) plaatste in 1794 in de Gildenkamer van deze herberg een marmeren schouw met vier wapenschilden van de hoofdman J.B. Dhooghe, van de dekens Sabot en Van Tuyckom en van de koning Simoens (8). In die periode werden door de rijke artistocraten, die toen lid waren, grote feesten en prachtige schietingen gehouden. Zoals op 23 mei 1798 voor een zilveren koffiekan, of op 29 juli 1829 toen voor tachtig gulden verschoten werd. Het vestigen van de schuttersgilde, het bouwen van de doelen en later het plaatsen van de pers in De Olifant was de oorzaak van de naamswijziging van De Olifant tot Het Gildenhuis.
De Olifant/Het Gildenhuis eigendom van een Brugse brouwerij
Met de inrichting van het Belgisch kadaster in 1835 stond dit onroerend goed ingeschreven onder drie percelen C/653 (tuin), C/654 (huis) en C/655(erf), te samen met een oppervlakte van 2.960 m2. In 1835 was Jan Jooris de eigenaar van deze percelen (9). Hij was de oudste zoon van Jan Jooris en Isabelle Vyncke die de brouwerij De Gapaard in de Noordzandstraat uitbaatten. Deze zoon Jan Jooris huwde Marie Moentack en runde aanvankelijk een zoutziederij aan de Speelmansrei. Vanaf 1825 nam hij de brouwersactiviteiten van zijn ouders in De Gapaard over (10). De Olifant was dus in handen van een bekende Brugse brouwer. Jooris was reeds voor 1835 eigenaar van deze herberg. Dit kunnen we afleiden uit een akte van schuldbekentenis uit 1830 van de voormalige huurder van De Olifant aan zijn schoonvader. Deze voormalige huurder was Charles De Smidt, hij was de zoon van Petrus De Smidt die in 1814 reeds deze herberg uitbaatte. Charles De Smidt, gehuwd met Joanna Baes, werd in 1823 lid van de schuttersgilde met de vermelding "baes van het Gildenhuys". In 1829 moest het echtpaar De Smidt-Baes de uitbating van de herberg stopzetten wegens financieel wanbeheer. Ze hadden voor meer dan 1.100 gulden schulden. Schoonvader Basilius Baes, een Brugs koopman, kwam met geld over de brug. In een akte van schuldbekentenis werden alle schulden mooi opgesomd waardoor we een kijk hebben op de leveranciers/schuldeisers van deze herberguitbaters (11) :
- 811 gulden aan Joannes Jooris-Moentack, grootbierbrouwer over geleverd bier en zes maanden pacht
- 222 gulden aan Joris Demeyer over levering van wijnen
- 27 gulden aan Inghelbrecht De Tilly over levering van jenever
- 15 gulden aan Polycarpe Mabesoone voor levering van kolen

Na het overlijden van Jan Jooris (+ 14/2/1837) en zijn echtgenote (+ 26/1/1847) kwam de herberg via verdeling toe aan een zoon, Edouard Jooris. De uitbater in 1855 was een zekere Rotsart, nadien werd hij opgevolgd door ene Herpoel. In 1861 werd het pand verkocht aan Pieter Van Hove, een landbouwer te Varsenare. De Olifant werd toen als volgt omschreven: huis en herberg met twee estaminetplaetsen, een zaal der sociteit, doelhuis met kamer. Dit alles bevond zich in een middelbare staet (12). Deze . "middelbare staet" was waarschijnlijk te positief uitgedrukt want in die periode was het gebouw zo vervallen dat de eed van de gilde zijn vergaderingen niet meer kon houden en naar Brugge trok voor de besprekingen. Vanhove zou de herberg slechts drie jaar in bezit houden; in 1864 vond de verkoop plaats. De nieuwe eigenaar was brouwer Eugène Van Mullem en liet in datzelfde jaar het gebouw opknappen. De herberg werd toen doorgaans Het Gildenhuis genoemd. Zijn brouwerij, De Drie Zwanen, was gelegen in de Carmersstraat. In 1864 werd Jooris ook lid van de schuttersgilde; hij was "deken van de vrouwtjes". Vermoedelijk werd toen Het Gildenhuis uitgebaat door Charles Sobry, die sinds 1858 lid was van de schuttersgilde. Na zijn overlijden zou zijn weduwe nog tot 31 december 1898 Het Gildenhuis openhouden (13).
In Het Gildenhuis werden ook andere plaatselijke vieringen gehouden, los van het schuttersgebeuren. Op 10 maart 1870 werd ter gelegenheid van de opening van de nieuwe wolwasserij Fernau in de Vestingstraat (nu: Altebijstraat) in Sint Kruis, een personeelsfeest gegeven. Mannelijke en vrouwelijke werknemers werden echter streng gescheiden, want het feest voor de mannen ging door in Het Gildenhuis en dat voor de vrouwen in de herberg Altebij in Assebroek(14). Op 5 juli 1888, tijdens de inhuldiging van Burgemeester Graaf Gustaaf Visart, werd in Het Gildenhuis een wedstrijd voor de gaaibolders georganiseerd.
Na het overlijden in 1891 van E. Van Mullem werd de brouwerij overgenomen door zijn schoonzoon Aimé Delanote. In 1892 besloot de schuttersgilde om in de tuin een ijzeren schietpers te laten maken. Medelid Karel Van Robays hielp het plan tekenen van deze "Eifeltoren" die 2.500 kg woog. De herberg werd sinds 1901 uitgebaat en bewoond door Gerard Van Hoorickx. In 1906 verbouwde de eigenaar Delanote de voorgevel (en waarschijnlijk ook het interieur) van Het Gildenhuis grondig (15). De trapgevel werd vervangen door een lijstgevel (zie afbeelding 5). Deze verbouwing schonk de herberg als het ware een nieuw leven. Tal van activiteiten van het plaatselijk verenigingsleven vonden in het vernieuwde kader plaats, zoals op 15 juni 1908 het Jubelfeest van de Vlaamsche Ruiters naar aanleiding van hun 25-jarig bestaan, met "een prijsdeeling" en een "Prachtige Ringsteking en Luisterlijke Prijsbolling voor de vrouwen" (16). In 1911 werd er in Het Gildenhuis ook geschoten op de liggende wip. De ere-voorzitter was A. de Foere en de hoofdman D. de Schietere de Lophem. In 1912 was de gaaiboldersmaatschappij "De Ware Vrienden" er gevestigd.
Het gemeentebestuur gaf op 16 april 1913 de goedkeuring voor de heropbouw van het doelhuisje. Dit gebeurde door aannemer Arthur Vandendorpe voor 985 fr., als laagste aanbieder. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren er Duitse soldaten ingekwartierd, vooral in de gildezaal en in de doelkamer. Na de oorlog zorgde de nieuwe hoofdman van de schutters, E. Ruscart, voor de gehele opfrissing van de gilde lokalen (17)
De laatste uitbaters van de herberg waren Jérome Poignie en zijn echtgenote Marie Vandevoorde (Poignie huwde een tweede maal met Adrienne Vanholm) (18). De stallen van de oude afspanning werden tijdens de winter verhuurd aan de beenhouwer Oscar Van Dierendonck. Hij bracht dan zijn koeien en ossen naar hier om te vetten. De dieren hadden de hele zomer op de vette weiden in Heist gegraasd. Hij bracht deze dieren langst de kleine wegen te voet naar Het Gildenhuis.
Tijdens de mobilisatie in 1940 waren de Belgische soldaten hier ondergebracht. Na de inval van het Duitse leger maakt dit eveneens gebruik van de gebouwen en de terreinen. Deze Duitse soldaten waren meer gedisciplineerd en netter dan hun voorgangers. De lokalen werden zelf regelmatig ontsmet. De Duitsers sliepen in kleine ijzeren bedden en niet zoals onze soldaten op de grond op een strozak. Na de bevrijding waren hier een tijd Engelsen gelegerd; deze blonken dan weer uit door hun gebrek aan discipline. Ze verkochten veel gestolen goederen van het leger zoals benzine, sigaretten en eten. Herbergier Poignie kreeg op een bepaald ogenblik 1 miljoen sigaretten aangeboden. Hij weigerde echter hierop in te gaan. Na de Tweede Wereldoorlog verbleef het circus De Jonghe hier verschillende maanden met al hun dieren, zoals onder meer paarden, ezels, honden enz.
Achter Het Gildenhuis waren er toen nog zeer veel weiden. Tot aan het Sanatorium Van Zuylen in de J. Delaplacestraat stonden geen huizen en de Boogschutterslaan bestond nog niet. Dit zou echter niet zo blijven. Door de bevolkingsaangroei waren de onbebouwde percelen in het centrum gegeerde stukken bouwgrond. Het terrein, hoofdzakelijk eigendom van de Openbare Onderstand en van de heer Delacour, moest verlaten worden omdat het centrum van Sint-Kruis steeds meer werd toegebouwd en men achteraan de nieuwe Boogschutterslaan moest kunnen aanleggen (19). Dit had als gevolg dat herberg en schutters halfweg de jaren zestig moesten wijken. Op 26 juli 1965 werd voor de laatste maal de handboogsport beoefend op de terreinen van de voormalige herberg De Olifant. De herberg diende plaats te maken voor het gemeentehuis. Op 28 september 1966 hield het Schepencollege hier voor het eerst zijn vergadering. Alle gemeentediensten en de politie waren er ondergebracht. Vanaf nu sprak men niet meer van De Olifant of Het Gildenhuis, maar van "Het Gemeentehuis" (20).

Na de fusie met Brugge, in 1971, werden alle gebouwen afgebroken en werd ongeveer op die plaats het huidige Gemeenschapshuis opgetrokken. In het ernaast gelegen winkelcentrum herinnert het café-restaurant "Het Gildenhuis" aan de aanwezigheid van de oude herberg Het Gildenhuis en zijn voorganger De Olifant.

(I) Zie de bijdrage van Jan D'hondt in dit nummer, Bier, herbergen en brouwerijen in de registers van de Zestendelen van de stad Brugge
(2) Stadsarchief Brugge (SAB), nr. 138 De registers van de Zestendelen, de paallanden tussen Kruis- en Gentpoort, fol. 18. De eigenaars vermeld in de volgende alinea's (tot 1677) komen uit deze bron.
(3) M. RYCKAERT, Brugge. Historische stedenatlas van België, Brussel, 1991, p. 82.
(4) M. CAFMEYER, Sint-Kruis. oude en nieuw, Sint-Kruis, 1971, p. ]09.
(5) J. DE SMET, De bevolking van Sint-Kruis in 1748, in : Brugs Ommeland, 1964, p. 92. 
(6) A. DEWITTE, 500 Jaar Vrye Archiers van Mynheere Sint Sebastiaen te Sint-Kruis-Brugge, Brugge 1975, p 143.
(7) A. DEWllTE, A.w., p. 74-78.
(8) Drie van deze vier wapenschilden zijn bewaard gebleven en in 1975 in het nieuwe schutterspaviljoen ingemetseld. Helaas is de schouw zelf bij de inrichting tot gemeentehuis in 1965 verdwenen.
(9) SAB., Gemeentearchief Sint-Kruis, nrs. 390 en 391 Naamlijst en Kadastrale leggers vanaf
1835.
(10) SAB., Bevolkingsregisters Brugge, 1830-46,018/34
(11) RAB., Notariële minuten, Notaris Joannes Claerhoudt, 7 mei 1830.
(12) SAB., Gemeentearchief Sint-Kruis, nr. 398
(13) SAB., Gemeentearchief Sint-Kruis. nr. 402 Lijsten van herbergiers met vermelding indien ze sterke dranken verkopen. 1889 en angevuld tot 1911.
(14) J. DE SMET. 1870-1871 vanuit Brugge bekeken. Een honderdjarige terugblik, in : Brugs
Ommeland, 1970. p. 34.
(15) Deze aanvraag tot verbouwing staat vermeld, het plan ontbreekt evenwel, zie SAB., Gemeentearchief Sint-Kruis, nr. 1166/30
(16) Affiche van dit jubelfeest 1908. in eigen bezit.
(17) A. DEWITTE. A.w.. p. 99.
(18) SAB.. Gemeentearchief Sint-Kruis. nr. 1407
19) De benaming Boogschutterslaan werd beslist in de gemeenteraad van 19 augustus 1958,
zie A. Schouteet, Deslraalnamen van Brugge, Brugge, 1977, p. 33.
(20) SAB., Gemeentearchief Sint-Kruis, nr.25 Notulen van de gemeenteraad, 1966-1967 en nr.38 Notulen van het schepencollege, 1966-1968.

Een inkijk in de materiële cultuur van de herberg De Oliphant in Sint-Kruis tijdens de 17de  en de 18de eeuw

YVETTE KEMEL
 B.O. 2011

Eind vorig jaar startten een aantal vrijwilligers van de Werkgroep Huizengeschiedenis (vzw Levend Archief in het Stads archief van Brugge een project rond materiële cultuur van Brugse huizen. Eén van de bronnen die werd bekeken zijn de arresten in het archief van de Proosdij van Sint Donaas. Deze bleken een schat aan informatie te bevatten over inboedels en de aankleding van het interieur van huizen en dit niet alleen voor Brugge maar voor het hele gebied waarover de proosdij bevoegd was. De proosdij was een heerlijkheid met een tweeledige structuur: het Proosse en het Kanunnikse. Hun grondgebied was zeer uitgebreid maar vormde geen geheel. De gebieden waren verspreid over negen kasseirijen.

In de Brugse binnenstad behoorden tot het Proosse: het Oostproosse rond de Jeruzalemstraat, het Hoogstuk, de Coupure, de zone ten zuiden van de huidige Stijn Streuvelsstraat, de zone tussen de 's Gravenstraat en de Dampoort en het gebied aan weerszijden van de Peterseliestraat. Het Kanunnikse bestond uit de noordelijke helft van de Burg, de herberg De Blinde Ezel in het gelijknamig straatje, de Sint-Pieters kapel in de Philipstockstraat, de Sint-Kristoffelkerk aan de Markt en de Sint-Janskerk op de gelijknamige plaats. De grootste enclave was echter het Zuidproosse tussen de Garenmarkt en de Nieuwe Gentweg. (1) Daarnaast behoorden ook grote enclaves van Sint-Kruis, Sint-Michiels en Dudzele tot deze heerlijkheid.

Het archief van de proosdij (bewaard in het Rijksarchief) is slechts
summier ontsloten waardoor men de registers blad per blad moet lezen. Dit schrikt vele vorsers af maar voor wie de moed heeft om ze in te kijken is het zeker de moeite waard. Het speuren in de registers van de Proosdij is als een detectiveverhaal. Blad per blad worden de geheimen onthuld. Bij het doorbladeren van de registers stootte ik op drie arresten met betrekking tot de herberg De Oliphant in de Moerkerkse Steenweg in Sint-Kruis (2). De herberg stond naast de muur van het kerkhof. Later kreeg het de naam Gildehuis omdat de schutters van de Sint-Sebastiaansgilde daar hun lokaal en schiet doelen hadden. Na een tijdje als gemeentehuis te hebben gediend werd het in september 1976 gesloopt en vervangen door een Gemeenschapshuis met onder meer een administratief centrum en een filiaal van de Openbare Bibliotheek van Brugge.
Het arrest van 1686 bevat enkel een opsomming van de materiele goederen. Dit wordt samen behandeld met de tweede akte, van 1768, waarin zowel het pand als de inboedel werden gearresteerd. In de derde akte van 1749 wordt enkel het gebouwen het erf openbaar verkocht en bevat een volledige beschrijving van het gebouw.


De arresten van 1686 en 1768

Op 28 januari 1686 werden de goederen van Jan Mestdagh gearresteerd in opdracht van schuldeiser Adriaen Meyaert wegens het niet betalen van 21 ponden gr. voor geleverd bier door diverse brouwers. Jan Mestdagh was herbergier in De Oliphant die hij huurde van Joos De Cock brouwer in De Meermin in de Langestraat. Bijna tachtig jaar later, op 27 mei 1768, werd opnieuw beslag gelegd op de goederen van de herbergier van De Oliphant. Toen was Jan Mostaert eigenaar-herbergier en de schuldeiser was Pieter Haghebaert. Achterstallige renten waren ditmaal de reden. Buiten de inboedel werd in 1768 ook het gebouw gearresteerd: een huys met syne erfve ende doelhuysen daer mede gaende ende gheleghen by het kerkhof van Sint-Cruus competerende den voorseyden Jan Mostaert ende dat tot versekerhede ende verhael als by de selve requeste gheseyt.

Jan Mostaert en zijn echtgenote Anna Minnaert hadden het huis, de herberg en het erf De Oliphant op 30 september 1755 gekocht van Carolus Jacobus De Bouck priester in Kaprijke en Jacobus Joannes De Bouck kanunnik in Middelburg in Vlaanderen.3 De koopprijs bedroeg 610 ponden Vlaams waarvoor een rente op het huis wordt genomen van 6 ponden, penning
25 (intrestvoet 4 %). In 1762 werd door hen een overeenkomst gesloten met de schuttersgilde Sint-Sebastiaan uit Sint-Kruis om voortaan hun schietingen, feesten en vergaderingen in De Oliphant te houden. Hun lokaal, 't Schottershof, gelegen tegenover De Oliphant was in zeer slechte toestand. Er waren voorwaarden verbonden aan de overeenkomst. Om het gebouw bruikbaar te maken voor de Sint-Sebastiaansgilde was de eigenaar verplicht om twee doelen te bouwen en een gildekamer.(4) Dit werd bevestigd door een brief die de hoofdman van de schutters in juni 1763 richtte naar Karel van Lorreinen met de vraag om te mogen verhuizen
van hun vervallen lokaal naar de herberg De Oliphant. De herberg werd daarin omschreven als: een mooi huis, waarvan de eigenaar zelf heeft aangeboden en zichzelf verplicht nieuwe doelen te bouwen en een grote mooie kamer.5 Bij het versturen van de brief waren ze al verhuisd.(6) De schutters waren verplicht om voortaan al hun activiteiten in deze herberg
te laten plaatsvinden. Jan Mostaert had schulden gemaakt om aan deze verplichting te voldoen. Op 27 maart 1766 leende hij 95 ponden, penning 20, van Pieter Haghebaert met de verplichting deze terug te betalen met intrest na twee jaar. Toen hij na herhaalde aanmaningen nog niets had terugbetaald kwam het tot een proces voor de Raad van Vlaanderen. Jan Mostaert werd daar veroordeeld tot het onmiddellijk betalen van de 95 ponden plus intresten en de kosten van het proces. Indien hij niet kon betalen zouden zijn goederen volledig of gedeeltelijk openbaar verkocht worden. Intussen was hij ook in gebreke gebleven bij het betalen van de rente voor de aankoop van het pand. Bij het huis hoorden ook nog
een aantal verplichtingen die opliepen tot 01-18-09 ponden gr. per jaar.(7)
Op 27 mei 1768 kwam de deurwaarder ter plaatse om beslag te leggen op de roerende goederen, het gebouwen de doelhuisjes. Charles Pulinx werd aangesteld als curator, tegelijk kreeg hij van de heren Daniël Hoste, Joseph Galle en de voogden van Gabriël Galle de opdracht zoveel mogelijk van de roerende goederen te redden. Zij waren de erfgenamen van de eigenaar van De Oliphant in de periode 1723-1749. Het gebouw met toebehoren werd verkocht aan Bernardus Bulcke op 16 mei 1769.8 Het is duidelijk dat door het aantrekken van de schuttersgilde herbergier Jan Mostaert te zware investeringen had gedaan.
Een eerste vaststelling bij het vergelijken van beide beschrijvingen is dat het gebouw uit de 17de eeuw merkelijk kleiner was dan dat uit de 18de eeuw. De herberg van Jan Mestdagh en Anna Minnaert in de 17de eeuw (verder vermeld als boedel 1) bestaat uit een voutekamer, een keuken, een kamer naast de keuken, een kelder en een zolder. Er is ook vermelding van een hof. In de 2de helft van de 18de eeuw, toen Jan Mostaert (boedel 2) eigenaar was, zien we een keuken, een kamer op het gelijkvloers aan de straatzijde (de platte kamer ter strate), een kamer palend aan de kerkhofmuur, een hoogkamer of voute, een gildekamer, zolder en kelder (vulder).
Bij het bekijken van de lijst met voorwerpen zien we ook opmerkelijke verschillen. Jan Mesdagh in 1686 heeft veel minder huisraad en meubels dan Jan Mostaert in 1768. Ze zijn ook van mindere kwaliteit. Als we de meubels vergelijken zien we bij Jan Mestdagh meubels uit wagenschot of ingevoerd eikenhout uit Oost-Europa. Jan Mostaert bezit gelakte Hollandse meubels, deze zijn traditiegetrouw uit kwaliteitshout vervaardigd. Bij deze laatste vinden we ook pluimbedden. Bij de boedel uit 1686 is er ook zeer weinig huisraad te vinden. Wat hier dan opvalt, zijn de vermeldingen van schilderijen in de voutekamer die vermoedelijk de gelagzaal was. Het linkse schilderij is een afbeelding van Actaeon jager uit boeo'tia die de godin Artemis en haar nimfen bespiedde bij het baden en veranderde in een hert om vervolgens door zijn eigen honden verscheurd te worden.
In figuurlijke zin is dit de uitbeelding van de hoorndrager, de bedrogen echtgenoot. Het rechtse schilderij stelt een hoveniers ter voor met drie figuren. Het meubilair bestaat uit 2 tafels, 2 banken en 6 zwarte zaalstoelen.
Voor de bediening zijn er 60 bierpotten, 4 bierpinten en 2 wijnkannen.
Wanneer we dan boedel 2 bekijken, valt het op dat er meer en rijkere huisraad aanwezig was. In boedel 1 zijn de voorwerpen hoofdzakelijk in tin en aardewerk terwijl in boedel 2 naast tin ook veel koperen voorwerpen te vinden zijn. Ook in hoeveelheid is er een groot verschil. Opvallend is de opkomst van de theémoor. Begin 17de eeuw werd een eerste kleine hoeveelheid thee van China naar Nederland gebracht, deze werd in eerste instantie als een curiosum beschouwd. Begin 18e eeuw begon de Oostendse Compagnie grote hoeveelheden thee te verschepen vanuit China. Tussen 1725-28 werd achtenvijftig procent van de aanvoer van thee voor Europa in Oostende geveild. Zo raakte thee ook in Vlaanderen in gebruik.(9)
De gelagzaal bij Jan Mostaert was gelegen in de platte kamer ter strate. In deze plaats stonden 2 tafels, 18 stoelen en vreemd genoeg ook een slaapplaats. Daarnaast was er ook nog de Gildekamer met 6 tafels, 13 stoelen met groene trijp en 27 zaalstoelen met koperen nagels. Voor de bediening had hij 8 dozijn glazen, 15 stenen kannen met tinnen deksel, 16 kleine pinten en 6 tinnen stoopkannen.
De grote hoeveelheid keukenmateriaal wijst erop dat er ook maaltijden werden geserveerd. In de keuken vindt men om te koken 3 koperen theeketels, een wafelijzer, een koperen kasserol, een koperen braadpan en een gewone koperen pan, 4 koperen ketels en 2 koperen hangels om de potten boven het vuur te hangen. Voor het serveren van maaltijden vindt men 12 platelen in gleiswerk, 2 dozijn borden (taillioren) in gleiswerk, 2 tinnen peperbussen en 4 mosterdpotten. Mosterd was al sinds de Romeinen een populaire smaakmaker en werd veelvuldig in sausen en bij vlees geserveerd.
Tot slot nog een woordje over de drankvoorraad. Bij boedel 1 staan in de kelder twee tonnen bier en een kleine ton met wijn. Dit duidt op een klein verbruik van een landelijke herberg. Bij boedel 2 staan 6 tonnen bier en 60 flessen met wijn. Opvallend zijn de 700 lege flessen. In de 18de eeuw vond het gebruik van glazen flessen meer en meer ingang.

Een beschrijving van het gebouw in 1749
 
De akte 6 juni 1749 is zeer uitzonderlijk omdat ze een volledige beschrijving van het gebouw bevat.(10) Het beschrijft ook de complexiteit van het perceel en de geschiedenis van deze herberg in eerste helft van de 18de eeuw. De kanunniken en tournarissen (11) van de heerlijkheid van het Kanunnikse verkondigen dat Jan Georges Van Hamme baljuw, verkocht heeft bij decreet en na het branden van drie kaarsen (12) in de vierschaar van de heerlijkheid, de herberg De Oliphant in Sint-Kruis. De kaarsen werden gebrand op vrijdag 21 februari, 28 februari en 6 maart 1749. De nieuwe eigenaars waren twee broers, Carolus Jacobus De Bouck, priester in Kaprijke en Jacobus Joannes De Bouck, kanunnik in Middelburg in Vlaanderen. Zij waren ook degene die het verzoek tot verkoop bij decreet hadden ingediend. En dit om de betaling van een schuld van 48 ponden te bekomen, die Pieter de Backere, de toenmalige eigenaar schuldig was aan een achterstallige rente. De toezegging verliep niet zomaar. In eerste instantie werd het huis toegewezen aan Carel Christiaens, brouwer in Brugge. Hij had nog 235-13-04 ponden gr. te goed voor geleverd bier. De broers De Bouck hadden daartegen geprotesteerd bij de Raad van Vlaanderen die hen gelijk gaf. Pieter De Backere en Marie Catharine Winne, vrijlaten van de kasselarij van Kamerrijk, kochten de herberg op 15 juni 1725 van Jan Michiels en Livine De Sayere. Deze eigenaars hadden een rente bezet bij de voornoemde broers op een kapitaal van 150 ponden gr. Pieter De Backere had de verplichting deze rente verder te betalen, wat niet altijd correct gebeurde.

Beschrijving van het perceel
 
Een huis met herberg met 36 roeden erf gelegen op de parochie Sint-Kruis in de heerlijkheid van het Kanunnikse binnen de palen van Brugge en in het 24ste begin van de watering De Broeck. Een perceel strekkende noord en zuid en met de herberg op het zuideinde en de kerckestichele of kerkwegel aan de oostzijde. Het land van de dis van Sint-Catharina aan de westzijde en met het noordeinde aan de halve lijkweg en de zuidzijde aan de kerkweg. Daarbij hoort nog 1 lijn en 23 roeden land in hetzelfde begin die voorheen twee stukken waren. Strekkende oost en west tussen de kerkweg en de weg die loopt naar het vervallen klooster van de Kartuizers. Deze percelen waren eigendom van Pieter De Backere en werden gebruikt door Inghelbertus Fol zijn schoonzoon. Inghelbertus was getrouwd op 1 juli 1748 in Sint-Kruis met Joanna De Backere de oudste dochter van Pieter.
Daarbij komen nog 14 roeden en drie kwart land met een éénkamerwoning waar de koster van Sint-Kruis jaren gewoond heeft. Deze partij werd door Pieter De Backere in cheins genomen op 29 mei 1725 voor 99 jaar. Daarvoor betaalde hij 10 gulden per jaar aan de Proosdij van Sint-Donaas, die de kosterij in beheer heeft. Deze kamer werd door hem bewoond. De kamer werd met het huis geveild doordat het één geheel uitmaakte met de woning. Een oude grondrente moet door de nieuwe eigenaar overgenomen worden. Het perceel was omringd door een levende doornhaag. De bolbaan in open lucht, de zaten en de bomen en vruchten waren eigendom van de huurder, Inghelbertus Fol. Indien de nieuwe eigenaar deze wou bijkopen moest hij een afzonderlijke prijs afspreken.

Beschrijving van het huis
Beginnend in het oosten, een kamer rondom in stenen muren met kalk bezet en met een rode en blauwe tegelvloer. In het midden van de oostgevel een kruiskozijn of kruisvenster (13) bovenaan met staand glas en ijzeren kolommen. Onderaan twee hoge vensters in een raam met watervenster (l4) daar aanhangend. Een tweede kruisvenster in de zuidmuur met staand glas en ijzeren kolommen met valvensters (15) die naar binnen openslaan en de onderste glasvensters met watervensters daar aan hangend. Overzolderd met deilen of planken op vuurhouten ribben en balken. Een stenen vierstede of haard in het midden van de westmuur en een koets (l6) of kast aan de noordzijde van de haard. In de kamer is er in de noordoosthoek een planken deur die naar een kabinet leidt.
Het kabinet of slaapkamer is rondom in stenen muren en gelambriseerd met rode planken onder een vallend dak gedekt met pannen en met in de oostelijke muur een vierkant venstertje in glas met ijzeren kolommen. De vloer is bedekt met rode tegels en in het westen van de kamer staat een moderne slaapstede. Halfweg de 18de eeuw kwam het ledikant in de mode maar ook het ingebouwde bed met open voorzijde waardoor het moeilijk is om de juiste betekenis te bepalen. In de zuidwesthoek is er een planken deur die toegang gaf tot de keuken.
De keuken is rondom in steen gebouwd met twee kozijnen (l7) in de zuidgevel met elk zes vensters bovenaan met staand glas en ijzeren kolommen en de onderste glazen vensters in een houten raam met een voorhangend slagvenster.(18) Onder het oosterse raam staan twee gemetselde caffoiren of komforen en een spinde in de zuidwesthoek, een slaapkoets in de noordoosthoek afgeslagen tot aan de zoldering. Aan de oostzijde van de keuken staat een stenen vierstede tot aan de fries afgezet met steentjes in gleiswerk en een witte tegelvloer met 12 à 14 duimers. (19) Met een pijp of schouw tot aan het dak dienend voor de vierstede en het komfoor. Het plafond van de keuken is afgewerkt met planken op eiken ribben en balken en aan de west en noordmuur voorzien van kannenboorden. Met ongeveer in het midden van de noordmuur van de keuken een vierkant kot afgeslagen met planken gelegen onder de trap leidend naar boven en zeven stenen treden leidend naar de kelder gelegen onder de stenen voute. De vloer is geplaveid met brikken, in de west muur zit een vierkant venstertje en een houten deurtje ook met een venstertje met ijzeren kolommen. Tegen de oostmuur ligt een gemetselde steenput of  waterput. Aan de noordzijde van de keuken staat een houten trap met vier treden leidend naar de hoogkamer of  voutekamer, afgesloten met een planken deur.
De voutekamer is geplaveid met rode tegeltjes en een plafond met eiken rebben en balken. Aan de oost- en westzijde een kruisvenster met glas in houten ramen en fentenelen. Aan de noordzijde in het midden van de muur tegenover de planken deur staat een vierstede met een stenen pijp of schouw tot aan het dak. In de zuidwesthoek leidt een planken deur naar een dalende trap met vier treden naar de gang. De voornoemde draaitrap in de keuken heeft elf treden en leidt naar de zolder die volledig gelambriseerd is met rode planken, onder een dak dat gedekt is met rode pannen en met tegels op spanning (20) en een eiken gebinte. Aan de zuidzijde een kruisvenster met glas in houten ramen.
In de noordoosthoek en de zuidwesthoek staat een slaapkoets. In deze kamer is een deur die verbinding maakt met de kamer die gelegen is op de cheinsgrond en deel uitmaakt van de kosterij. En een ander deur die toegang heeft naar een andere kamer gelijkend op de eerste. Met daarin een planken slaapkoets in de noordwesthoek. Deze kamer is gelegen boven de eerst genoemd kamer in het oosten. Ook hier is een deur die leidt naar een kamer boven de voutekamer. Deze kamer is overdekt met tegels en pannen op een eiken kepering, schaargebinte en gordine (21) In de noordoosthoek van de noordgevel is een raam met twee vensters met luiken. De volledige buitenmuur van de zolder is in steen gebouwd, de binnenmuren in rode planken.
In de gang zijn twee deuren: een naar de straat in het zuiden en een naar de achterplaats in het noorden. Deze gang heeft een plafond met ribben en geplaveid met blauwe 14 duimers.
Aan de noordzijde van de gang en de stenen kamer op cheinsgrond is een klein vierkant plaatsje, voorheen een wafelhuis en nu bewoond samen met de stenen kamer door Pieter De Backere. Het kamertje is rondom gebouwd in steen met een vierkant houten venstertje aan de oostzijde.
Aan de noordmuur staat een stenen vierstede met pijp tot aan het dak. In de westmuur zit een kozijn met twee vensters in staand glas en een slaapkoets. Geplaveid met rode tegeltjes en geplafonneerd met balkjes en gedekt op spanningen met pannen. Het wafelhuisje staat half op
cijnsgrond en half op het erf horend bij de herberg De Oliphant.
Op het erf staat een vierkante gemetselde steenput op de cijnsgrond. Aan de noordzijde van de voutekamer en kelder staat een paardenstal met een kribbe en roosteel. De stal is geplaveid met kasseien en overdekt met pannen op kepering en een eiken gordine met twee balken. Er zit een planken deur in de noordwesthoek. In het noorden van dit perceel staat een bakkeuken in steen gebouwd en met een stenen vierstede met pijp tot aan het dak en een ovenbeur (22). In de zuidoosthoek is een deur in twee delen opengaand met een blauwe arduinen sille of dorpel. West naast de deur is een venster in staand glas met een valvenster naar binnen openslaand. Geplaveid met rode tegels en geplafonneerd met planken op balkjes, overdekt met pannen op kepers en gordine. In de zuidgevel van het zoldertje is een vierkant
venstertje. Dit zoldertje is te bereiken met een valdeur in de zuidoosthoek.
De oven komt buiten de muur en daar tegen is een varkenshok gebouwd.
Dit systeem wordt vaak toegepast om het hok te verwarmen.
Aan de oostzijde ligt een overdekte bolbaan met een vallend dak gedekt met pannen op kepers. De bolbaan ligt naast de muur van het kerkhof.
Op het zuideinde van de boltra staat een open paardenstal met kribbe en rosteel tegen de verhoogde muur van het kerkhof en overdekt en gekeperd als de bolbaan. Alle gebouwen zijn wit gekalkt.
Deze akte en de twee voorgaande geven een mooi en interessant beeld van de herberg De Oliphant in de 17de en 18de eeuw. De herhaalde arresten en openbare verkopen tonen aan dat het leven van een herbergier niet altijd over rozen gaat. Ook uit andere arresten in gelijkaardige documenten blijkt het vaak over een herberg te gaan. Hoge leningen,
steeds meegaande renten, die na jaren hoog kunnen oplopen, samen met niet betaalde rekeningen bij de brouwer liggen aan de basis van dergelijke openbare verkopingen.

1.H. DENEWETH. J. D'HONDT & K. LEENDERS, Een huis in Brugge. Vademecum voor de historische studie van woningen, eigenaars en bewoners. Brugge, 2001
2 D. WEYTS, Een verdwenen herberg in Sint-Kruis: van de Olifant en Het Gildehuis tot gemeentehuis, in: Brugs Ommeland, 1998, p. 39-50
3 Rijksarchief Brugge (RAB), Archief Proosdij Sint-Donaas (INV 93), m.B17, f° 124.
4 Dries Weyts, a.w.
5 Vertaling uit het Frans.
6 Archief schuttersgilde Sint-Sebastiaan Sint-Kruis, rekening 1716-1792 f077.
7 Zie volgend artikel met beschrijving van 6 juni 1749.
8 RAB, Proosdij Sint-Donaas, nr. 1318, f0125
9 http://nl.wikipedia.org/wiki/Oostendse_Compagnie
10 RAB, Proosdij Sint-Donaas, nr. 1316, fO 186-192.
11 Titel van de bestuurders van de heerlijkheid van het Kanunnikse.
12 Het branden van de kaars bij openbare verkopen of verpachtingen is een oud gebruik, een kleine zeer dunne kaars wordt aangestoken en zolang deze brandt kan er geboden of opgeboden worden. Degene die op het ogenblik dat zij uitgaat aan bod is, blijft koper of pachter.
13 Een raamkozijn dat in vieren wordt gedeeld door een middenstijl (verticaal) en een tussendorpel (horizontaal), zowel in hout als natuursteen.
14 Een buitenvenster dat langs buiten open en toegaat
15 Een raam dat aan de bovenkant scharnieren.
16 Het houten geraamte van de slaapplaats daarin lag het bed, meestal een strozak in rijkere uitvoering een met pluimen gevulde zak.
17 Houten raamwerk, bestaande uit onder- en bovendrempel en zijpasten, dat in een muur gemetseld wordt tot het omlijsten van een deur-, luik- of vensteropening. 
18 Vensterluiken. 
19 Lengtemaat onder ander voor tegels.
20 Een houten constructie ter ondersteuning van de gordine en het dakbeschot.
21 Houten ligger of balk, aangebracht in de lengterichting van een kap, waarvan twee zijden evenwijdig zijn aan het te dragen dakvlak
22 Bakoven,

Kamers voor Reizigers te St.Kruis

In 1727 richtte Pieter De Backer, eigenaar van de herberg “De Olifant”, gelegen buiten Brugge in de parochie van Sint Kruis, in de heerlijkheid van de Kanunniken een schrijven aan de edele heer Deken en aan de heren van het Kapittel van de kathedrale kerk van St. Donaes 

“Mijn huis en herberg samen met een stuk bebouwd en een stuk braakliggend  land  strekt zich tot tegen de muur van het kerkhof aan de kerk. 
Deze kerkhofmuur paalt aan twee stukken land langs de herberg. Het ene stuk wordt door mij gebruikt en het andere is braakliggend. De kerkhofmuur is echter vervallen en kapot. Ook de pastoor en de kerkmeesters hebben dit vastgesteld. 
Nu zou ik gaarne op het stuk braakliggend land stallingen laten timmeren voor het stallen van de paarden van reizende passanten, hetgeen echter niet kan gebeuren zonder de muur te gebruiken om erop te metsen. Ook een logement zou ik er willen oprichten langs de bollebaan  en daarvoor ook kerkhofmuur willen gebruiken als deelmuur.Zodoende zou de kerkhofmuur hersteld worden ten bate van de kerk, maar ik besef wel dat dit pas kan geschieden mits de toestemming van de eerwaarde heeren, vandaar deze vraag.”

De Deken en het kapittel van St.Donaes zijn akkoord dat de aanvrager op de muur aan de noord en de zuidzijde tegen het achtererf van de herberg mag metsen en timmeren op voorwaarde dat er geen deuren uitgang hebben op het kerkhof en dat de ramen langs de kerkhofzijde tenminste 10 voeten hoog moeten zijn. Er zal een cheijnsrente dienen te worden betaald aan de kerk van 4 grooten per jaar ingaande op St.Jansmesse. In het geval van het afbreken of het verlaten van het gemelde logement door de aanvrager of zijn erfgenamen dienen zij de muur in  de oorspronkelijke staat te herstellen.

Op 17 juni 1727 verklaart Pieter, voor hem en zijn erfgenamen, zich akkoord met de voorwaarden van de heer Deken en de Kanunniken. 

Nu stelt zich de vraag waarom Pieter deze bouwaanvraag indiende. In 1748 dus twintig jaar later telde de parochie St.Kruis ( Dorp, Broek, Male, en Vive) volgens de telling van dat jaar slechts 750 inwoners. De kastelen en hoeven hadden slaapplaatsen en stallingen genoeg voor hun bezoekers, en passanten zullen er ook niet veel geweest zijn. Of zou men toen reeds “Kamers voor reizigers” verhuurd hebben?
Bronnen:

BAB F 326 waarvan kopie bij WHSK.

In 1762 verliet de schuttersgilde van St.Kruis het Schottershof voor een nieuw lokaal nl. de herberg “De Olifant”aan de overkant van de straat. Deze verhuis bracht mee dat de naam van de herberg veranderde in “Het Gildenhuis”.
Proces-Verbaal van aanbesteding der werken van afbraak en heropbouw van de afsluitingsmuur en van een gedeelte van het doelhuisje van het “Gildenhuis” langs de Klokstraat te Sint-Kruis,  in 1913.
Den zesden mei 1913 om vier uur in de namiddag werd in het gemeentehuis overgegaan tot de opening en het nazicht aan de aanbiedingsschriften voor de uitvoering van de werken van afbraak en heropbouw van de afsluiitingsmuur en van een gedeelte van het doelhuisje van de schuttersgilde en dit volgens de tekeningen, het lastenkohier en het bestek opgemaakt door de schepenraad en goedgekeurd door de gemeenteraad in de zitting van den zestiende april en waarvan de kosten begroot werden op de som van negen hondert drie en twintig frank negen centiemen.

Er kwamen drie offertes binnen. Alle werden langs buiten volkomen in regel bevonden. De omslagen werden in het openbaar geopend en ook van binnen in regel bevonden. De drie aanbiedingen werden ingediend door
1. De heer Eduard Danneels, te Ste Kruis, voor 1000fr.
2. De heer Vandendorpe Arthur, te Ste Kruis voor 985fr
3. De heer van Eeghem Camiel, te Ste Kruis voor 993,50fr
Na beraadslaging werd besloten het verklaren en aanwijzen van de werken over te laten aan de gemeenteraad. Het proces-verbaal werd ondertekend door L Hoste en K.Van Robays als schepenen en Van Kerschaver als secretaris
In de zitting van den 14 mei 1913 in tegenwoordigheid van L. Hoste, schepen en dd. voorzitter, Van Robays, schepen, Dooghe, de Foere, De Bruyne, Bossier, Dhaens, Snauwaert, Stevens,  gemeenteraadsleden en Van Kerschaver, secretaris werd besloten met eenparigheid van stemmen dat overwegende dat Arthur Vandorpe als laagste aanbieder de werken mag uitvoeren voor de prijs van negen hondert vijf en tachtig frank.
De heer Vandorpe Arthur verklaart de bedoelde werken, alsook de lasten en de voorwaarden voor de uitvoering goed te kennen en de hem opgelegde plichten stiptelijk te zullen volbrengen voor de bepaalde som. waarna  hij samen met de schepenen, de secretaris voor geldigheid  het proces-verbaal tekent op den 19 mei 1913.

Bronnen:

Weyts Dries, Herbergen in Sint-Kruis, Male en Vivenkapelle, uitg. eigen beheer, 2011, 189 p.
SAB, Inv. St.Kruis, Schepen en gemeenteraadsverslagen nrs 18/32
Kamers voor Reizigers te St.Kruis

 

Kerkdiefstal via herberg De Olifant dd 1727

In de nacht van 11-12 maart 1727 gepleegd door Jacobus de Gryse fi Jan, een 19-jarige geboren te Leffinge. 
Uitspraak 19 juni 1728: Veroordeeld tot de doodstraf, na eerst zijn beide handen te hebben afgekapt.
Hij had een stijl ofte perse genomen op het hof van Pieter De Backere, herbergier “In den Olifant” en via het portaaldak door een venster op het doksaal terecht gekomen. In de kerk had hij vier kasten van de kerk- en dischmeesters en van de “Gilden van het H.Sacrament en van OLV” opengebroken. daaruit werd al het geld gestolen, uitgenomen de  “kwade oorden” die daar in een “roode houten schotel” lagen.


Bos- en Beverveld 1980/13

DE OLIFANT.

Bij de westkant van het kerkhof werd de nieuwe herberg in de zeventiende eeuw gebouwd" den Oliphant "genoemd:"met de oostzyde aen t' kerckhof met den suudhende aen de calcyde". Bij het bezoek van de bisschop werd de koets in de Olifant uitgespannen.
"Aen JAN MESTDAGH herbergier in den Oliephant over thaire by de coutsiers ende lackeyen van syn hoochweerdicheydt den bisschop".
Vermoedelijk werd het uitsteekbord van deze herberg veranderd in Gildenhuis toen het schuttersgild aldaar zijn schietpers opgericht had.Op het eind van de negentiende eeuw heeft het gild meer dan eens gejubileerd in het Gildenhuis. Sedert enkele jaren werden de burelen van het gemeentehuis de Zorge naar het Gildenhuis overgebracht.(Sint-Kruis, oud en nieuw pg. 109,Magda Cafmeyer).
Het kadukke gildenhuis, dat de Doncquere reeds vanaf het begin schuwde wordt in 1762 verlaten voor het cabaret De Olifant, net aan de overzijde van het Schuttershof gelegen, de uitspanning voor de koetsiers en de lakeien van de bisschop op Rooigem.Tot op dit ogenblik waren de herberg houders geweest:
In 1654 THOMAS D'HENNIJN.
In 1741 JAN SCHEERENS.
In 1751- 52 de pauvre consierge ADRIAEN VERBEKE.
JAN MOST AERT herbergier en proprietaris.
Ca 1777 opgevolgd door BERNARDUS BULCKE en deze in 1788 door zijn weduwe.
In 1820 door PIETER DE SMIDT.
Volgens de volkstelling van 1814 is De Smidt Petrus 42 jaar, herbergier en geboren te Sint-Michiels.
VOLKSTELLING 1748.
DE BACKERE PIETER herbergier in den oliphant. Winne Marie sijne huisvrouwe.
Hun kinderen:
Joanne, 22 jaren, doende het huiswerk.
Joannes, 11 jaar, schoolgaande.
Winne Pieter, 7 jaar, wordt onderhouden ter ere gods.