Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

Burgemeesters

De twaalf burgemeesters van Sint-Kruis
Dries van den Abeele, Brugs Ommeland, 2011/4, pag 195-217

Van 1792 tot 1800

Van november 1792 tot maart 1793 bezetten Franse republikeinse troepen de Oostenrijkse Nederlanden. De tijd was te kort om veel te wijzigen aan de bestaande bestuurlijke organisatie, zeker in kleine gemeenten. De vertrouwde besturen bleven dus verder doorwerken. In juni 1794 werden onze gewesten voor een tweede maal door de Franse legers ingepalmd en ditmaal voor twintig jaar. De eerste zeven maanden van hun aanwezigheid lieten de Fransen de bestaande bestuursindelingen ongemoeid. Voor wat het Brugse Vrije betrof, overkoepelend orgaan waar ook Sint-Kruis onder ressorteerde, bleven de door de Oostenrijkers op 27 mei 1793 benoemde burgemeesters en schepenen in functie. Stilaan kwam er beweging en op 21 januari 1795 werden de besturen van de stad Brugge en van het Brugse Vrije afgeschaft. Door het militair bestuur werd 's anderendaags een uitgebreide gemeente Brugge gevormd, - een eerste Groot-Brugge als het ware - waar niet alleen de randgemeenten van Brugge, maar ook verder gelegen  gemeenten deel van uitmaakten zoals Torhout, Gistel, Blankenberge, Leffinge, Beernem, Oedelem en zelfs Eeklo (1).
Pas op 1 oktober 1795 kondigde de Nationale Conventie de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk af en werden de inwoners Franse staatsburgers. Begin 1796 werd, wat thans ongeveer de provincie West Vlaanderen is, het departement van de Leie. Dit departement werd ingedeeld eerst in 22 en korte tijd daarop in 40 kantons. Een gemeente met meer dan 5.000 inwoners vormde een kanton. Brugge was uiteraard in dat geval. De kleinere gemeenten werden samengevoegd. Zo kwam er een kanton Damme, waar Sint-Kruis deel van uitmaakte, samen met Koolkerke, Lissewege, Moerkerke en Oostkerke. Binnen dit kantonbestuur werd landbouwer Jan Jonckheere als 'officier municipal' verantwoordelijk.voor het bestuur van Sint-Kruis, met landbouwer Pieter Hoste als zijn adjunct. Ze moesten onder meer de akten van geboorte en overlijden bijhouden. Om te trouwen moesten de inwoners naar Damme trekken, waar hun huwelijksverbintenis werd geacteerd.
Toen na de staatsgreep van 18 Brumaire Jaar VIII, op 10 november 1799 het Consulaat onder Napoleon Bonaparte in werking trad, werden de kantons met een wet van 8 maart 1800 afgeschaft en Sint-Kruis werd een afzonderlijke gemeente, rechtstreeks onder de voogdij van de prefect en het departementsbestuur. De stad Brugge werd in deze nieuwe indeling kleiner dan onder het 'ancien régime', door verlies van het grondgebied buiten de wallen, de zogenaamde 'paallanden', die nu deel gingen uitmaken van de nieuw opgerichte randgemeenten, ook in Sint-Kruis (2).
Voortaan was het lokaal bestuur in handen van een burgemeester, één of twee adjuncten en enkele raadsleden. In de Franse Tijd was er nauwelijks sprake van verkiezingen: de gemeentebestuurders werden van boven af benoemd. In de Hollandse Tijd zou enige vorm van verkiezing tot stand komen, met enkele, zeer weinige, kiezers. Gegadigden vinden die zich wilden opofferen om bestuurder te worden, was niet altijd eenvoudig. Toen hij in 1800 als nieuwbenoemde prefect de eed van de 250 benoemde burgemeesters en de meer dan 300 benoemde adjuncten moest afnemen, stelde graaf de Viry tot zijn ontgoocheling vast dat slechts twintig procent van hen kwam opdagen. Ze moesten immers de opdracht aanvaarden voor de eer en de glorie, zonder vergoeding. Het verleende natuurlijk wel een zeker prestige en gezag, waar sommigen niet ongevoelig voor waren. Ook bleek af en toe dat burgemeesters van hun functie misbruik maakten om zich op onwettelijke manier te verrijken of zich te laten omkopen, hoewel hiervan geen voorbeelden in Sint-Kruis zijn te vinden. (3)

De burgemeester was daarbij niet veel meer dan de onderdanige dienaar van de prefect en zijn ambtenaren, die alle macht centraliseerden. Daarbij was het ambt geen sinecure. De prefectuur was een veeleisend orgaan, dat over alles en nog wat lijsten en statistieken opvroeg en met wie veelvuldig moest gecorrespondeerd worden over alle aspecten van het gemeentelijk bestuur.

De burgemeester moest vooreerst, omwille van zijn bijkomende functie van ambtenaar van de burgerlijke stand, met zijn handtekening de akten waarmerken die werden opgemaakt bij iedere geboorte, sterfgeval of huwelijk, en die de vervanging en opvolging waren van de parochieboeken. Hij kon dit ambt ook doorgeven aan zijn adjunct, maar in kleine gemeenten, zoals Sint-Kruis, vervulde hij het meestal zelf.

Verder moest hij zich onder meer inlaten met de dienstplichtigen (en de deserteurs), de benoeming van veldwachters en boswachters, de ziekten en epidemieën, de gezondheidszorg (geesteszieken, pokken, vroedvrouwen), de wegeniswerken, het onderhoud van openbare gebouwen, de organisatie van feestelijkheden (o.m. het Sint-Napoleonfeest), de overtredingen van zijn onderhorigen op de vele reglementen die werden uitgevaardigd, enz. Het heffen en innen van belastingen en taksen, het opmaken van begrotingen en rekeningen en van het nieuw kadaster was voor een kleine gemeente een hele klus. De burgemeester van Sint-Kruis was ook nauw betrokken bij drie ondergeschikte besturen: de kerkfabriek, het Maleveld en het Bureel van Weldadigheid.

Weliswaar stond hij er niet alleen voor, aangezien hij een adjunct had, soms zelfs twee, aan wie hij werk kon delegeren en vooral een gemeentesecretaris en een gemeenteontvanger. Beide waren bezoldigde ambtenaren, die trouwens maar gedeeltelijk voor de gemeente werkzaam waren en ook het secretariaat of het ontvangerschap van een aantal andere kleine gemeenten op zich namen. Meestal woonden die ambtenaren in Brugge.

I. François (Michaël-Franciscus) Timmerman (Assebroek 1 maart 1744 - Sint-Kruis 7 augustus 1806) was burgemeester van 1800 tot 1806.

Landbouwer van beroep, was hij de zoon van Jan Timmerman en Petronilla Stevens.
Op 10 juli 1800 werd hij geïnstalleerd als eerste burgemeester van Sint-Kruis. Hij volgde hiermee de 'officier municipal' Jan Jonckheere op. De adjunct van Jonckheere, Pieter Hoste junior werd nu ook 'adjoint au maire' bij Timmerman. De gemeenteraad bestond verder uit de herbergiers Charles Savaete en Johannes De Ceuninck en de landbouwers Jan Van Hoorickx, Joseph Van Ooteghem, Jan De Backer, Jan De Vlaminck, Judocus Van Cleemput, Jan De Groote en Jan Jonckheere, de vroegere 'officier municipal'. De raad kreeg de bijstand van gemeentesecretaris Louis Van den Bulcke, die ook secretaris was van Damme, Oostkerke, Moerkerke en Hoeke.
Op 30 april 1806 diende Timmerman, om redenen van leeftijd en ziekte, zijn ontslag in. Drie maanden later overleed hij. Hij was vijfenzestig geworden en was vrijgezel gebleven.

II. Valentin Jacoby (Brugge, 2 mei 1759 - Sint-Kruis, 22 juli 1811) was burgemeester van 1806 tot 1811.

Valentin Joseph Jacques Jacoby was de oudste van de twee kinderen van de uit Verviers afkomstige Jacques Jacoby (1732-1813) en Marie Isabelle Dubois (1731-1811). Voor hij burgemeester van Sint-Kruis werd, had Jacoby een leven geleid dat rijk was aan belevenissen en dat ik al vroeger meer in detail heb beschreven (4). Vooral in de revolutiejaren had hij in Brugge een rol gespeeld. Hij was in 1796 zelfs korte tijd voorzitter van de Brugse gemeenteraad. (5)
In mei 1806 werd hij burgemeester van Sint-Kruis. Deze bescheiden erefunctie had hij enerzijds te danken aan zijn schoonbroer, François Van Praet (6), die een belangrijke rol speelde in het departementsbestuur en anderzijds aan zijn vriendin.
Immers, vanaf 1793-1795 woonde de vrijgezel Valentin Jacoby in bij de vermogende Petronilla van Outryve (1748-1814)(7), douairière van Philippe de Stappens de Harnes (1742-1784). Zij had, net als hij, tijdens de revolutietijd de zijde van de Fransgezinde jacobijnen gekozen. Ze had ook haar fortuin vermeerderd door het opkopen tegen gunstige voorwaarden van geconfisqueerde eigendommen, waaronder het bisschoppelijk kasteel Rooigem in Sint-Kruis, dat haar zomerverblijf werd. Het is onduidelijk of het inwonen van Jacoby ook betekende dat de twee een liefdesrelatie hadden. De tijdgenoten dachten alvast van wel, zoals in een paar pamfletten tot uiting kwam.
In het kasteel Rooigem overleed meier Jacoby onverwacht. Hij was pas tweeënvijftig. De aangifte werd gedaan door Louis-Philippe de Stappens, zoon van Petronilla en door François Van Praet, de schoonbroer van Jacoby. (8)

lIl. Judocus Van Cleemput (Sint-Joris-ten-Distel ca. 1765 - Sint-Kruis 11 januari 1847) was burgemeester van 1811 tot 1830.

Van een familie afkomstig uit Aalter, werd Van Cleemput landbouwer in Sint-Kruis. Hij trouwde in 1792 met Petronilla Degroote (1761-1833). Hij hertrouwde op latere leeftijd, in 1834, met Martha Segers die 45 jaar jonger was en met wie hij zeker nog twee kinderen had. Zijn vader Jean van Cleemput (Aalter ca 1727 - Sint Kruis 1802), boerde in Sint-Joris maar kwam in Sint-Kruis sterven.

Van Cleemput werd burgemeester enkele weken na de dood van Valentin Jacoby. Hij had twee landbouwers als 'adjoint au maire': Jacobus De Backer en Dominicus De Schepper. Zijn burgemeesterssjerp kwam niet in het gedrang bij de overgang naar het Verenigd koninkrijk der Nederlanden.

Het is moeilijk uit te maken of Van Cleemput, zoals veel andere gemeentebestuurders, de bons kreeg naar aanleiding van de Belgische revolutie, maar de overeenstemming van de data laat wel toe iets in die richting te vermoeden. Zijn opvolger was de eerste in een rij van vijf edellieden die achtereenvolgens Sint-Kruis bestuurden.

IV. Jonkheer Adolphe Goupy de Beauvolers (Brussel 4 juli 1796 - Sint­-Joost-ten-Node 22 maart 1869) was burgemeester van 1830 tot 1847.

Adolphe Alphonse François Hubert Goupy de Beauvolers was de zoon van de officier Joseph Goupy (1769-1827) en van Marie-Claire le Roy, Dame van Beauvolers (1773-1798). Joseph verkreeg adelserkenning in 1822 onder de naam Goupy de Beauvolers. (9)

In 1822 trouwde Adolphe met Adèle van Outryve d'Ydewalle (1798-1828), dochter van Emmanuel-Louis van Outryve d'Ydewalle. Ze kregen drie dochters en een zoon, burggraaf Adolphe Goupy de Beauvolers (1825­1894), die gouverneur van Limburg werd.

Op 1 oktober 1830 had Judocus Van Cleemput nog een zitting van het schepencollege voorgezeten, maar op 16 november was het Goupy die de gemeenteraad voorzat. Samen met hem werd ook een nieuwe schepen benoemd, Bernard Serweytens (Brugge, 8 november 1770 - Sint-Kruis 5 oktober 1834), zoon van François Serweytens en Anne-Thérèse Van Huele. Hij was reder van beroep en getrouwd met Agnès d'Herbe (1770-1847). Het echtpaar bleef kinderloos. Zijn dood maakte uiteraard een einde aan zijn ambt.(10) De tweede schepen was Jozef Hoste, terwijl Martin Bonte de overleden Serweytens opvolgde.

Na de Belgische revolutie wilde men controleren of de ambtenaren wel mee waren geëvolueerd en of ze het vertrouwen genoten van hun bestuur. Ook de raadsleden van Sint-Kruis moesten hun stem uitbrengen over wie ze als gemeentesecretaris en als gemeentelijk ontvanger wilden. Ze brachten eenparig hun stem uit op de zittende gemeentesecretaris Jacobus Callebert en op de ontvanger Louis Laviolette. Wat dat betreft, bleef het dus bij het oude.

Goupy woonde op het landgoed Puienbroek (hoek Maalse Steenweg - Doornhut) . In het nabijgelegen goed Ter Loo richtte hij een jeneverstokerij in. Hij stond bekend als landbouwdeskundige en was lid van de Hoge raad voor de landbouw. In 1834 werd hij hoofdman van de schuttersgilde van de Vrije Archiers van Sint-Sebastiaen, wat hij bleef tot in 1858.

In 1848, ingevolge de wet van 12 maart 1848 die de kiescijns verlaagde tot 20 florijn, telde Sint-Kruis 22 ingezetenen die stemrecht hadden voor de wetgevende verkiezingen. De liberalen stelden onder meer hun hoop op de herbergiers die in groter aantal dan vroeger op de kieslijsten voorkwamen en van wie werd verwacht dat ze de voorkeur aan de liberale partij zouden geven. Voor Sint-Kruis waren ze met zes. Bij de overige kiesgerechtigden bevonden zich meer middenstanders dan in bijvoorbeeld Assebroek of Sint-Andries. Onder hen vond men: bakker Martin De Bruyne, de molenaars Robert De Bruyne en Pieter Van Kerschaever, hoefsmid Joseph Van Hoorickx. Er waren ook drie landbouwers: Joseph Hoste en Lambert Van de Casteele (die allebei schepen waren) en Joseph Vlaminck-Nobus. Onder de 'hogere stand' trof men vijf eigenaars of renteniers aan: Joseph Borm-Mabesoone, De Lange-Van de Maele, Pieter Legier, Auguste Van Wymelbeke, Auguste Vander Haeghe en twee edellieden: Eugène de Peellaert en Amédée Visart de Bocarmé. Tenslotte waren er ook nog de brouwer Medard Mabesoone (1805-1882) en de parochiepastoor Arcadius Van Haverbeke (1795-1874). Sommige notabelen waren elders als kiezer ingeschreven. Dit was het geval met burgemeester Goupy die in zijn winterwoning in de Kuipersstraat in Brugge ingeschreven was. (12)

Of Goupy in 1847 goedschiks of kwaadschiks het burgemeesterschap vaarwel zegde is niet te zeggen. Op 8 september 1847 zat hij voor het laatst een gemeenteraads-zitting voor en op 30 oktober tekende hij voor het laatst de gemeentelijke brief-wisseling. Zijn eerste schepen Joseph Hoste was toen een paar weken dienstdoende burgemeester, maar op I5 november was Amedée Visart al in functie.

V. Graaf Marie Jean Joseph Amédée Gustave Visart de Bocarmé (Doornik, 29 januari 1794 - Sint-Kruis, 30 oktober 1855) (roepnaam Amédée) was burgemeester van 1847 tot aan zijn dood in 1855.
Onder het Belgisch koninkrijk werd na de invoering van de gemeentewet in 1836, de gemeenteraad democratisch verkozen door een beperkte hoeveelheid van mannelijke kiezers en kon een meerderheid van de verkozen raadsleden één onder hen of desnoods een buitenstaander als burgemeester voordragen bij de minister van Binnenlandse zaken. Na de verkiezingen van oktober 1846 bleef Goupy burgemeester maar in oktober 1847 nam hij ontslag en werd opgevolgd door een recente inwoner, een Visart de Bocarmé uit Henegouwen.

De eerste Visart die zich in de adelstand liet gelden was Louis-François Visart die in 1753 twee heerlijkheden die hij bezat, Bury en Bocarmé, tot graafschap wist te laten verheffen. Zijn zoon, Gustave Visart de Bury et de Bocarmé, (1751-1841) verkreeg in 1822 erkenning van zijn adellijke status en meteen de overdraagbaarheid van zijn titel van graaf op vier van zijn
zonen. Hij was getrouwd met markiezin Marie-Claire du Chasteler (17531820) en ze hadden veertien kinderen. De drie oudste zoons sneuvelden tijdens krijgsverrichtingen in de Napoleontische tijd. De zonen die, naast Marie-Jean-Joseph-Amédée, de titel van graaf erfden, waren:

Julien Visart de Bury et de Bocarmé (1787-1851), die trouwde met zijn nicht, de markiezin en heraldische schilderes Ida du Chasteler (1797
1873). Hij leefde avontuurlijk in Nederlands-Indië (als inspecteur generaal van de Domeinen) en vanaf 1845 - zonder zijn vrouw - in Arkansas (als trapper). Zijn zoon Hippolyte Visart de Bocarmé (1818-1851), die op de heenreis naar Java op een schip geboren werd, bewoonde het familiekasteel Bitremont in het Henegouwse Bury en bracht schande over de familie door zijn schoonbroer Gustave Fougnies met nicotine te vermoorden, misdaad waarvoor hij werd geguillotineerd in 1851.
Ferdinand Visart de Bocarmé (1788-1886), die volksvertegenwoordiger werd en burgemeester van Bury. Hij trouwde in Alveringem met Marie de Moucheron (1803-1879).
Dieudonné-Gustave Visart de Bocarmé (1796-1846) die lid werd van het Nationaal Congres in 1830 en burgemeester was van Thieu.
De vierde, Marie-Jean-Joseph-Amédée Ghislain Visart meestal Amedée genoemd, kwam naar Brugge om zijn bruid te zoeken en trouwde in 1829 met Marie de Man (Brugge, 1802 - Sint-Kruis, 1883). Hij was luitenant bij de dragonders in het leger van het Verenigd Koninkrijk maar nam ontslag bij zijn huwelijk. Ze hadden zeven kinderen, onder wie:
Gustave-Amedée Visart de Bocarmé (Brussel 1830 - Sint-Kruis 1894), na zijn vader burgemeester van Sint-Kruis, die trouwde met Isabelle van Zuylen van Nyevelt van de Haar (1845-1876),
Emile Visart de Bocarmé (Villers-Saint-Amand 1833 - Temploux 1919), burgemeester van Temploux, die trouwde met zijn nicht Hidulphine Visart de Bocarmé (1835-1924),
Ernest Visart de Bocarmé (Villers-Saint-Amand, 1834 - Sint-Kruis, 1917), lid van de provincieraad van West-Vlaanderen, die trouwde met Louise Cuypers (1840-1929),
Amedée Visart de Bocarmé (Sint-Kruis 1835 - Brugge 1924), volksvertegenwoordiger en burgemeester van Brugge, die trouwde met Adèle Faignaert (1838-1875) en met gravin Nathalie van den Steen de Jehay (1852-1919),
Leon Visart de Bocarmé (Sint-Kruis 1837 - Lubbeek 1900), volksvertegenwoordiger en schepen van Alveringem, die trouwde met Henrica Storm (1842-1925).
Aanvankelijk woonde het gezin Visart-de Man in Villers-Saint-Amand, om in 1835 te verhuizen naar Sint-Kruis en zijn intrek te nemen in het kasteel Rooigem, aangekocht van de gebroeders Chantrell. In oktober 1836, bij de eerste verkiezingen gehouden volgens de nieuwe gemeentewet, werd Visart verkozen tot gemeenteraadslid. In 1847 werd hij burgemeester van de gemeente en oefende het ambt uit tot aan zijn dood.
Visart speelde een rol in het sociale leven van zijn gemeente, waar hij en zijn huisgenoten bekend stonden als weldoeners, bijzonder bezorgd om armen en kinderen. In 1843 werd hij tot hoofdman verkozen door de leden van de Koninklijke Sint-Sebastiaansgilde in de Carmersstraat (Brugge), waarvan hij nochtans geen lid was. Hij bleef deze functie uitoefenen tot aan zijn dood. De Gilde bezit een portret van hem, geschilderd door Albert Gregorius (1847)(13)

 

 

VI. Jonkheer Jules de Bie de Westvoorde (Brugge, 1 mei 1827 - 27 maart 1888) was burgemeester van 1855 tot aan zijn dood in 1888.

Louis de Bie de Westvoorde (1796-1873), die burgemeester was van achtereenvolgens Beernem en Oostkamp, was lid van een familie die sinds 1626 tot de adel behoorde. In 1825 werd zijn status onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden bevestigd, waarbij hij per vergissing werd ingeschreven als de Bie de Westervoorde. Hij was getrouwd met Thérèse-Marie le Gillon de Goemaringhe (1792-1863). De oudste zoon, Louis de Bie (1826-1904) werd burgemeester van Oostkamp, terwijl de jongste, Jules de Bie achtentwintig was toen hij burgemeester werd van Sint-Kruis.
Jules de Bie trouwde met Leonie Peesteen (1832-1901), met wie hij vier dochters kreeg. Zij heetten in de adellijke kringen 'les quatre filles de Bie' en gingen ieder een voortreffelijk huwelijk aan, met Camille van Caloen de Basseghem, Eugène Joos de ter Beerst, Hector de Schietere de Lophem en Leon Janssens de Bisthoven. Zij brachten uitgebreid nageslacht voort, dat een aanzienlijk deel vormt van de Belgische adel die in de 21e eeuw voortleeft.
Het gezin De Bie de Westvoorde woonde in de winter in het patriciërshuis
'De Lombard' in de Brugse Langestraat. In de zomer verbleef het in het kasteel 'De Spijcker' in Sint-Kruis, dat Jules in 1875 volledig in neogotische stijl liet herbouwen (l4)

VII. Graaf Gustave-Amedée Visart de Bocarmé (Brussel, 10 mei 1830 - Sint-Kruis, 9 april 1894) was burgemeester van 1889 tot aan zijn dood in 1894.

Gustave Marie Amedée Visart de Bocarmé was de oudste van de zeven kinderen van burgemeester Marie Jean Visart de Bocarmé en Marie-Thérèse de Man. Hij trouwde in 1870 met zijn nicht, barones Isabelle van Zuylen van Nyevelt van de Haar (Brugge, 1 oktober 1845 - Nice, 27 augustus 1876), dochter van de diplomaat Gustave van Zuylen en Julie Visart de Bocarmé. Ze hadden twee zoons en een dochter die ongehuwd bleven.
In 1889 werd de weduwnaar Visart, broer van de Brugse burgemeester Amedée Visart, burgemeester van Sint-Kruis. Het jaar voordien was hij lid en deken geworden van de Schuttersgilde van de Vrije Archiers van Mijnheere Sint-Sebastiaen in Sint-Kruis (15)

VIII. Baron Ferdinand de Maleingreau d'Hembise (Sint-Kruis, 27 juni 1855 -
3 oktober 1923) was burgemeester van 1896 tot 1921.

Ferdinand Eugène Antoine Walerand de Maleingreau was de oudste van de vier kinderen van baron Emile de Maleingreau d'Hembise (Brussel, 1829 - Sint-Kruis, 1905) en van Leonie de Peellaert (Brussel 1832 – Sint-Kruis 1919). Hij was de kleinzoon van Eugène de Peellaert, die in de Hollandse Tijd gedurende een paar jaar burgemeester van Sint-Andries was, alvorens in Sint-Kruis te komen wonen.
Hij trouwde met Eva Groverman (Gent, 1868 - Pietra Ligure, Italië, 1926) en ze hadden vijf kinderen, van wie alleen Charles de Maleingreau (18981974) voor nakomelingen zorgde.
In 1896 volgde Maleingreau de overleden Visart op. In datzelfde jaar werd hij lid van de schuttersgilde Vrije Archiers van Sint Sebastiaan en was er ook enkele jaren stadhouder van. Hij kwam wellicht van een schieting toen hij op een zondag in oktober 1900 na valavond naar huis stapte en door twee gemaskerde mannen werd overvallen. Ze gingen hem met messen te lijf maar Maleingreau haalde een pistool boven waarop de aanranders het op een lopen zetten. Hij schoot op hen en hoorde een kreet: één van de bandieten was geraakt. Men vond echter nadien geen spoor meer van hen (l6).
Hij werd regelmatig in zijn mandaat hernieuwd en was al achttien jaar burgemeester toen de Eerste wereldoorlog uitbrak en hij als officier het Belgisch leger vervoegde. Het blijft na te gaan of de Maleingreau gewoon in de onmogelijkheid was om zijn ambt uit te oefenen omdat hij tijdens de oorlog in militaire dienst was, dan wel of hij inderdaad, na enkele tijd afwezigheid, gewoon ontslag nam. Zijn schepen Karel van Robays trad op als dienstdoende burgemeester, ook na de oorlog, tot aan de verkiezing en vernieuwing van de gemeenteraad, in april 1921.
Ferdinand de Maleingreau bewoonde het landhuis 'Nieuwenhove', voormalig buitengoed van de Brugse jezuïeten.

Met zijn vertrek uit de lokale politiek, verdween de familie hieruit nog niet volledig. Zijn zoon, baron Jean de Maleingreau d'Hembise (Sint-Kruis 1895 - Estcourt Natal, Zuid Afrika, 1984), werd in 1932 en 1938 tot raadslid verkozen op de lijst van Charles Casteleyn, die echter in de oppositie verzeilde. Zo niet, was hij wellicht schepen geworden. (17)

IX. Karel Van Robays (Egem, 29 september 1852 - Sint-Kruis 20 december 1926) was dienstdoende burgemeester van Sint-Kruis van 1915 tot 1921

Leo Van Robays (Beveren-Roeselare 1821 - Sint-Kruis 1887) en Rozalia (De) Fraeye (1819-1890) hadden vier kinderen: Julia die trouwde met Honoré Bogaert, hoofdonderwijzer in Gistel; een jongetje dat vroeg stierf, Edward (l8) die jezuïet en missionaris werd en Karel-Franciscus. Leo Van Robays, timmerman en schrijnwerker van beroep, verliet Egem en vestigde zich rond 1880 in Sint-Kruis aan de huidige Polderstraat. Karel volgde hem op en ontwikkelde de zaak tot een uitgebreid atelier met schrijnwerkers, timmerlui en beeldhouwers, die zich specialiseerden in neogotisch meubilair.

Karel Van Robays trouwde in 1880 met Octavie Van Daele (Koolskamp 19 juli 1857 - 1 november 1919) en ze kregen tien kinderen (19). Naast bedrijfsleider werd Van Robays een lokale notabele. Hij werd erelid van “De Velo club” , en in 1883 lid van de schuttersgilde van Sint-Sebastiaan, waarvan hij van 1903 tot 1923 deken was. Hij stichtte anderzijds een tekenschool voor de jeugd van Sint-Kruis..
Vanaf januari 1904 werd hij gemeenteraadslid. Na 1911 was hij schepen.
Toen, na het uitbreken van de oorlog en onder de Duitse bezetting de eerste schepen overleed en de burgemeester onbeschikbaar werd, stond Van Robays op de eerste rij en moest hij zijn verantwoordelijkheid opnemen. Hoewel hij alleen maar dienstdoende burgemeester was, plaats ik hem op de lijst van burgemeesters, omwille van de lange duur van de plaatsvervanging die hij verzekerde en gelet op de moeilijke oorlogsperiode waarin hij verantwoordelijkheid nam. Zo moest hij op 8 mei 1916, onder dwang van de Duitsers, samen met zijn collega-schepen Leopold De Bruyne, de terechtstelling van de rijkswachter en verzetsman Julius Delaplace (1867-1916) bijwonen.
Na de oorlog kreeg Van Robays te maken met beschuldigingen, vooral vanuit socialistische hoek, dat hij actief zou zijn geweest op de zwarte markt en zou gecollaboreerd hebben met de bezetter. Hierover verklaarde hij met bitterheid bij zijn afscheid in de laatste gemeenteraad die hij op 30 mei 1921 voorzat: ".. .Mijne taak is heden afgeloopen, mijnen dienst aan de gemeente is vandaag 't einden...de laatste 6-7 jaren hebben ons vele last gegeven, en ons werk wierd slecht beoordeeld en kwalijk bevonden; klachten wierden bij 't tribunaal gedaan en 't tribunaal gaf ons telkemale gelijk. Klachten en naamlooze brieven werden naar den Procureur des Konings gezonden welke ons vele tergende onderhooren en onderzoeken te wege brachten maar die telkens nog eens op niets uitliepen. En toch ging de lastertaal voort haren gang, wij wierden het gewend en wij troostten ons met te zeggen, Heer vergeef het hen want zij zijn te dom om te weten wat zij doen. Wij weten dat het getal lasteraars en eerroovers geheel klein is en maar uit eene kleine kliek bestaat.. . en om van al die miseries af te zijn stelde ik mij niet meer vooren in de laatste verkiezingen. Thans vraag ik aan de bewooners van Sint-Kruis verontschuldiging, geene vergiffenis. Versta me wel want het is ik die vergiffenis te geven hebbe. .."

Onder zijn kinderen waren er twee die het familiebedrijf elk op hun manier verder zetten: Walter Van Robays (Sint-Kruis 15 maart 1887 - 6 oktober 1961) en Huibrecht Van Robays (Sint-Kruis 9 april 1889 - Oostkamp 29 februari 1940). De drie jongste dochters werden kloosterzuster: Gudula (1895-1958) bij de Arme Claren, Germana (1899-1939) bij de Augustinessen en Ludwina (1902-1941) bij de Ursulienen.

X. Charles Casteleyn (Gistel, 24 februari 1885 - Sint-Kruis, 23 maart 1952) was burgemeester van 1921 tot einde 1932.

Charles Casteleyn, getrouwd met de Ichtegemse Julie Van BelIeghem, met wie hij vijf dochters had, was van beroep aannemer van openbare werken. Tot in 1916 woonde het gezin Casteleyn in Zeebrugge. De oorlogsomstandigheden dreven het daar weg en het nam zijn permanente intrek in de villa 'Waterkant' in Sint-Kruis.
Charles Casteleyn burgerde zeer vlug in, zodanig dat hij op 24 april 1921 zegevierde in de eerste naoorlogse verkiezingen, met een katholieke lijst die 9 van de 11 zetels behaalde. Dit was het resultaat van een brede steun die aan de lijst was gegeven door boeren, middenstanders en de christelijke arbeidersorganisatie. 'De beste samengestelde lijst die ooit op Sinte-Kruis verschenen is', zo adverteerde men op de kiespamfletten. Casteleyn zelf stond pas tweede op de lijst, na de timmerman Ernest Stevens, maar hij werd benoemd tot burgemeester. Dit gebeurde niet zonder een tweestrijd met Stevens, die sporen naliet. De weduwe van Ulrik de Pierpont, geboren Visart, stond als derde op de lijst, werd verkozen en werd schepen. Eén zetel ging naar de socialist Edmond Vandewiele en één naar de volksfiguur Toon De Clerck.
In 1926 voerde Casteleyn de lijst aan onder de naam Christen Blok en behaalde 8 zetels. Op de brede lijst van bedienden, middenstanders en landbouwers stonden onder meer de landbouwer Victor Carrebrouck, de meester-kleermaker Modest Hoste, de groothandelaar Edward Huys, de aannemer Camiel Thys. De socialisten hadden 1 zetel en 2 zetels gingen naar dissidente christen democraten. Eigenlijk waren er vier christen-democratische scheurlijsten, maar alleen de lijst met de naam 'De Christen Democraten' behaalde zetels, voor timmerman Ernest Stevens en brouwersknecht Oscar Ackaert, die in 1921 nog op de lijst van Casteleyn stonden.
Tijdens die ambtsperiode kwam het tot een frontale botsing tussen Casteleyn en de apolitieke Pieter Janssens, die vanwege rioleringswerken in de straat waar hij woonde heel wat ongemakken had ondervonden. Een tweede ruzie ontstond tussen Casteleyn en Edward Huys over de aankoop van een terrein gelegen naast de Mouterij Huys. Enkele invloedrijke families (Huys, Van Hoorickx, Van Robays) vonden elkaar, samen met Pieter Janssens, in hun vijandigheid tegenover Casteleyn en bereidden zich voor om hem electoraal te treffen.

In 1932 kon Casteleyn nog slechts 4 zetels veroveren. Hij had nochtans inspanningen gedaan om ruime aanhang te verwerven en het overlopen van enkele van zijn kompanen naar de concurrerende lijst te compenseren. Zo had hij op zijn kandidatenlijst de dissidenten uit 1926, Stevens en Ackaert, opgenomen, alsook de zoon van de vroegere burgemeester Ferdinand de Maleingreau d'Hembise, Jean de Maleingreau. De socialisten hadden 2 verkozenen en de lijst Gemeentebelangen had er 5. Hoewel dit geen volstrekte meerderheid betekende, werd de kopman van die lijst, Pieter.Janssens, burgemeester.
In 1938 veroverde Casteleyn 5 zetels op een lijst waar hij als lijstduwer voorkwam en verkozen werd. De lijst werd aangevoerd door de handelaar Gerard D'Hooghe, met na hem Jean de Maleingreau. Ook de jonge letterkundige Marcel Matthijs (1899-1964) stond op de lijst. De lijst van Pier Janssens had nu 6 zetels en daardoor een meerderheid die toeliet verder de gemeente te besturen.
In 1946 figureerde Casteleyn als kopman van de CVP-lijst, met Didier de Pierpont als lijstduwer. De vrede binnen het katholieke kamp was hiermee hersteld, des te meer omdat Pieter Janssens zich uit de politieke activiteiten had teruggetrokken en zijn lijst Gemeentebelangen had opgehouden te bestaan. Casteleyn bleef gemeenteraadslid en mentor van de nieuwe meerderheid.
Tijdens de volgende bestuursperiode 1952-1958 nam dochter Godelieve Casteleyn de opvolging van Charles waar. Ze werd verkozen en werd schepen en ambtenaar van de burgerlijke stand. In 1958 zou ze echter, in onvrede met de CVP, Gerard D'Hooghe volgen in een nieuwe uitgave van het Christen Blok, die echter maar één verkozene had, en in 1964 duwde ze op de lijst van Jacques Langerock..
Casteleyn was een verwoed duivenmelker. Dit bracht hem tijdens de Tweede Wereldoorlog in problemen met de bezetter, vanwege de verordening op het verplichte inleveren van de duiven. Hij slaagde erin een behoorlijk aantal diertjes binnen de duiventil in leven te houden en verder jonge duiven te kweken (20).
.
XI. Pieter Janssens (Sint-Kruis 18 januari 1876 - 27 augustus 1957) was burgemeester van 1933 tot 1946.

De grootvader van Pieter Janssens was Leonard Janssens, die in Sint-Kruis een kleine handel dreef in hooi en gekapt stro. Die zijn zoon, Carolus Janssens, getrouwd met Marie De Buck had zeven zonen en drie dochters, van wie Pieter Janssens de oudste was.

Carolus ging werken in de Brugse stokerij en vetmesterij Verstraete, aan de Wulpenstraat, die vanaf 1897 ook gist produceerde. Kort daarop verkocht de familie Verstraete de onderneming aan de Koninlijke Gist- en Spiritusfabriek. Tegen die tijd werkte ook Pieter Janssens in de fabriek. Hij was slechts tot zijn twaalfde naar school geweest, maar spande zich vele jaren in om zich door avondstudie bij te scholen. Hij leerde scheikunde, Frans en Duits en maakte promotie in de 'Gistfabriek' tot hij er hoofdbeamte werd en zijn loopbaan afsloot met de vleiende titel van “inspecteur generaal” van de Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek'.
Zijn zoon Charles Janssens werd scheikundig ingenieur en trad in de voetsporen van zijn vader. Zijn loopbaan liep uitsluitend bij de Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek en hij sloot ze af als directeur van het bedrijf.

Burgemeester Casteleyn zou in januari 1933 waarschijnlijk een derde ambtstermijn hebben kunnen inzetten, ware het niet dat hij met een paar voorname ingezetenen (Pieter Janssens, de families Huys, Van Robays en Van Hoorickx) in disputen was geraakt, met als gevolg dat de mistevredenen met een nieuwe lijst aan de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1932 deelnamen. Pieter Janssens voerde de lijst aan en zocht zijn publiek bij de kiezers van wie de families al minstens een paar generaties op Sint-Kruis woonden en bij de arbeidersbevolking, meer bepaald bij de velen die in de 'Gistfabriek' werkten. Drie van de kandidaten waren uittredende schepenen of raadsleden die bij de vorige verkiezingen op de lijst van Casteleyn hadden gestaan, met name Camiel Thys, Victor Carrebrouck en Edward Huys. Ook Huibrecht Van Robays stond op de lijst.
De kiescampagne werd bijzonder hard gevoerd, met pamfletten waarin hevige persoonlijke aantijgingen werden geuit en waarbij Casteleyn als een "grijpgier" werd afgeschilderd. Hij sloeg terug met affiches waarop Janssens werd beschuldigd 'de kandidaat van de loge' te zijn. Er werden ook allusies gemaakt op de Duitsgezindheid van sommige kandidaten tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Het resultaat gaf 5 zetels voor de lijst Janssens, nog slechts 4 voor de lijst Casteleyn en 2 voor de socialisten. Hoewel hij net geen meerderheid had behaald, werd Janssens, met de steun van de socialisten, toch tot burgemeester benoemd en aannemer Camiel Thys en landbouwer Victor Carrebrouck, vroegere medestanders van Casteleyn, tot schepen. In 1938 kon Janssens 6 zetels veroveren met een lijst waarop voor het eerst Didier de Pierpont kandidaat was. De lijst D'Hooghe-Casteleyn behaalde slechts 5 zetels, zodat Janssens nu over een volwaardige, zij het nipte meerderheid beschikte. De Pierpont werd schepen in opvolging van Victor Carrebrouck. De socialisten verdwenen uit de raad.
'Pier' Janssens, zoals iedereen hem noemde, was populair en bleef burgemeester tot hij begin 1941 op grond van de leeftijdslimiet werd afgezet. Op 12 juli 1941 werd de VNV-er Gaston Meire als opvolger benoemd. Die bleef aan het roer totdat in oktober 1942 Sint-Kruis bij Brugge werd ingelijfd.

In 1944 hernam Janssens het burgemeestersambt, totdat hij op 1 januari 1947 werd opgevolgd door zijn vroegere schepen Didier de Pierpont (21)
.
XII. Didier de Pierpont (Sint-Kruis 7 oktober 1911 - Mont-Godinne 7 oktober 2002) was burgemeester van 1947 tot 1970.

Didier Emile Antoine Marie Ghislain de Pierpont (22) was een achterkleinzoon van burgemeester Marie Jean Visart de Bocarmé. Zijn grootvader was Ernest Visart (1835-1917) die meer dan dertig jaar provincieraadslid was

Die zijn dochter Adrienne Visart (1878-1926), die het kasteel Rooigem erfde, trouwde met Ulrik de Pierpont (1877-1916) uit Herk-de-Stad. Hij was officier bij de lansiers en kwam uit een vroom gezin: drie van zijn broers waren jezuïet, een zus werd dominicanes, een andere benedictines

Kapitein-commandant Ulrik de Pierpont overleed op 26 juli 1916 in Calais aan zijn oorlogsverwondingen. De oorlogsweduwe Adrienne de Pierpont-Visart werd na de oorlog verkozen op de lijst van Charles Casteleyn en werd schepen van Sint-Kruis.
Didier was de jongste van de zes kinderen. De twee oudste dochters, Anne (1905-1987) en Françoise (1906-1939) traden binnen bij de Augustinessen van het Engels klooster in Brugge. Hij behaalde zijn diploma van doctor in de rechten aan de Katholieke Universiteit Leuven en was van 1937 tot 1944 advocaat in Brugge. Bij de verkiezingen van oktober 1938 was hij kandidaat op de lijst van Pieter Janssens en werd hij tot gemeenteraadslid en in januari 1939 tot schepen verkozen. In juli 1941 had hij, na de benoeming buiten de raad van de VNVer Gaston Meire tot burgemeester, in de verslagen van het schepencollege laten notuleren dat hijzelf en zijn collega eerste schepen Camiel Thys van oordeel waren dat de afzetting van Pieter Janssens en de benoeming van Meire onwettig waren gebeurd. Ze werden dan ook prompt als Duitsvijandig uit hun ambt ontzet en vervangen door Cyriel Busschaert en Jozef Bleyaert (in 1938 gemeenteraadslid gekozen op de lijst Pieter Janssens).

Tijdens de Tweede wereldoorlog behoorde hij tot het verzet, meer bepaald tot het Geheim Leger en organiseerde een groep medestanders op zijn gemeente. Hij kreeg de opdracht informatie te verzamelen over de haven van Brugge en door te seinen naar Londen. Zijn groep moest er ook over waken dat de Duitsers de achterhaven niet zouden saboteren, alvorens te vertrekken (24).

Beroepshalve werd hij vanaf 1946 beheerder-directeur van de Bank van Roeselare en West-Vlaanderen. Hij was ook voorzitter van Imenwest-Ebes, bestuurder van Thuis Best (leningen voor sociale woningbouw) en van de West-Vlaamse Hypotheekkas. Hij was ook voorzitter van de raad van bestuur van de steenbakkerij De Keignaert.
Hij trouwde in 1948 met Françoise Lefebvre (Pommeroeul 31 juli 1926-Ottignies 29 juni 2011). Ze hadden vijf kinderen van wie alleen de oudste de volwassen leeftijd bereikte.

De Pierpont nam als lijstduwer deel in 1946 aan de eerste naoorlogse gemeenteraadsverkiezingen op een CVP-lijst aangevoerd door voormalig burgemeester Casteleyn, die de steun had van de CVP, van de koningsgezinde groeperingen en van heel wat aanhangers van Pier Janssens. In de persoon van de lijsttrekker en de lijstduwer was de verzoening van de beide vijandige kampen een feit. De lijst was ruim gestoffeerd met kandidaten die vroeger tot één van beide kampen behoorden (Gerard D'Hooghe, Camiel Defreygne, Louis Mortier, Pieter Vandermoere) en behaalde een overweldigende meerderheid van 9 zetels, tegen 2 voor de socialisten. Gevolg hieraan werd de Pierpont tot burgemeester benoemd, met Gerard D'Hooghe als eerste schepen.

In 1952 behield hij de meerderheid met 7 zetels, tegen 3 voor de socialisten en één voor een volksfiguur, de meester-wagenmaker René Van Reybrouck, die de CVP-lijst de rug had toegekeerd. De Pierpont trok nu de lijst en Godelieve Casteleyn, dochter van de vroegere burgemeester, was lijstduwer. Zij werd schepen en ambtenaar van de burgerlijke stand. Naast de socialisten en Van Reybrouck, diende ook de liberale partij een lijst met vier kandidaten in, met de secretaris van de Brugse Liberale Volksbond Guy Lepez als kopman, maar zonder succes.

In 1958 bleven de verhoudingen dezelfde, hoewel nu niet meer alleen Van Reybrouck als outsider optrad. Ook eerste schepen Gerard D'Hooghe diende uit onvrede met de CVP een eigen onvolledige lijst in, waarop ook de vroegere CVP-kandidaten René Van Nevel en Pieter Van der Moere voorkwamen. Van Reybrouck werd niet meer verkozen, maar D'Hooghe wel. De liberalen hadden ditmaal een volledige lijst ingediend, aangevoerd door tandarts Pierrre Van de Putte, maar opnieuw zonder succes. Op de CVP-lijst kwamen nieuwe kandidaten voor die nog van zich zouden laten horen: de middenstander André Verhegghe, de ACW-er Marcel Van Dille (die beiden schepen werden) en de landbouwer Marcel Focke. Godelieve Casteleyn was lijstduwer.

In 1964 brak de latente onenigheid binnen de CVP openlijk los. De ACW-fractie, ondersteund door leden van de middenstandsfractie, wilde het burgemeesterschap voor haar voorman, schepen Marcel Van Dille. Het arrondissementeel bestuur van de CVP zat hiermee erg verveeld en deed pogingen om de vrede te herstellen. Toen dit niet lukte, werd er minstens naar gestreefd een 'scheurlijst' te vermijden. Arrondissementsvoorzitter Leon Van Outryve d'Ydewalle werd op Didier de Pierpont afgestuurd en kwam met het geruststellende nieuws terug dat hij niet met een eigen lijst zou opkomen. Enkele weken later, bij de neerlegging van de lijsten, bleek er wel degelijk een lijst de Pierpont te zijn. Binnen de CVP werd gefluisterd dat die twee beste heren, die hoofdzakelijk Franstalig waren, bij hun 'officiële' ontmoeting Nederlands hadden gesproken en elkaar verkeerd hadden begrepen (25).
De Pierpont had zich alvast niet gedwee laten verwijderen en had een stevige lijst met kandidaten bijeengebracht. Onder hen de landbouwer Camiel Defreyne (die voordien op de CVP-lijst stond), de handelaar in bouwmaterialen Pierre De Loof, de meester-schilder Gregoire De Cock en als lijstduwer de gezaghebbende Charles Janssens, zoon van de vroegere burgemeester. Naast de socialisten, trok ook Jacques Langerock met een volledige lijst naar de kiezer, waar twee uittredende CVP-gemeenteraadsleden (Louis Mortier en Cyriel De Corte), een voormalig raadslid (Pieter Van der Moere) en de voormalige schepenen Gerard D’Hooghe en Godelieve Casteleyn op stonden. De CVP had een lijst waar de verschillende 'standen' hun gading konden vinden: het ACW met Marcel Vandille, Marie-Louise Maes-Van Robaeys, Roger Meerseman, Gerard Gaelens, Prosper Willemarck en Fernand Tamsin; de middenstand met André Verhegghe, René Baeke en de ondernemers Daniel Helewaut en Charles De Pourcq; de landbouwers met Marcel Focke, Cyriel Lonneville en de oorlogsschepen Cyriel Busschaert.
De uitslag was ontgoochelend voor de Pierpont die slechts twee zetels behaalde. De socialisten hadden er vier, Jacques Langerock één en de CVP zes. Er was ook nog een lijst Volksbelangen (voorloper van de Volksunie), maar die had geen verkozene.
Er waren rekenkundig vier coalities mogelijk: CVP met socialisten, CVP met Langerock, CVP met de Pierpont, de Pierpont met socialisten en Langerock. Door behendige onderhandeling, die veel te danken had aan de vriendschap van Charles Janssens met Achille Van Acker, won de vierde mogelijkheid het pleit en vormde de Pierpont een coalitie waarbij hij het burgemeesterschap behield, Langerock eerste schepen werd en de socialisten twee schepenzetels veroverden, bezet door de vakbondsecretarissen Firmin Van de Calseyde en Henri Naessens. De CVP werd naar de oppositie verwezen.

De Pierpont bleef het ambt uitoefenen totdat einde 1970 zijn gemeente werd opgeslorpt in het nieuwgevormde Groot-Brugge (26). Hij verliet de politiek, terwijl vanuit Sint-Kruis Jacques Langerock en Marie-Louise Maes-Van Robaeys (CVP), Firmin Van de Calseyde (BSP), Omer Dombrecht en Josiane Van Vlaanderen-Tuyaerts (VU), hun intrede deden in de gemeenteraad van Groot Brugge.

Tot op hoge leeftijd bewoonde de Pierpont het kasteel Rooigem, dat hij van de familie Visart had geërfd. Zijn laatste levensjaren bracht hij door in Lierneux in de Ardennen.

Uiteenlopende burgemeesterschappen
Het type van burgemeester liep in Sint-Kruis, over de jaren heen tamelijk uiteen. Vooreerst was er de duur van hun mandaat. In sommige gemeenten treft men burgemeesters aan die een halve eeuw of langer het roer in handen hielden. Brugge is hiervan een voorbeeld, met het burgemeesterschap van Amédée Visart. Op Sint-Kruis werd Jules de Bie met 33 jaar leiding over de gemeente, de langst zetelende burgemeester. Hij werd hierin gevolgd door de Maleingreau (24 jaar, waarvan hij echter maar tijdens een deel ook effectief zetelde) en Didier de Pierpont (24 jaar). Volgden dan Van Cleemput (19 jaar), Goupy (17 jaar), Janssens (14 jaar, waarvan drie oorlogsjaren op non-actief) en Casteleyn (12 jaar). De overige stonden vijf tot tien jaar aan het roer. De lengte van het mandaat is natuurlijk geen bewijs van  de ontplooide activiteit en dynamisme. Wie onder de burgemeesters bracht het meest bij tot het leven, de oontwikkeling en de toekomstperspectieven van de gemeente? Om dit te meten zou, voor zoveel de gegevens aanwezig zijn, een grondige vergelijkende studie nodig zijn.

Onder de eerste drie burgemeesters waren er twee (Timmerman en Van Cleemput) die de uitdrukking waren van de overwegend door landbouwers bevolkte gemeente (27). De derde (Jacoby) was eerder een buitenbeentje die zijn benoeming dankte aan toevallige omstandigheden. Van 1830 tot 1921 volgden vijf in Sint-Kruis wonende edellieden elkaar op. Zo ging het in zeer veel landelijke gemeenten aan toe. De edelman stond boven het dagelijkse gewoel en gekibbel en, als hij welstellend was, steunde hij met een persoonlijke inbreng het ontstaan van initiatieven waar de gemeentekas geen middelen voor had. Hij was rentenier en kon dan ook onbezoldigd veel tijd aan de gemeentezaken besteden. Na de Eerste Wereldoorlog was er blijkbaar geen passende kasteelheer meer beschikhaar en waren het twee burgers (Casteleyn en Janssens) die opeenvolgend burgemeester waren en elkaar hierbij zeer hevig bestreden: de gemeentelijke politiek op zijn hevigst en persoonlijkst. De benoeming van een burgemeester uit adellijke kringen was na de Tweede Wereldoorlog niet meer vanzelfsprekend. De Pierpont werd echter gedragen door zijn oorlogsverleden en zijn Leopoldistische overtuiging evenals door zijn status als kasteelheer en nazaat van de Visarts. Hij had het gezag om het vroegere antagonisme tussen partijen en clans te doen wijken en gelijkgezinden, op basis van het dynamisme dat uitging van de pas opgerichte CVP, op één lijst te verenigen.

Toen het uur van de fusie binnen een groter geheel was aangebroken, bleef het in Sint-Kruis rustig. De onvermijdelijkheid van de fusie werd ingezien en hier werden niet, zoals in Sint-Andries of Sint-Michiels, acties tegen de fusie ondernomen. Evenmin werden, zoals in Assebroek, inderhaast straatnamen  uitgedeeld op de naam van vroegere gemeentebestuurders. Men beperkte er zich toe om aan Magda Cafmeyer de opdracht te geven een boekje over de geschiedenis van de gemeente te schrijven, dat in 1970  verscheen onder de titel 'Sint-Kruis, oud en nieuw'.
-------
1. ANDRIES VAN DEN ABEELE, Het eerste stadsbestuur van Brugge na de inlijving bij de Franse republiek in: Brugs Ommeland, 2008, blz. 51-68.
2. Magda CAFMEYER, Sint-Kruis, oud en nieuw, Brugge, 1970; en René DUYCK, Sint-Kruis, geschiedenis van de Brugse rand, Brugge, 1987. Deze publicaties zijn beknopt, onvolledig en soms zelfs onjuist betreffende de opeenvolging van de burgemeesters. Ik heb de meeste gegevens van burgerlijke stand in de geboorte- huwelijks- en overlijdensakten en tevens de begin- en einddatum van ieder burgemeestersperiode nagegaan op basis van de ondertekende akten van de burgerlijke stand. Verdere referentie: 
Jan D'HONDT en Noël GEIRNAERT, Inventaris van het archief van de gemeente Sint-Kruis (1794- 1971), Brugge, 1990.
3. Andries VAN DEN ABEELE, De vier prefecten van het departement van de Leie, in: Biekorf, 2004, blz. 135
4. Andries VAN DEN ABEELE, Valentin Jacoby, in: Brugs Ommeland, 1992, blz. 37-53. 
5. Andries VAN DEN ABEELE, Het eerste stadsbestuur, a. w.
6. Andries VAN DEN ABEELE, De zoons van drukker-uitgever Joseph Van Praet, in: Biekorf, 1997, pag. 206221
7. Andries VAN DEN ABEELE, Petronilla van Outryve, een geëmancipeerde vrouw in de 18de eeuw, 1748-1814, in: Brugs Ommeland, 2003, blz. 99-140.
8. Y.VAN DEN BERGHE, Jacobijnen en Traditionalisten. De reacties van de Bruggelingen in de revolutietijd (I 780-1794), Brussel, 1972; J .VAN WALLEGHEM, Merckenweerdigste voorvallen 1790, Brugge, 1985; A. VANHOUTRYVE, De Brugse kruisbooggilde van SintJoris, Handzame, 1968; A. VAN DEN ABEELE, De zoons van drukker-uitgever Joseph Van Praet, in: Biekorf 1997, blz. 206-221
9. A. VAN HOUTRYVE. Familie Van (H)Outryve. Kortemark, 1985. blz. 348-349; Oscar COOMANS DE BRACHÈNE. État présent de la noblesse beige, Annuaire de 1989, Brussel, 1989.
10. Ch. SERWEYTENS DE MERCX, Généalogie Serweytens de Mercx, in: Tablettes des Flandres. Tome 8, Brugge, 1960, blz. 209.
11. Alfons DEWITTE, 500 jaar vrije archiers van mijnhere sint sebastiaen te Sint-Kruis-Brugge. Brugge. Orion, 1975
12. Wet van 12 maart 1848, lijst van kiesgerechtigden voor het arrondissement Brugge.
13. Process du comte et de la comtesse de Bocarmé devant la courd'assises du Hainaut, Mons, Theophile Leroux, 1851 ; Henry SOUMAGNE, Le Seigneur de Bury, Brussel, 1946; Henri GODAR, Histoire de la Gilde de Saint-Sébastien de la ville de Bruges, Brugge, 1947 ; Oscar COOMANS DE BRACHÈNE, État présent de la noblesse belge, Annuaire de 2000, Brussel. 2000
14. Louis VAN RENYNGHE DE VOXVRIE, La descendance de Jean-Bemard van Zuylen van Nyevelt et d'Jsabelle du Bois, Brugge, 1964 ; Oscar COOMANS DE BRACHÈNE, État présent de la noblesse beige, Annuaire de 1984, Brussel, 1984 ; Daniël DE CLERCQ, Kasteel De Spycker in Sint-Kruis een huis van plaisance, in : Brugs Ommeland, 2004, p. 227 e.v.
15. Alfons DEWITIE, a. w. ; Oscar COOMANS DE BRACHÈNE. État présent de la noblesse belge'. Annuaire 2000. Brussel, 2000
16.Werkgroep Geschiedenis Sint-Kruis. Sint-Kruis omstreeks 1900. Sint-Kruis. 2000. blz. 9
17. R. COPPIETERS 'T WALLANT, Notices généalogiques et historiques sur quelques families brugeoises, Brugge, 1942; Alfons DEWITTE, a. w. ; Oscar COOMANS DE BRACHÈNE, État présent de la noblesse beige, Annuaire 1993, Brussel, 1993
18. R. VAN LANDSCHOOT, Edward Van Robays, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998. blz. 2618.
19. Yvette KEMEL, De Familie Van Robays, in: Sint-Kruis omstreeks 1900, Werkgroep Geschiedenis Sint-Kruis, Heemkundige Kring Mam. Van CoppenolIe, 2000, p. 31-38;
A. SCHOUTEET, De straatnamen van Brugge. Oorsprong en betekenis, 1977, p. 170; Lieven DE VISCH, De evolutie van de Brugse rand. De politieke en infrastructurele ontwikkeling van de gemeente Sint-Kruis tot de fusie binnen Groot-Brugge (I 919-1971), licentiaatverhandeling (onuitgegeven), Universiteit Gent, 2004

20. Johan WEYTS, Godelieve Casteleyn, in: Mensen van bij ons, Sint-Kruis, 1991; Lieven DE VISCH, a. w.
21 Johan WEYTS, Charles Janssens, in: Mensen van bij ons, Sint-Kruis, 1991; Andries VAN DEN ABEELE, Burgemeesters en schepenen in de Brugse agglomeratie tijdens de Tweede wereldoorlog, in: Brugs Ommeland 2001, blz. 131-143; Lieven DE VISCH a.w.
22. Hoewel Didier de Pierpont een adellijke moeder had, behoorde hij zelf niet tot de adel. De familie de Pierpont, hoofdzakelijk in de provincies Luik en Namen gevestigd, is oud maar niet adellijk, met uitzondering van een paar takken die respectievelijk in 1897, 1954 en 1964 geadeld werden. Het belet niet dat de familie, door talrijke huwelijken met adellijke personen, nauw bij de Belgische adel aansluit.
23. MARC BELVAUX, La familie de Pierpont, 2 volumes, Brussel, 2010.
24. LUC SCHEPENS, Brugge Bezet, het leven in een stad tijdens twee wereldoorlogen, Tielt,
25. Ik was toen lid van het 'dagelijks bestuur' en behoud o.m. aan deze episode levendige herinneringen.
26. Luc SCHEPENS, a. w.; Johan WEYTS, Godelieve Casteleyn, a. w.; Andries VAN DEN ABEELE, a. w.; Marie-Pierre D'UDEKEM D' ACOZ, Voor Koning en Vaderland. De Belgische adel in het Verzet, Tielt, 2003, Lieven DE VISCH, a.w.; Alex CALMEYN, De reis om mijn wereld in 80 vragen. Het leven van Fernand Tamsin, Brugge, 2008; Andries VAN DEN ABEELE, De Balie van Brugge, Brugge, 2009.
27. L. ZWARTJES, Sint-Kruis: van landelijke tot verstedelijkte gemeente, Katholieke Universiteit Leuven, 1986

.